14 juli 2017

Bijna 107.000 mensen zijn vanuit kamp Westerbork gedeporteerd. Op woensdag 15 juli 1942 vertrekt het eerste transport, met 1137 Joden, waaronder een aantal weeskinderen naar Auschwitz-Birkenau. Er zullen nog 96 transporten volgen.  Komende dagen besteedt het NIOD aandacht aan het eerste transport naar vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau en de bijzondere archiefstukken die bewaard zijn gebleven.                                                                                              

Tekening van “Aankomst en transport in Birkenau” Datum: waarschijnlijk 1944 Tekenaar: Emile Franken

Joodse Raad

Na aanvang van de eerste transporten uit Westerbork probeert de Joodse Raad erachter te komen wat de bestemming is van de treinen en hoe het de gedeporteerden vergaat. Op 13 augustus 1942 rapporteert de afdeling Uitzending Buitenland aan de voorzitters van de Joodse Raad over de ontvangst die dag van ‘52 brieven uit Duitschland’. De brief van Hester van Engers, gedateerd 30 juli 1942, zal tot deze zending hebben behoord.

Op basis van deze brieven tracht de Joodse Raad uit te vinden waar de treinen uit Westerbork naartoe gaan. Auschwitz is nog totaal onbekend:

‘De brieven zijn allemaal afkomstig uit het Arbeitslager BIRKENAU, resp. uit het Frauenlager BIRKENAU. Tot hedenavond is het ons tot onze spijt nog niet gelukt vast te stellen, waar Birkenau precies ligt. De vroegste op de brieven vermelde datum is 22.7., terwijl de laatste datum 3 augustus is.’

De indrukken over de reis en de werkzaamheden zijn na bestudering van de brieven niet geheel ongunstig:

‘De reisduur van 2 à 3 dagen, behandeling tijdens de reis goed, meestal tewerkgesteld bij planeeringswerk of barakkenbouw, het werk is zwaar, ongewend, maar uit te houden.’

En ook de behandeling lijkt correct:

‘Hygiënische toestanden tevredenstellend – bad- en douchegelegenheid blijkbaar aanwezig, behandeling “gerecht” (rechtvaardig) en correct.’

De brieven kunnen alleen door bemiddeling van de Joodse Raad worden verzonden. Hier worden de brieven geopend, gelezen en geanalyseerd. Daarna worden ze doorgezonden naar de geadresseerden. Optimistisch stelt het  Joodse Raadrapport: ‘Voor het publiek blijkt de aankomst dezer brieven verheugend en geruststellend te zijn.’

Dat het thuisfront hier misleid wordt mag duidelijk zijn. Slechts een klein deel van de gedeporteerden heeft de eerste selectie in Auschwitz overleefd en een zeer select gezelschap wordt in de gelegenheid gesteld een bericht te sturen naar Nederland. De censuur dwingt hen positief te berichten over de omstandigheden in Polen. Uit een latere rapportage van de Joodse Raad over de transporten wordt duidelijk dat men inmiddels een groot voorbehoud is gaan maken over de ontvangen mededelingen. Maar het gruwelijke lot, dat de meerderheid van de gedeporteerden ten deel is gevallen, is in de eerste deportatieperiode niet tot de Raad doorgedrongen.

Bron: NIOD, archief 182 (Joodsche Raad voor Amsterdam), inventarisnummer 200