23 november 2020

Aardbeien met slagroom vormden het laatste maal dat Anton Mussert in vrijheid at. In de namiddag van 7 mei 1945 haalde de hoofdcommissaris van de Haagse politie, geassisteerd door enkele leiders van de lokale Binnenlandse Strijdkrachten, de NSB-leider op aan de Korte Vijverberg 3. In dit monumentale pand was de Secretarie van Staat van de NSB gevestigd: “Daar, in het Groen van Prinstererhuis, met het mooie uitzicht op de gebouwen van het Binnenhof[,] den Gevangenpoort en het  Groene Zoodje daar, vanwaar uit ik gehoopt had eens de wederopbouw van Nederland […] te kunnen leiden, daar heb ik de op til zijnde capitulatie afgewacht” zou Mussert later in gevangenschap optekenen.

Nadat de aanwezige lijfwacht ontwapend was, sprak de hoofdcommissaris in Musserts werkkamer met zijn arrestant. Zijn oog viel op een zilveren schaal waarin aardbeien met slagroom lagen, een ongekende luxe in een land dat net de Hongerwinter achter de rug had.

Tijdens zijn proces zat Mussert gevangen in de cellenbarak van de Strafgevangenis in Scheveningen. De aanklacht omvatte drie punten:
I. Poging om het land onder vreemde heerschappij te brengen,
II. Poging om te grondwettelijke regeringsvorm te veranderen,
III. Hulpverlening aan de vijand.

Het Bijzonder Gerechtshof veroordeelde hem op 12 december 1945 tot de doodstraf. Na het aanhoren van de eis, hield Mussert een uitvoerige verdedigingsrede waarin hij betoogde geen andere bedoeling te hebben gehad dan het welzijn van het Nederlandse volk en dat zijn politiek uitsluitend gericht is geweest op het verkrijgen van een zo groot mogelijke zelfstandigheid voor Nederland. In maart 1946 verwierp de Bijzondere Raad van Cassatie het hoger beroep dat Mussert had ingesteld. Volgens krantenberichten was Mussert gekleed in een donkerblauw kostuum en draaide hij zich na het aanhoren van het vonnis om naar het publiek, glimlachte en verdween door de deur.

Zijn zwager Wim Terpstra diende nog een gratieverzoek in maar daar was Mussert niet van gediend. Hij schreef een briefje dat via zijn advocaat in de dagbladen gepubliceerd werd. Het handgeschreven origineel, waarin Mussert de voltrekking van het vonnis als “aangelegenheid van de Kroon” aanmerkte, berust in het archief van het NIOD.

Brief van Mussert aan zijn advocaat waarin hij afstand neemt van het gratieverzoek. De tekst zou in diverse kranten belanden.

Tot het laatst toe bleef Mussert ervan overtuigd dat hij het beste voor Nederland had gedaan. Vanuit zijn cel schreef hij een brief aan zijn oud-studiegenoot Willem Schermerhorn, op dat moment minister-president. Mussert noemde het doodvonnis een “politieke moord met een gerechtelijk manteltje om” en verklaarde: “Zoo zal ik dan straks voor het vuurpeloton staan, ongeschokt in de overtuiging naar mijn geweten gestreden te hebben voor het Vaderland”.

Ondertekening van de brief aan oud-studiegenoot Schermerhorn

Op de dag dat Nederland zijn eerste jaar bevrijding vierde, zondag 5 mei 1946, kreeg Mussert te horen dat hij twee dagen later gefusilleerd zou worden. Hij kreeg verlof om afscheid te nemen van zijn vrouw die met een gebroken rib thuis in bed lag. De nacht voor de voltrekking van het vonnis bracht hij tezamen met een dominee en zijn zwager Wim Terpstra door in zijn cel met nummer 603. De commandant van de strafgevangenis haalde hem in de vroege ochtenduren van dinsdag 7 mei 1946 uit zijn cel. Op zijn vraag hoe de laatste nachtrust van Mussert was geweest, was het antwoord: “Och commandant een mens slaapt ’s nachts om weer kracht te hebben voor ’t werk dat hem ’s morgens wacht. Mijn werk is afgelopen, ik dacht, dus behoef ik ook niet te slapen”.

Op de Waalsdorpervlakte klonken om half zeven in ‘s ochtends de schoten van het vuurpeloton die een eind maakten aan het leven van Anton Mussert.

Meer informatie over het proces Mussert in de NIOD-archieven:

Foto's:

Literatuur: