De oorlogsslachtoffers van toen en nu

De Tweede Wereldoorlog heeft veel ontheemden met zich mee gebracht. Roma’s, Sinti’s, krijgsgevangen, joden, Nederlands-Indische ex-geïnterneerden. Aan het eind van de oorlog moesten die allemaal terugkeren naar de samenleving. Terug naar huis dus, dat klinkt als een plezierige gedachte. Die terugkeer ging in veel gevallen echter niet zo succesvol. In West-Europa waren dit voornamelijk psychologische problemen. In Nederland bijvoorbeeld had mijn zeer veel moeite met joodse en Indische Nederlanders. Veel repatrianten, dat zijn mensen die terugkeren naar hun vaderland, hebben negatief gesproken over hun terugkeer in Nederland.[1] In Oost-Europa waren de problemen veel groter. Hier werden gedeporteerden, met name joden in veel landen gewoon niet geaccepteerd en fysiek aangevallen.[2]

De eerste oorzaak ligt vaak in het onbegrip onder de bevolking die de ontheemden moest opvangen. Talloze wetenschappers hebben er al over geschreven. Zo ook Ian Buruma in Biografie van het jaar 1945 (2013). Hij schrijft dat de ontheemden ook een leven hadden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Voor hen was het kamp en de ellende gewoon een leven. Opstaan en werken was hun routine. Het was zeer zeker geen fijn leven maar het was er wel een. De mensen die de ontheemden moesten opvangen schilderden hun leven vaak af als ‘een hel’ of ‘gruwelijkheden’, maar echt een helder besef van wat de ontheemden meemaakten was er niet. Dit onbegrip leidde in veel gevallen tot het ontbreken van goede hulp.[3]

Als gevolg van dit onbegrip kwamen er ook vaak jaloerse en discriminerende reacties op die de onvrede onder ontheemden verder versterkte. In Nederland bijvoorbeeld: hier waren voedingsmiddelen geruime tijd op de bon. Joodse en Nederlands-Indische oorlogsslachtoffers kregen een dubbele bon om aan te sterken. Deze mensen kregen dan te maken met opmerkingen als ‘dubbele bonnenvreter’ of ‘we hebben al genoeg van jullie soort hier.’ Indische oorlogsslachtoffers werden op werk ‘bruintje’ genoemd en anti-joodse sentimenten van tijdens de Tweede Wereldoorlog leefden soms voort.[4] In Oost-Europa was het racisme een nog groter probleem. Dit is de plaats waar onbegrip leidde tot de heftigste reacties. De joden kregen namelijk de schuld kregen van wreedheden die door de nazi’s begaan waren. De Oost-Europeanen zagen joden als reden voor de wrede acties van de Nazi’s in hun land. Dit leidde tot gevoelens van haat in de ergste gevallen zelfs tot pogroms op joden.[5] Bekende pogroms zijn die van de partizanen in Joegoslavië en joodse burgers op joodse oorlogsslachtoffers.

De bereidheid om oorlogsslachtoffers te helpen op materieel gebied was daarentegen wel heel groot, voornamelijk in West-Europa. In Nederland bijvoorbeeld werd voor repatrianten uit Nederlands-Indië een hulporganisatie opgezet genaamd Holland Helpt Indië. Deze organisatie regelde tezamen met de overheid kleding, huisvesting en soms zelfs medische zorg tezamen met het Rode Kruis. Verder kregen de repatrianten uit Nederlands-Indië dubbel bonnen voor een half jaar en uitkeringen afhankelijk van hun situatie. Voor de repatrianten die geen huis ter beschikking kregen of waar de familie geen uitweg bood werden contractpensions, hotels waarvan de eigenaar tegen betaling oorlogsslachtoffers huisveste en verzorgde, ter beschikking gesteld. Veel landen in Europa lagen echter nog in puin en hadden te kampen met lastige omstandigheden. Hierdoor kon ook de materiële hulp soms tekort schieten.[6] Zo is het huisvestingsprobleem voor joodse Nederlanders een heel bekend probleem in de Nederlandse terugkeergeschiedenis. De bereidheid tot materiele hulp was er echter wel altijd.

Als men naar de vluchtelingencrisis van vandaag de dag kijkt, weerspiegelt die haast perfect de situatie van destijds. Alhoewel de vluchtelingen weliswaar niet terugkeren naar huis proberen ze hier wel een leven op te bouwen. Hierbij stuiten ze vaak op onbegrip van de Nederlanders. Wie kritisch kijkt naar zichzelf weet ook wel dat de situatie in Syrië voor ons haast onvoorstelbaar is. Vanuit dit onbegrip ontstaan weer discriminerende vooroordelen of jaloerse reacties. In Nederland bijvoorbeeld, zijn er voldoende mensen niet tevreden met de financiële hulp die de vluchtelingen ontvangen. Vaak beseft men niet dat deze financiële hulp in verhouding gewoon past bij de situatie, het is niet veel maar net voldoende om hier te kunnen leven. Ook zijn stereotypen over verkrachting dagelijkse kost in de media. Sommige mensen protesteren zelfs op al dan niet gewelddadige manier tegen asielzoekerscentra. Ook de manier waarop wij de asielzoekers helpen is vooral op fysiek gebied. Organisaties als Vluchtelingenwerk, Amnesty en het Rode Kruis zetten zich in voor kleding en veilige doortochten. Materieel zorgen we dus goed voor de vluchtelingen, psychologisch gezien niet. Zouden we in niet een les moeten trekken uit 1945 en de vluchtelingen beter proberen te begrijpen?

Jerry Verschuren (1996) studeert geschiedenis in Amsterdam. Zijn interesse gaat uit naar de dekolonisatie oorlog van Nederlands-Indië, Holocaust en andere genocides.

____

[1] Hinke Piersma, Mensenheugenis, Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog. Getuigenissen (Amsterdam 2001) p 12-16.

[2] Ben Shepard, The long road home: the aftermath of the second world war (Londen 2010) p 120-129.

[3] Ian Buruma, Biografie van het jaar 1945 (Amsterdam 2013) p 142-149.

[4] Margaret Leidelmeijer, ‘De komst van evacués uit Indië’ in Mensenheugenis, Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog. Getuigenissen (Amsterdam 2001), Hinke Piersma ed. p 212-227.

[5] Ben Shepard, The long road home (Londen 2010) p 120-129

[6] Margaret Leidelmeijer, ‘Over het hemd en de rok’ in Polderschouw, Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog, regionale verschillen, Conny Kristel ed. p 161-179.

Joodse vluchtelingen (1939)
Syrische vluchtelingen in een vluchtelingenkamp (2013)