Getuigenverhaal: Jenny van Wieringen-Van Genderingen

Getuigenverhaal: Jenny van Wieringen-Van Genderingen

Jenny van Genderingen is geboren  op  25 juni 1932 in Utrecht. Ze groeit op in een veilig en financieel bevoorrecht gezin.  Ze geniet van een onbezorgde jeugd tot  haar vader in 1941 ten gevolge van een ongeluk komt te overlijden.

Hoewel Jenny vol Joods is, speelt het geloof geen rol in het gezin. Het voelt voor de 9-jarige Jenny  dan ook als een groot onrecht dat zij in 1942 een ster moet dragen vanwege haar Joodse identiteit, en zelfs van school wordt verwijderd om naar een speciale Joodse school te gaan.

Na de oproep om zich te melden voor transport  naar Westerbork wordt besloten te gaan onderduiken. Samen met moeder komt Jenny terecht in Bussum bij een straatarm gezin, in een piepklein huisje. Jenny’s zus wordt elders ondergebracht.

In de twee jaar en negen maanden die volgen komt Jenny nooit buiten. Ze leest veel, schrijft verhaaltjes en krijgt via het verzet huiswerk en materiaal om te kunnen leren. Jenny wil graag naar het gymnasium, wanneer de oorlog afgelopen zal zijn. Moeder stimuleert Jenny’s ambitie en leert haar Grieks en Latijn. De angst  om ontdekt te worden is echter altijd aanwezig. Bij dreigende razzia’s verstopt Jenny zich met moeder in een kleine kast.

Al bij het bevrijdingsfeest blijkt de impact van de onderduikperiode groot te zijn. Jenny’s beenspieren zijn verzwakt vanwege de weinige bewegingsvrijheid. Ze moet opnieuw leren lopen. Ook hardop praten blijkt erg vermoeiend na een jarenlange periode van fluisteren. De blijdschap is groot als blijkt dat Jenny geen leerachterstand heeft opgelopen, en zij wordt toegelaten tot de tweede klas van  het gymnasium.

Jenny van Wieringen-Van Genderingen is getrouwd, moeder van vier kinderen en grootmoeder. Ze vertelt haar verhaal op scholen ter nagedachtenis aan de zes miljoen Joodse slachtoffers én om het beeld van verzetsstrijders in herinnering te houden. Daarnaast wil ze jongeren waarschuwen voor elke vorm van discriminatie.