6 augustus 2020

Op het moment dat de bom met de naam ‘Fat Man’ door een Amerikaans vliegtuig boven Nagasaki wordt afgeworpen bevinden zich in of bij deze havenstad honderden Nederlandse krijgsgevangen. Ze moeten daar op scheepswerven of in fabrieken werken en zijn ondergebracht in twee kampen, één in de stad zelf (Fukuoka 14), het andere ongeveer tien kilometer verder naar het zuiden (Fukuoka 2).

Sommige gevangenen kijken hun ogen uit in Japan. ‘Ik heb genoten van de exotische winkeltjes met de lampions en vanen, beschreven met sierlijke onleesbare tekens, van de drukte op de vismarkt in de haven en van de mooie woningen op de hellingen van de Kompira berg’, herinnert R. Schäfer zich, die als een van de weinigen af en toe onder bewaking het centrum van Nagaskai in mocht om voorraden op te halen. 

De 9de augustus is een mooie zomerdag. Tegen 11 uur in de ochtend hoort P. Blok in kamp Fukuoka 14 het bekende geluid van een B-29 bommenwerper. ‘Nu was het zo, dat we voor één vliegtuig niet wegliepen’, schrijft hij later, ‘daarom gaf de Jap ook geen alarm.’ Verderop in de stad hoort een tewerkgestelde krijgsgevangene een Japanse bewaker plots ‘hikoki’ roepen, ‘vliegtuig!’ Anderen hebben een parachute met meetapparatuur zien neerdalen, die door de Amerikanen tegelijk met de bom werd afgeworpen. Tijd om te reageren was er echter nauwelijks. 

‘Plotseling werd alles op vreemde wijze verlicht’, vertelt P.Th. van Eck, die zich op dat moment op kilometers afstand in kamp Fukuoka 2 bevindt, ‘toen steeg ineens een kaarsvormige steekvlam honderden meters hoog loodrecht de lucht in.’ Ongeveer twintig seconden later was het geluid van een enorme ontploffing te horen. ‘Wij lieten ons op de grond vallen als bij een bombardement’, schrijft L.L. Rietdijk, ‘en even later kwam de drukgolf over het kamp, waardoor ramen en deuren werden vernield en het pleisterwerk van de houten gebouwen werd beschadigd.’ Niet veel later zien de krijgsgevangenen vanuit Fukuoka 2 een paddenstoelvormige wolk boven Nagasaki verschijnen.

De gevangenen die zich op het moment van de ontploffing in de stad bevinden weten niet wat hen overkomt. R. Scholte, die in een heuvel een schuiltunnel aan het graven is, staat juist bij de ingang als hij een lichtflits ziet: ‘Ik werd zes meter de tunnel in geslingerd, waarschijnlijk door de luchtdruk die de bom veroorzaakte.’ Schäfer duikt net op tijd in een greppel en hoort ‘een donderslag die tienvoudig in de grond scheen na te dreunen’. ‘De explosie heb ik amper gehoord’, zegt daarentegen E. Schouten, ‘ik voelde een enorme hitte langs mijn lichaam strijken en smakte toen tegen de grond’.

D. Büchel van Steenbergen raakt bedolven onder een instortende fabriek, maar weet met slechts enkele schrammen onder het puin vandaan te komen. Diegenen die op straat zijn blootgesteld aan de hete gloed van de bom lopen grote brandwonden op. Eén van hen is J. Krol, die nadat hij weer is opgekrabbelt overal om zich heen geluiden van pijn en schrik hoort. Door de lichtflits zijn ogen tijdelijk verblindt, kleren aan flarden gescheurd, en delen van de huid die aan de verzengende hitte zijn blootgesteld roodverbrand en met blaren bedekt.

‘Om mij heen kijkend, zag ik dat alles plat lag, in die zin, de stalen skeletten van fabrieksloodsen en schoorstenen stonden overeind’, beschrijft Blok, ‘alles wat dakbedekking, wanden en deuren waren, was weggeblazen en ingedrukt.’ E.F.A. Vorstman ontdekt dat het kamp vrijwel helemaal tegen de grond is gegaan. ‘Ook onze sterke houten kampschutting, die heel ons kamp altijd stevig heeft afgesloten, had het begeven,’ vertelt hij, ‘zo lag ons kamp geheel open.’ Omdat Nagasaki voor een groot deel uit houten gebouwen bestaat ontstaat al snel een enorm vuurzee. ‘Toen ik me oprichtte zag ik dat rondom mij de wereld in brand stond’, herinnert Schouten zich. De lucht boven de stad is verduisterd door een enorme roet- en stofwolk. 

De overlevenden vluchten naar de veilig geachte heuvels rondom de verwoeste en brandende stad. Onderweg ziet Vorstman verbrande lijken op straat liggen, uit sommige ingestorte huizen klinkt wanhopig geschreeuw om hulp. ‘Ik hoorde ze huilen en ze liepen als kippen zonder kop struikelend en vallend door en over de puinhopen’, schrijft Schäfer over de Japanse inwoners die het overleefd hebben. ‘Op dat moment voelde ik helemaal geen vijandschap meer’, ervaart Scholte als hij de ellende van de bevolking ziet. Ook in de heuvels is het niet geheel veilig. De groep waar Schouten deel van uitmaakt moet telkens verplaatsen, ‘omdat de wind dan weer hier en dan weer daar de hitte en de verbrandingsresten van de vuurzee onder ons naar ons toe blies’.

Onder de inwoners van Nagasaki vallen tienduizenden slachtoffers. Negen Nederlanders komen als gevolg van de explosie om het leven. Dat het er niet meer zijn komt omdat de krijgsgevangenen in de stad zich op anderhalve à twee kilometer bevinden van de plek waar de bom is ontploft. Op dezelfde dag dat Nagasaki wordt verwoest start de Sovjet-Unie een groot offensief tegen de Japanse strijdkrachten in Mantsjoerije (Noordoost-China). De Japanse leiders komen tot de conclusie dat het zinloos is om de oorlog voort te zetten. Op 15 augustus 1945, om 12 uur 's middags, kondigt keizer Hirohito via de radio de onvoorwaardelijke overgave aan.​

Geschreven door: Jeroen Kemperman (NIOD)

Bronnen:

J. Stellingwerff, Fat man in Nagasaki; Nederlandse krijgsgevangenen overleefden de atoombom, Franeker 1980.

René Schäfer, Terug naar Fukuoka 14; Krijgsgevangene in Nagasaki, Amsterdam 1985.

Marjon Bolwijn, ‘In Nagasaki toen de bom viel, en nu nog in leven’, de Volkskrant (website), 6 augustus 2015.

Archief NIOD, collectie 400, Indische Collectie, inv. nrs. 3866 (Jansen, A.J.J., korporaal marine), 4097 (verslag van J.W. Maka [J.W. Makatipu], ‘The bombing of Nagasaki on August 9th, 1945’) en 8261 t/m 8266 (documentatie van J. Stellingwerff, egodocumenten van krijgsgevangenen).

Archief NIOD, collectie 401, Nederlands-Indische dagboeken en egodocumenten, inv. nr. 29 (Eck, P.Th. van).

Afbeelding: Wikipedia Commons