17 juli 2018

Amsterdam-Noord, zaterdag 17 juli 1943. Een luchtalarm wordt gevolgd door het zwaarste bombardement dat Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog te verduren heeft, wanneer geallieerde bommenwerpers 156 brisantbommen op het stadsdeel laten vallen. Doel is de voor de Duitse oorlogsindustrie ingeschakelde Fokkerfabriek. Dankzij de relatief onervaren Amerikaanse bemanningen komen de bommen echter terecht in woonwijken in de Vogelbuurt en de Van der Pekbuurt.

De gecamoufleerde fabrieken van Fokker in 1941. Bron: Beeldbank WO2 - NIOD, nummer 70335

Met honderden andere kinderen viert de dan dertienjarige Hendrik Johannes Duijm in de Sint Ritakerk het vijfentwintigjarig bestaan van de parochie: ‘Er zijn nieuwe luidsprekers aangebracht en onlangs is er een nieuw orgel ingebouwd. De kerk is prachtig versierd,’ schrijft de jonge Noorderling in zijn dagboek. Maar iets voor negenen klinkt er die ochtend een harde knal. ‘De kerk dreunt, de grond siddert, we horen bommen gieren en inslaan. De kinderen worden angstig en beginnen te huilen. Dan zie ik ineens het achterste gedeelte van de kerk uiteensplijten: stukken muur vallen om en de kerk wordt plotsklaps donker.’ In de ontstane chaos, te midden van kinderen die om hun moeder roepen, weet Hendrik toch naar buiten te komen: ‘Eensklaps door het stof heen zie ik een brede streep licht: daar is een uitgang. Ik strompel naar buiten en knipper met mijn ogen tegen het felle zonlicht. Buiten maant de pastoor mij naar huis te gaan.’

Tekst gaat onder de foto verder

Het interieur van de Sint Ritakerk na het bombardement. Bron: Beeldbank WO2 - NIOD, nummer 69189

Er vallen die ochtend honderden doden en gewonden. Huizen worden vernield en weggevaagd, zoals de gezinswoning van de familie Duijm in de Van de Pekbuurt. Ook Maria Duijm, de drie jaar oudere zus van Hendrik, houdt een dagboek bij. Daarin geeft ze een nauwgezet ooggetuigenverslag. Op het moment van het bombardement is ze met haar moeder en haar kleine broertje Piet thuis. ‘Ik zei tegen Moeder, ik zou me maar aankleden als ik u was want het begint te spannen. Moeder kleedde zich vlug aan, toen we iets hoorden suizen, en meteen daarop een harde klap. Een bom, begrepen we. Ik greep naar mijn jasje op de kapstok en had haast beet toen ik weer een bom hoorde suizen, alweer gevolgd door een harde klap. We stonden net alle drie bij elkaar op de gang. We grepen elkaar tegelijk vast, meteen was het alsof we opgetild werden.’ In zijn dagboek vervolgt broer Hendrik: ‘Dan stortte het hele huis in en tuimelden ze met hun drieën onder de trap welke naar boven leidde. Balken, stenen en hout vielen bovenop hen, het lawaai was ontzettend maar eensklaps werd het stil; alleen de vliegtuigen hoorden ze in de verte nog nabrommen.’ ‘Moeder lag op haar rug,’ aldus Maria. ‘Haar benen hingen in een gat en boven haar hoofd lag een groot stuk steen, de schoorsteen.’

Ondertussen weet Hendrik erin te slagen zijn vader op te halen van zijn werk op de Lindengracht. ‘We komen op de pont en ik vind dat deze langzamer vaart dan anders, maar dat zal wel verbeelding zijn.’ Ze komen aan de overkant van het IJ. Ook in de Van de Pekstraat blijken bommen te zijn gevallen. ‘Vader, die tot nu toe erg kalm gebleven is, kan zich niet meer bedwingen, maar rent op de puinhoop toe en zou er opspringen als niet enige mannen hem tegenhouden.’ Maria en de kleine Piet komen aangerend. Iemand van de luchtbeschermingsdienst, die de moeder en kinderen hoorde schreeuwen, heeft ze met behulp van een breekijzer van de ingestorte trap bevrijd. ‘Marie vertelt dat Moeder nog onder het puin ligt, maar gelukkig, ook zij leeft.’ De moeder en jongste zoon moeten echter worden opgenomen in een ziekenhuis.

Tekst gaat onder de foto verder

Schade na het bombardement. Bron: Beeldbank WO2 - NIOD - J. Schaft, nummer 69123

Ruim een week later wordt Amsterdam-Noord opnieuw gebombardeerd en drie dagen later nogmaals, door respectievelijk de Engelsen en de Fransen. Tijdens de bombardementen, waarbij ook het Floradorp en de Bloemenbuurt worden getroffen, komen ruim 200 mensen, onder wie 45 kinderen, om.

Koren op de molen voor de Deutsche Zeitung in den Niederlanden, die op 19 juli 1943 onder de kop Amsterdamer Wohnviertel bombardiert het bombardement aangrijpt om de geallieerde piloten te ridiculiseren: ‘Wenn Kriegsflieger von einer so grossen Höhe ihre Bomben abwerfen, dass Zielen praktisch unmöglich ist, dan kann man sicher annehmen, dass für diese Flieger das Leben von Frauen und Kindern und von allen Niederländern, die nichts mit ihrem Krieg zu tun haben, keinen Wert hat und auch nicht gewürdigt wird.’  

Bronnen:

NIOD, archief 244 (Dagboeken en egodocumenten), inventarisnummer 1807 (Maria Duijm)
NIOD, archief 244 (Dagboeken en egodocumenten), inventarisnummer 1808 (Hendrik Johannes Duijm)
Deutsche Zeitung in den Niederlanden, 19 juli 1943

Tekst: Michiel Wilmink