21 juni 2016

Het is precies 75 jaar geleden dat Duitsland de aanval opent op de Sovjet-Unie: Operatie Barbarossa. Een nieuw front in Oost-Europa is een feit. Hoewel er heel wat kilometers van het bezette Nederland wordt gevochten, zijn de gevolgen hier ook merkbaar. Komende dagen lichten we aan de hand van diverse NIOD-bronnen de gevolgen toe. Vandaag bespreken we de reacties in de dagboeken van Nederlanders en bespreken we de inzet van Nederlandse SS-er aan het oostfront.

Wehrmacht-soldaten steken water over na aanval op Sovjet-Unie. (Foto: BeeldbankWo2/NIOD)

 ‘Een historische dag,’ schrijft J.R. Voûte, een jonge advocaat die in Zandvoort woont, in zijn dagboek. ‘Felle zon, geen wind – we gaan tennissen en zwemmen en hooren het gerucht – Duitschland is vanmorgen te 3.05 uur Rusland binnen getrokken. Allen waren diep onder de indruk, het kan niet anders of dit moet het einde van de Duitsche terreur versnellen!’

‘Groot nieuws. Vannacht om 3 uur is Duitschland Rusland binnengevallen,’ schrijft de in Amsterdam-Zuid woonachtige mevrouw De Bruijn-Barends. ‘Ze hadden een non-agressiepact. Nu, daar hebben ze net zo min als wij veel voor gekocht! Het geeft een heele keer in de oorlog en we verheugen ons ontzettend. Ruslands leger kan het sterke Duitschland niet bolwerken. Maar ze kunnen steeds kalm aan achteruit trekken in hun onmetelijke land en ze zoo bezig houden dat ze hier in het Westen niet veel kwaad kunnen doen. We wachten de toekomst nu met vertrouwen af.’

Drikus van Eck, een anti-Duits gezinde landbouwer in Bennekom, schrijft: ‘De meeste menschen hoopen dat Duitschland en Rusland elkaar vernietigen, want als Rusland zou winnen, en de Russen zouden misschien macht krijgen, was de ellende niet te overzien. Van Rusland hebben we altijd veel meer verkeerds gehoord dan van Duitsland.’ Dan trekt de boer in zijn dagboek een vergelijking met Napoleon: ‘Er wordt gemompeld dat Hitler ook Hollandse jongens in dienst zal nemen. We zouden dan hetzelfde krijgen als vroeger met Napoleon, die ook Hollanders meenam naar Rusland!’

Nederlandse SS-ers trekken naar het oostfront

Een Nederlandse oorlogsvrijwilliger, lid van de Standarte ‘Westland’ van de Waffen-SS, heeft een wapenopleiding in München achter de rug. Vier dagen voor de inval in Rusland noteert hij: ‘We vertrekken in richting Polen. Waar zou het naar toe gaan? Tegen wie komen we te staan? Wat doet Rusland? enz. enz., zijn de gesprekken van de dag. De stemming is uitstekend, allen zijn blij, dat er aan het wachten een eind gekomen is.’

Op zondag 22 juni, de dag dat de Operatie Barbarossa plaatsvindt, schrijft de dan in Polen verblijvende Nederlandsche SS’er lyrisch: ‘’s Nachts drie uur. Plotseling worden we gewekt door motorengeronk. Allen springen op, loopen uit de tenten en kijken naar boven, waar vliegtuigen ons ons heen hun weg naar het oosten zoeken. Een ongekend gevoel maakt zich van ons meester. Nooit heb ik vliegtuigmotoren zoo mooi hooren grommen. Van ontroering is het ons onmogelijk om wat te zeggen.’

In een uniform van de Waffen-SS vechten ongeveer 23000 Nederlandse vrijwilligers mee. Van hen sneuvelen er ongeveer 7000. Na in januari 1942 te zijn overgebracht naar het front bij Leningrad, beschrijft één van hen zijn gevoelens aan de vooravond van het vertrek naar het slagveld. ’Wanneer we aan het front komen, moet ik ermede rekening houden dat ik mensen zal moeten doden. Dat wist ik echter voordat ik tekende bij het Vrijwilligerslegioen óók! Toen heb ik mij daar overheen gezet: de strijd tegen het Bolsjewisme vond ik belangrijker. Mijn gevoelens kan ik echter niet onderdrukken. Wanneer ik dat zou moeten doen, zou ik mij dat ontzettend aantrekken. Ik ben nu eenmaal geen krijgsman.’ Maar na verloop van tijd, blijkt uit het dagboek, wordt de schrijver harder in zijn doen en laten. Zo gaat het vaak: bij de meeste vrijwilligers treedt een zekere gewenning op aan de oorlog en de verschrikkingen van de strijd in het oosten.

Bron: Naar eer en geweten. Gewone Nederlanders in een ongewone tijd 1940-1945. (Gerie de Jong, René Kok en Erik Somers, Waanders Uitgevers, Zwolle, 2001)