2 september 2019

(dagboek- en brieffragmenten uit 1939)

In augustus 1939 sluiten Duitsland en de Sovjet-Unie het Molotov-Ribbentroppact, een niet-aanvalsverdrag. In een geheime clausule verdelen beide landen Polen. Met veel machtsvertoon valt Hitler op vrijdag 1 september het land binnen. Groot-Brittannië en Frankrijk verklaren daarop Duitsland de oorlog. ‘Er heerscht een zekere gespannenheid onder ’t publiek,’ schrijft Rotterdammer Jan van den Berg op donderdag 31 augustus 1939, dus een dag voor de Duitse inval in Polen, eufemistisch in zijn dagboek.

‘De Duitse nazi’s kraaiden victorie en huichelden een welwillende neutraliteit tegenover de Sowjet-Unie,’ schrijft de Nederlandse politicus Paul de Groot, lange tijd partijleider van de Communistische Partij van Nederland (CPN), in 1967. ‘De Engelse en Franse imperialisten en hun Nederlandse vertrouwenslieden beschuldigden de Sowjet-Unie ervan Hitler de kans te hebben gegeven de oorlog te beginnen. De Sowjet-regering en de leiding van de Communistische Internationale, op hun beurt, veranderden hun propapanda. Wij kwamen in een wervelstorm van de meest tegenstrijdige berichten en propagandastunts terecht, die alles overtrof wat in vroeger tijden op dit gebied was gepresteerd.’


Duitse troepen trekken Polen binnen. Bron: Beeldbank WO2 - NIOD.

Op 26 augustus, twee dagen voor de algemene mobilisatie van het Nederlandse leger, schrijft Engbert de Vries, kanonnier bij de luchtdoelartillerie in de Hojelkazerne in Utrecht, in een brief met ‘mijn vrouwtje in Oosterwolde’ als aanhef: ‘Uit de krant weet je, dat ’t nu heel gauw met Danzig gebeurd zal zijn. Dat wordt dus d’rop of d’r onder. Gisteravond moest ik op wacht, nu bij de telefoon en we mochten geen minuut slapen. Vanaf 7 uur gisteravond tot 7 uur vanmorgen hebben een Zeelander en ik toen, afgewisseld met hele sterke koffie en sterke verhalen de nacht doorgebracht zonder één oog te hebben dichtgedaan.’

Mobilisatietijd 1940. De jeugd toont belangstelling voor een verdekt mitrailleursnest. Bron: Beeldbank WO2-NIOD

Enkele dagen later is het zover. Zwollenaar W.R. Feenstra is ongeveer 28 jaar oud, getrouwd en vader van twee kleine kinderen. Als ambtenaar bij de belastingen studeert hij nog in de avonduren, zij het met niet al te veel animo. Ook op vrijdag 1 september 1939 dreigt de zelfstudie erbij in te schieten: ‘Ik heb een vrije dag, om te studeeren, maar vrees dat daar niet veel van zal komen,’ schrijft hij. ‘Mijn hoofd zit vol andere dingen. Om zeven uur ben ik in pijama beneden. De Duitsche zender heeft marschmuziek. 7.20 berichten en ik zit alweer in mijn stoel bij de radio. Een proclamatie van de Führer aan de Weermacht, hierop neerkomende, van nu af geweld tegen geweld. Oorlog! Ik heb het groote woord al uitgesproken als Gé binnenkomt.’

Volgens Jan van den Berg (geboren 1878), vader van een gezin met acht kinderen uit Overschie, is ‘deze datum weer een donkere dag in de geschiedenis der volkeren. De vijandelijkheden tussen D. en P. hebben een aanvang genomen en wie zal zeggen wat de gevolgen zullen zijn voor ons land en voor Europa. Zal deze strijd lang of kort duren? Voor allen nog een duistere vraag.’

‘Heden, Zondag 3 September is de Engelsche en Fransche oorlogsverklaring aan Duitschland afgekondigd. Wij beleven dus het ontzettende feit, dat een wereldkrijg aanvangt om een kwestie, die in feite geen kwestie meer is,’ aldus een jonge NSB’er die landmeter-assistent van beroep is, twee dagen later. ‘In wezen liggen de oorzaken veel dieper, zij zijn tenslotte samen te vatten in de eene vraag: ‘wie het Europeesche continent te beheerschen’, een vraag, die doorkruist wordt door een toomelozen haat in Engelsche kringen tegen het Nationaal-Socialisme. Wij hopen op een overwinning van Duitschland al is voor ons volk een strenge handhaving der neutraliteit gebiedende eisch. Maar tevens hopen wij, dat alsnog allerwege bezinning kome, al gebiedt ons de werkelijkheid van het heden het ergste te vreezen.’


Een Poolse slagboom aan de grens wordt door grijnzende Duitse soldaten voor de camera van een PK-Berichter symbolisch in stukken gehakt. Bron: Beeldbank WO2 - NIOD.

Volgens dagboekschrijver H. van A. ‘gelooven zij thans allen: de oorlog is de schuld van één man! Hitler is an allem Schuld! Alle na-oorlogse problemen zijn vergeten, de strijd van het volk om zijn recht, niemand spreekt er meer over, de genialiteit van deze boven alles uitstekende figuur Hitler, alles wat hij heeft geschreven, gewild, gedaan heeft, het is alles heel simplistisch weggevaagd in één enorm, verdoovend haatcomplex: deze eene man is schuld aan de catastrofe.’

‘Wat hebben we steeds mooi weer hè?’ schrijft Albert Heeringa die zondag 3 september zijn ouders in Driebergen. ‘Elke dag weer en het is hier anders toch zoo mooi en vredig. Men kan zich niet voorstellen hoe het mogelijk is, dat ze in andere landen alles gaan vernielen en duizenden ongelukkig maken. Het is hier zoo rustig en stil, we hooren nog minder dan normaal. Omdat er de laatste dagen zo goed als geen treinen rijden en ook geen vliegmachines meer voorbijgaan.’

Maar enkele dagen later bemerkt mevrouw Tims-Brouwer, die met haar familie in Scheveningen woont, juist ‘De gehelen avond vreemde vliegtuigen boven ‘t land.’ Ze beschrijft de voorgenomen voorzorgsmaatregelen bij haar thuis: ‘Nog geen oorlog, waarschijnlijk blijven we er buiten, maar overal wordt alles in orde gemaakt voor eventueel oorlogsgevaar. De schilder komt nu om de kelder lichtgeel te verven, en als dan komt er een cocosmat in en herdopen we de kelder in schuilkelder. Als huisvrouw voel ik dat het vertrekje gezellig moet zijn want als de omstandigheden ons dwingen daar te zitten, dan hebben we kalm te zijn en ons goed te schikken.’
 

Michiel Wilmink.

Bronnen:

  • De Dertiger Jaren 1936-1939 (Paul de Groot, uitgeverij Pegasus, Amsterdam 1967)
  • Dagboekencollectie 244, inventarisnummers 616 (dagboek W.R. Feenstra), 834 (dagboek V.,M.), 1066 (dagboek H., A. van), 1128 (dagboek M.J.S. Tims-Brouwer) en 1252 (dagboek Jan van den Berg)
  • Collectie Correspondentie, inventarisnummers 787 (brieven Engbert de Vries) en 580-583 (Correspondentie van de familie Heeringa, 1939-1945)