2 mei 2016

De dagbladen van donderdag 29 april 1943 bevatten een angstaanjagende mededeling. Alle Nederlandse oud-militairen, bijna 300.000 man, dienen zich vrijwillig aan te melden voor krijgsgevangenschap. In Nazi-Duitsland zullen de mannen worden ingezet in de oorlogsindustrie. De oproep van Friedrich Christiansen, opperbevelhebber van de Wehrmacht, slaat in als een bom. Vandaag beschrijft NIOD-informatiespecialist Michiel Wilmink dagboekfragmenten over staking in Machinefabriek Stork.

Rijkscommissaris Seyss-Inquart bezoekt drie weken na de staking de machinefabriek Stork.

De dagbladen van donderdag 29 april 1943 bevatten een angstaanjagende mededeling. Alle Nederlandse oud-militairen, bijna 300.000 man, dienen zich vrijwillig aan te melden voor krijgsgevangenschap. In Nazi-Duitsland zullen de mannen worden ingezet in de oorlogsindustrie. De oproep van Friedrich Christiansen, opperbevelhebber van de Wehrmacht, slaat in als een bom. Vandaag beschrijft NIOD-informatiespecialist Michiel Wilmink dagboekfragmenten over staking in Machinefabriek Stork.

Bij de Machinefabriek Stork in Hengelo, bekend als een heel sociale werkgever, wordt de aanzet tot protest gegeven, ingegeven door oprechte woede en verontwaardiging over het Duitse optreden.

‘Na drie jaar bezetting was dit het moment om ons te verzetten. De fabriek stroomde in goed een half uur leeg. Mensen die ons opbelden vroegen mij: “Staakt u mee?” En ik heb achter elkaar andere bedrijven gebeld. Zo is het gaan rollen.’ Zo herinnert Femy Efftink, telefoniste bij de Machinefabriek Stork, zich de aanvang van de April-meistakingen.

Binnen twee uur is de staking in heel Hengelo een feit, mede dus dankzij het rondbellen van bovengenoemde telefoniste. An Leusink, indertijd stenotypiste, herinnert zich: ‘We trokken onze jassen aan en liepen naar buiten. Al die stakende mensen bij elkaar was heel indrukwekkend. Iedereen liep rustig naar huis.’

Dan volgt de rest van Twente. Vanuit een algemeen gevoel van verontwaardiging, gevoed door lichte euforie, sluit men zich bij de staking aan. Vaak gebeurt dat lichtzinnig en zonder besef van de mogelijke gevolgen. ‘Niemand van ons realiseerde zich dat de Duitsers wel eens vervelende maatregelen zouden kunnen nemen,’ herinnert de vroegere stenotypiste zich. (…) ‘Het was die dagen erna angstig stil op straat.’

Duitse terreur

Natuurlijk missen de Duitse terreur en intimidatie hun uitwerking niet. Op zaterdag 1 mei schrijft F.G. Moquette, een zestienjarige gymnasiumscholier in Hengelo, in zijn dagboek: ‘Even later hoorden we dat Joop Timmers, een jongen die achter ons woont op de Enschedesestraat, in zijn hersens geschoten was. Enige tijd later kwamen zijn zusje en verloofde, even later gevolgd door zijn Moeder en Vader, thuis stevig huilende, waarna de gordijnen in de benedenkamer gesloten werden. Dus was hij gestorven!!’

Zondag is op veel plaatsen een dag van overdenking en overleg. Maandag 3 mei blijken de April-meistakingen al gebroken. Drie weken later bezoekt rijkscommissaris Seyss-Inquart de Machinefabriek Stork. Met een redevoering die maar liefst anderhalf uur duurt probeert hij, staande op een grote machine, het personeel te overtuigen van de zinloosheid van de actie en de schadelijke gevolgen ervan voor Nederland. Maar op bijval of begrip hoeft de Oostenrijker niet te rekenen. De meeste toehoorders proberen ongemerkt de hal te verlaten.

Bronnen: 

  • Naar Eer en Geweten, Gewone Nederlanders in een ongewone tijd, 1940-1945 Gerie de Jong, René Kok en Erik Somers (Waanders Uitgevers Zwolle, 2001)
  • Dagboekfragmenten 1940-1945 (Martinus Nijhoff Den Haag, 1954)
  • www.verzetsmuseum.org