30 april 2020

Ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan van het NIOD op 8  mei 2020 verscheen het boek Oorlog in onderzoek - 75 jaar NIOD. In dit boek staan (oud-)medewerkers stil bij de betekenis van het werk van het NIOD.

Oorlog in onderzoek kwam tot stand onder redactie van NIOD-medewerkers Marjo Bakker, Eveline Buchheim, Jeroen Kemperman, Peter Keppy, Hinke Piersma en Erik Somers. De slotbeschouwing Een instituut met toekomst van NIOD-directeur Frank van Vree is hier te lezen.

Een instituut met toekomst

Het NIOD als nationaal en internationaal expertisecentrum voor oorlog, massaal geweld en genocide

Frank van Vree

Eerst werd je aan een indringend gesprek onderworpen om vast te stellen of je wel een serieuze onderzoeker was. Maar daarna kon je vrijelijk je gang gaan: zelf archiefstukken opzoeken, koffie en asbak binnen handbereik, een bureau in een van de RIOD-panden, voortdurend onderbroken door medewerkers die een dankbare luisteraar meenden te hebben gevonden.

Zo herinner ik mij mijn eerste bezoeken aan het instituut, bijna veertig jaar geleden, een sfeer die niet ver afstond van Het Bureau van Voskuil. Soms zag je, in de verte, Loe de Jong, werkend aan de geruchtmakende drie delen over Nederlands-Indië. Het einde van ‘Het Werk’ kwam zo langzaamaan in zicht, en daarmee ook, wat De Jong betreft, het einde van het instituut. Na voltooiing van de reeks was opheffing onvermijdelijk en zelfs wenselijk, zo had hij al begin jaren zeventig met de hem kenmerkende stelligheid verklaard. Het had niet veel gescheeld of dat was ook gebeurd, ware het niet dat de toenmalige minister van Onderwijs, Arie Pais, in 1978 besloot het instituut in stand te houden omdat het voorzag in een duidelijke maatschappelijke behoefte.

Het NIOD anno 2020

In de verte lijkt het NIOD van nu misschien nog een beetje op het RIOD van De Jong, maar in  werkelijkheid is er enorm veel veranderd: de samenstelling van de staf en de inbedding in het Nederlandse kennis- en collectielandschap, en in nog grotere mate het onderzoek, dat in alle opzichten is verbreed, terwijl de publieksfunctie van het instituut niet kleiner maar groter is geworden.

Hoe het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies zichzelf vandaag de dag ziet, is terug te vinden in het profiel dat is opgesteld in het kader van recente evaluaties en strategische plannen. Het NIOD presenteert zich in deze stukken als ‘een nationaal en internationaal expertisecentrum voor interdisciplinair onderzoek naar het verloop en karakter van oorlogen, genocide en andere vormen van massaal geweld’, in het bijzonder ‘conflicten waar Nederland of, breder, Europa bij betrokken is geweest, waaronder de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust, met inbegrip van hun maatschappelijke uitwerking op langere termijn.’ De archieven en collecties van het NIOD zijn dienstbaar aan zowel onderzoek als het algemene publiek.

In 2019 hebben we geprobeerd de verschillende onderzoeksprojecten en -programma’s van het NIOD in een soort ‘mind map’ te vatten. Dat kostte aanvankelijk enige moeite, vanwege de diversiteit van de projecten, maar bracht toch enkele duidelijke patronen aan het licht. Dit zijn grotere thema’s die zowel de afzonderlijke projecten en programma’s als de overkoepelende onderzoekslijnen (Oorlog en Samenleving en Holocaust- en Genocidestudies) doorsnijden. Daarbij gaat het om onderwerpen als migratie en geweld, rechtsherstel en restitutie, daders, oorlog en egodocumenten, nationale en internationale tribunalen, geschiedenis en herinnering, geweld en kolonialisme. Daarnaast beweegt het onderzoek zich overwegend binnen de periode die zich uitstrekt van de Eerste Wereldoorlog tot nu, met de jaren 1939-1950 als zwaartepunt, en geografisch gezien hoofdzakelijk in Europa, Azië en Afrika, met Nederland en Indonesië als zwaartepunten.

Een breed werkterrein

Het onderzoeksprogramma van het NIOD is dus in alle opzichten breed, maar kent tegelijk een aantal duidelijke verbindende thema’s en zwaartepunten, die ook terugkomen in de collecties. Ze zijn deels historisch gevormd en bepalen in belangrijke mate zowel het gezicht als de reputatie van het NIOD, misschien zelfs zijn bestaansrecht. Als het gaat om de maatschappelijke rol van het NIOD en zijn medewerkers dan is deze in de eerste plaats te herleiden tot de functie van expertisecentrum voor de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan.

Het is niet waarschijnlijk dat de belangstelling voor deze periode binnen enkele decennia veel kleiner zal worden. De verhalen over deze gebeurtenissen hebben voor heel veel mensen een belangrijke betekenis, ook in emotionele zin, en worden van generatie op generatie doorgegeven en gebruikt als bouwstenen in processen van identiteitsvorming. Anders gezegd: de overgedragen ‘sociale herinneringen’ zullen nog lange tijd een vruchtbare bodem vormen voor een levendige belangstelling voor de periode 1939-1950, die daarmee tegelijk kan fungeren als bron van politisering en moralisering.

Het ligt dan ook voor de hand dat het NIOD ook de komende decennia de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog en de dekolonisatie in Nederland, Europa en Azië als vertrekpunt blijft zien en ervoor zorgt dat het – zowel in het onderzoek als in de collecties – voldoende capaciteit en kennis in huis heeft om een rol als onbetwist expertisecentrum te blijven spelen. Dit kan alleen maar als zowel het onderzoek als het collectiebeheer voldoet aan de hoogste standaard, het instituut een dynamisch karakter behoudt en op adequate wijze is ingebed in internationale en nationale netwerken. Zo niet, dan zal het instituut geleidelijk aan betekenis verliezen en eindigen als een centrum met een hoog antiquarisch gehalte.

Deze vereisten maken duidelijk dat de sluimerende, maar af en toe ook openlijk geventileerde gedachte dat het NIOD zich minder zou moeten richten op de periode 1939-1950, op een valse tegenstelling berust. Zelfs indien het instituut zich voornamelijk op deze historische periode zou richten, zal dat moeten gebeuren vanuit een breed comparatief, interdisciplinair en postkoloniaal perspectief, waarmee zich ook nieuwe thema’s en methodes aandienen. Kortom: geen toekomst zonder verbreding.

Tegelijk is deze brede oriëntatie, die al in 1997 werd ingezet en een belangrijke impuls kreeg met de oprichting van het Centrum voor Holocaust- en Genocidestudies in 2002, ook om andere redenen geboden. Ten eerste zijn Nederland en Europa, direct en indirect, sinds 1950 bij veel meer oorlogen en andere vormen van massaal geweld betrokken geweest, van Korea tot de mede door Nederland gevoerde, nog altijd woedende strijd in het Midden-Oosten. Het ligt volstrekt in de lijn van de historische missie van het NIOD om zich daarmee bezig te houden. Tegelijk is op dit punt nog veel te winnen, om zowel wetenschappelijk als maatschappelijk en zowel nationaal als internationaal voldoende gewicht in de schaal te kunnen leggen, met als doel de wereld van vandaag te begrijpen, en inzicht te krijgen in zowel de processen die hebben geleid tot deze oorlogen, genocides en andere vormen van massaal geweld, als in het verloop en de gevolgen daarvan.

Focus en kaders

Verbreding van het werkterrein van het NIOD en tegelijk een vernieuwende oriëntatie op de periode 1939-1950 roept ook nieuwe vragen op. Het domein ‘oorlog, massaal geweld en genocide’ is immers dermate breed, dat versplintering en uitwaaiering op de loer liggen, het instituut zijn ‘gezicht’ dreigt te verliezen en op geen enkel terrein voldoende gewicht in de schaal kan leggen. Dit gevaar is net zo reëel als dat van een eenzijdige oriëntatie op Nederland in de periode 1940-1945, inclusief de nasleep daarvan, al dan niet gevoed vanuit een blijvende maatschappelijke vraag. Wat nodig is, kortom, is een zeer zorgvuldige bepaling van onderzoekslijnen, collectiebeleid en thematische infrastructuren, prioritering van projecten en een bijpassend personeelsbeleid.

Het concept ‘expertisecentrum’ kan daarbij als leidraad fungeren. De term impliceert dat het gaat om een centrum, (1) waarin fundamentele kennis (‘deep knowledge’) op specifieke domeinen is geïnstitutionaliseerd; (2) dat voortdurend gericht is op vernieuwing van de aanwezige kennis en kunde; (3) dat zich actief richt op de buitenwereld, zowel met het oog op kennisverwerving als disseminatie, zowel onder collega-onderzoekers als professionals en andere specifieke publieksgroepen; (4) dat organisatorisch zodanig is ingericht dat het deze verschillende functies kan vervullen. Uit het voorgaande kan worden afgeleid dat een expertisecentrum bij uitstek geschikt is om te fungeren als knooppunt in nationale en internationale netwerken, vooral in relatie met bijvoorbeeld universiteiten, waar specifieke kennisdomeinen vaak drijven op tijdelijke projecten of de ‘toevallige’ aanwezigheid van bepaalde onderzoekers.

Rest de vraag welke inhoudelijke focus in de toekomst nodig is om die ambitie verder vorm te geven en om te voorkomen dat deze brede agenda – oorlog, massaal geweld en genocide – oplost in projecten en specialisaties. Daarvoor is goeddoordacht beleid nodig, vanuit de wetenschap dat op die vraag geen definitief antwoord te geven is en voortdurende bijstelling nodig zal zijn.

Niettemin hebben zich inmiddels enkele duidelijke kaders en uitgangspunten afgetekend. Afgezien van een globale afbakening in tijd (twintigste en eenentwintigste eeuw) en naar plaats (Europa en de (post)koloniale wereld, met name Azië en Afrika) volgt het onderzoek vergelijkende en interdisciplinaire benaderingen, met als kern historische en sociaalwetenschappelijke studies, en wordt gebruikgemaakt van een variëteit aan onderzoeksmethoden. Daarnaast blijven de eerdergenoemde thema’s die de projecten doorsnijden bestaan, zoals migratie en geweld, daders, rechtsherstel en restitutie, oorlog en egodocumenten, nationale en internationale tribunalen, geschiedenis en herinnering, geweld en (post)kolonialisme.

Als we de verschillende kaders en uitgangspunten bij elkaar optellen, dan is het geen grote stap ons de contouren voor te stellen van het NIOD als nationaal en internationaal expertisecentrum voor oorlog, massaal geweld en genocide. We zien de kennisdomeinen die geborgd moeten worden; de diversiteit in achtergrond, methoden en oriëntatie; het belang van een brede, comparatieve benadering; de nauwe verbinding van wetenschappelijke kwaliteit en maatschappelijk engagement; en de nationale en internationale knooppuntfunctie.

Het is zonneklaar dat een instituut als het NIOD een toekomst heeft. Niet alleen omdat de Tweede Wereldoorlog en de koloniale oorlogen geen afgesloten geschiedenissen zijn, maar vooral omdat grondige kennis van latere – en huidige – oorlogen, massaal geweld en genocide onmisbaar is om onze eigen wereld te begrijpen.

Oorlog in onderzoek is o.a. te koop bij uitgeverij Boom.