20 maart 2014

Zeventig jaar na de bevrijding staat de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog onverminderd sterk in de belangstelling. Nederland telt maar liefst 83 musea waarin de Tweede Wereldoorlog centraal staat, en de teller lijkt niet stil te staan. Ook de bezoekersaantallen groeien. Dit blijkt uit het onderzoek van NIOD-historicus Erik Somers, waarop hij op woensdag 2 april promoveert aan de Universiteit van Amsterdam.

Opmerkelijk is dat - naast de bekende musea zoals het Anne Frank Huis, het Herinneringscentrum Kamp Westerbork en het Oorlogsmuseum in Overloon - een groot aantal van de huidige oorlogsmusea (ruim 40%) is opgericht na het jaar 2000. Dit zijn veelal kleinere, particuliere musea, die vooral gericht zijn op de lokale en militaire geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog. Over de hele linie neemt de belangstelling voor de militair historische aspecten van de oorlog toe. Ook de publieke belangstelling voor de oorlogsmusea is spectaculair gegroeid: ten opzichte van 1995 zijn in 2013 de bezoekersaantallen bijna verdubbeld.

Moreel ijkpunt
Somers onderzocht hoe de Nederlandse oorlogsmusea vorm hebben gegeven aan de geschiedenis van de oorlog. De geschiedenis van de oorlogsmusea is onlosmakelijk verbonden met de politiek van de herinnering. De jaren 40-45 zijn nog altijd een moreel ijkpunt van de Nederlandse samenleving. De overheid, met haar bemoeienissen gericht op educatie en het versterken van de herdenkingsfunctie, speelt daarbij een belangrijke rol. De laatste jaren echter stelt de overheid zich meer terughoudend op en komt er, al dan niet noodgedwongen, meer ruimte voor marktwerking en cultureel ondernemerschap.

Bezoeker wil ‘ervaren en beleven’
Het huidige museale veld van de Tweede Wereldoorlog is volgens Somers op een omslagpunt beland: de herinnering aan de oorlog, die lange tijd werd bepaald door de generatie die de oorlog zelf heeft meegemaakt, is veranderd. ‘Het oorlogsverleden vraagt anno 2014 om concrete en meer tastbare presentaties. ‘Authenticiteitsbeleving’ is daarbij een sleutelwoord. De bezoeker van nu wil het verleden als het ware voelen en wil ‘echtheid’ in de vorm van authentieke voorwerpen, het bezoeken van ‘echte’ historische plekken en de identificatie met persoonlijke verhalen.

Maar de beleving van het verleden wordt tegenwoordig ook opgeroepen door een gecreëerde authenticiteit: een historische verbeelding verpakt in enscenering en (re)constructies van het verleden. Deze presentatievorm sluit meer aan bij de belevingswereld van een jongere generatie’, aldus Somers. Hij merkt daarbij op: ‘Museumbezoek is een belangrijk onderdeel van de vrijetijdsbesteding geworden. Bezoekers verwachten dat het niet alleen informatief, maar ook ontspannend en recreatief is. Steeds meer is ‘ervaar en beleef’ het motto. Maar hoe ver kan men gaan met het oproepen van een beleving van een beladen geschiedenis. Wanneer worden er moreel-ethische grenzen overschreden? Het evenwicht tussen verantwoorde educatie en informatie enerzijds en emotie en sensatie anderzijds is wankel.’

Meer informatie

Erik Somers: De oorlog in het museum. Herinnering en verbeelding. Promotoren zijn prof. dr. F.P.I.M. van Vree en prof. dr. R. van der Laarse. Het proefschrift wordt uitgegeven door WBooks in Zwolle (480 pag, 17 x 24 cm, 67 illustraties, € 34,50). Zie: http://www.wbooks.com/verwacht/de-oorlog-in-het-museum.html. WBooks: Tel. 038-467 34 00

Tijd en locatie promotie
De promotieplechtigheid is op woensdag 2 april om 15.00 uur.  
Locatie: Aula van de UvA, Singel 411, Amsterdam.