11 juli 2017

Niet voor iedereen betekende de Duitse bezetting tegenspoed. Voor werklozen en armlastige arbeiders bood het de mogelijkheid een baan in Duitsland aan te nemen en zo hun gezin te onderhouden. De 27-jarige Albert Walsweer uit het Friese Huizum was één van hen. Maandag 9 september 1940 vertrok hij via Enschede naar Duitsland. Op een plantsoenbankje in Enschede schreef hij zijn eerste kaartje, “even een krabbeltje”, aan zijn echtgenote Tjitske. De volgende dag kreeg hij hulp van een “Hitler-jongen”, gekleed in een bruin hemd en met rode band met hakenkruis om zijn arm, die op de fiets zijn koffer vervoerde.

De met officiële stempels bedrukte oproep aan Albert om te getuigen over zijn ongeluk. Oorspronkelijk gericht aan zijn werkadres maar door zijn werkgever veranderd in 'kamer 51' van het katholieke ziekenhuis.

“volop bloeiende planten”
Albert kwam terecht in een bloemkwekerij aan de Eimterstrasse 72 in Herford. De jonge eigenaresse stond er alleen voor omdat haar man was opgeroepen voor het leger. Albert kreeg de zorg voor twee verwarmde kassen waarin “volop bloeiende planten en ook snijbloemen als tulpen, narcissen en cyclamen” stonden. Al snel ontpopt hij zich tot een bevlogen bloemist. Trots schrijft hij op zondag 30 maart aan zijn vrouw: “Op ’t ogenblik staat m’n kleine kas geheel vol met bloeiende hortensia’s. Een prachtig gezicht”. Ook tulpen vallen goed in de smaak, voor 35 pfennig per stuk worden ze verkocht. De zaken gaan goed en Albert heeft eer van zijn werk: “Vooral dat er veel bloemen verkocht worden zie ik graag, het is fijn als je elke dag weer wat van de mooisten uit de kassen in de winkel kunt brengen”.

Hoewel hij veel plezier heeft in zijn werk en goed kan opschieten met de bewoners van Herford, mist Albert zijn vrouw Tjitske en hun vijf kinderen. Op het bureau in zijn kamer staan hun portretten en om de paar dagen schrijft hij hen een brief. Soms sluit hij die in het Fries af met een zorgzaam advies aan de kinderen: “past do goet op dijn mem”.

In zijn brieven beschrijft Albert hoe de oorlog ingrijpt in het dorpsleven. Zo doet hij Tjitske op 20 april 1941 verslag van een nationale feestdag: “Duitsland viert vandaag de verjaardag van zijn Führer. Van ieder huis haast waait de hakenkruis-vaan, voor de vensters in de bloempotten staan kleine papieren vlaggetjes en in de etalages zijn versierde hoeken aangebracht met als centrum de foto van Adolf Hitler”. Omdat zijn gastvrouw niet zelf de ladder op kon klimmen hing Albert de hakenkruisvlag voor haar op. Eigenlijk had zij het hem niet durven vragen maar hij stelde haar gerust: “[ik] kan er toch niets op tegen hebben dat jullie de verjaardag van je staatshoofd vieren […] ‘k kan me alleen niet begrijpen waarom wij niets mogen doen op de verjaardag onzer koningin”.

Trouwfoto Albert en Tjitske

“Churchill had zich zeker verslapen”
Als gelovig Christen is het voor Albert niet moeilijk om medeleven te voelen voor Duitse burgers die getroffen worden door de oorlog. Zo leert hij een inwoonster van Herford kennen wier zoon vermist is sinds het vergaan van het slagschip Bismarck. Het raakt hem diep als hij twee kransen moet maken voor een vrouw die, op dezelfde dag dat haar echtgenoot overleed, het bericht kreeg dat haar zoon aan het front gesneuveld was.

Langzaam sijpelen berichten over bombardementen door in Alberts brieven. Over een luchtaanval op 30 januari 1941 schrijft hij nog luchtig: “Churchill had zich toen zeker verslapen, want ‘onze vrienden’ kwamen pas tusschen half zeven en half acht in de morgen”. Gaandeweg raakt Albert gewend aan het luchtalarm, op woensdag 2 juli laat hij zijn vrouw weten: “In de afgelopen nacht stoorden de Engelschen ons weer in onze slaap […] nou ‘k heb er weinig van gehoord, ‘k ben direct na ’t sirenegehuil weer ingeslapen en eerst door het signaal ‘alles veilig’ weer wakker geworden”.

De zondag erop kwam de oorlog ineens heel dicht bij toen de Engelsen een nabij gelegen stad bombardeerden: “Golf na golf vliegtuigen spoelde over ons heen op Bielefeld aan, daar verwelkomd door afweervuur, alles tezamen een helsche muziek vormend op deze Zondagmorgen”.

“Zoo’n begrafenis brengt geld in ’t laatje”
Hoewel Albert zijn gezin in Huizum voortdurend gerust stelde, vielen er in Herford ook wel eens bommen. Op 18 september verhaalde hij over een hele grote krans met linten die hij had gemaakt. De krans van wel vijftien mark was bedoeld voor een “vrouw in onze straat die in een huis woont dat een tijdje terug door een bom getroffen werd. Die is toen vreeselijk geschrokken en niet meer goed geweest. Zondag stierf ze door een hartverlamming”.

De verschrikkingen van de oorlog hadden echter geen invloed op zijn Hollandse koopmansgeest: “Gister moesten we de geheele dag kransen maken, alleen ’t noodzakelijke werk in de kweekerij kon ik snel afmaken. We hebben gisteravond nog tot half twaalf moeten werken, toen was het bestelde klaar. Gistermiddag hebben de loopjongen en ik de gereedgekomen kransen naar ’t sterfhuis gebracht en vanmorgen vroeg bracht ik de laatste 14 kransen weg en ook nog 11 bouquetten rozen. […] Zoo’n begrafenis brengt geld in ’t laatje”.

Albert schreef zijn brieven vanuit Herford met de pen. Begin juni 1942 kwam daar plotseling verandering in.  Zijn regelmatige handschrift maakte plaats voor beverige met potlood geschreven zinnen. De oorzaak was een ongeluk waardoor hij in het ziekenhuis belandde. Een vrachtwagen die hem inhaalde had hem geschampt waardoor hij zijn linkerarm brak en kneuzingen en bloedingen op zijn gezicht en knieën opliep. Na weken herstel in het katholieke ziekenhuis keerde Albert in augustus 1942 terug naar zijn vrouw Tjitske en hun vijf kinderen.

De correspondentie is opgeborgen in collectie 247, inventarisnummers : 1059-1063

Urlaubschein: In de twee jaar dat Albert in Herford werkte, kreeg hij tweemaal toestemming om zijn familie in Huizum te bezoeken.