29 april 2020

Vandaag is het de sterfdag van Jacques Presser (Amsterdam 24-03-1899 – Amsterdam 30-04-1970). Presser groeide op in een arm Joods gezin waarin het opkomende socialisme een grote rol speelde. Het gezin woonde tijdelijk in Antwerpen nadat zijn vader zijn baan als diamantbewerker in Amsterdam was kwijtgeraakt. Na een paar jaar keerde het gezin terug naar Amsterdam. Presser probeerde de HBS te volgen, maar dit mislukte waarna hij met meer succes naar de handelsschool ging. Vervolgens werkte hij met veel tegenzin enkele jaren als kantoorbediende. In 1920 deed hij staatsexamen voor het gymnasium en hierna is hij geschiedenis en neerlandistiek gaan studeren aan de Universiteit van Amsterdam. Hij promoveerde cum laude in 1926 en werd vervolgens geschiedenisleraar aan het net opgerichte Vossius gymnasium in Amsterdam. In 1930 kwam hij in contact met de bekende historicus Jan Romein, die hem een betrekking als leraar aanbood op het Instituut voor Historische Leergangen. Hierdoor ging hij de wetenschappelijke kant op. Romein beïnvloedde Presser niet alleen in wetenschappelijk maar ook in politiek opzicht: hij opende Presser de ogen voor de klemmende politieke problemen van die jaren.

De Duitse inval op 10 mei 1940 markeerde een dieptepunt in zijn leven. In de wanhoop probeerde hij naar Engeland te vluchten, maar dit plan mislukte. Hierna probeerde hij zich zelfs van het leven te beroven. Vanwege de tegen Joden gerichte maatregelen van de Duitse bezetter, mocht hij niet langer lesgeven op het Vossisus gymnasium en werd hij leraar aan het Joods Lyceum. Zijn vrouw Debora Appel werd in maart 1943 betrapt met een vals persoonsbewijs. Via doorgangskamp Westerbork werd ze naar vernietigingskamp Sobibor gedeporteerd en hier vermoord. Dit heeft Presser voor de rest van zijn leven getekend. Zelf zat hij ondergedoken toen Nederland werd bevrijd.

Na de oorlog werd Presser opnieuw een paar jaar leraar aan het Vossisus gymnasium. In 1947 begon hij ook college te geven aan de politiek-sociale faculteit van de Universiteit van Amsterdam. Na veel rumoer vanwege zijn marxistische achtergrond, dat hem zeer pijnlijk trof, werd hij in 1949 ten slotte benoemd tot buitengewoon hoogleraar en op 1 augustus 1952 tot gewoon hoogleraar. Hij aanvaardde dit ambt met het uitspreken van de oratie Historia Hodierna (1950). In 1959 verliet hij de politiek-sociale faculteit om Romein aan de faculteit der letteren op te volgen als hoogleraar in de algemene en vaderlandse geschiedenis sinds de Middeleeuwen. Als pleitbezorger van het persoonlijke element in de geschiedenis introduceerde hij in de jaren vijftig het begrip ‘egodocument’.

In 1950 kreeg Presser de (regerings)opdracht van het RIOD, de voorloper van het NIOD, een boek te schrijven over de geschiedenis van de Joden in Nederland in de jaren 1940-1945. Ondergang. De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 verscheen in 1965 in twee delen. Het schrijven van dit boek was een erg zware taak voor Presser, die zelf een van de slachtoffers van de vervolging was. De publicatie van het boek wekte een ongekende weerklank die voor Presser veel heeft betekend. Het eerste deel bevat een grondige documentatie van de Jodenvervolging, is voor het grootste deel chronologisch van opzet en loopt tot de laatste razzia's en opheffing van de Joodse Raad voor Amsterdam eind september 1943. Het tweede deel behandelt grotendeels het lot van de Nederlandse Joden in de Duitse doorgangs- en concentratiekampen. Dit deel is thematisch van opzet, gaat onder andere in op verzet van Joden, de Joodse onderduik en de roof van Joods bezit en is, bij alle zakelijke informatie die verstrekt wordt, in sterke mate verhalend van aard. Een afstandelijke en objectiverende toon, door sommigen wenselijk geacht voor een historisch-wetenschappelijk werk, komt niet naar voren in dit werk. Juist hierdoor maakte het boekwerk bij verschijnen diepe indruk. Alle latere studies over het lot van de Nederlandse Joden in de Tweede Wereldoorlog zijn uitwerkingen en detailleringen van wat Presser in dit grote boek al had vastgelegd.

De voltooiing van Ondergang betekende niet dat er nu een rustpauze voor hem was ingetreden: de vele reacties op het boek eisten zijn aandacht op. Zijn werk als hoogleraar ging door totdat hij in mei 1969 afscheid nam; daarnaast werkte hij onvermoeibaar aan vele nieuwe publicaties. Tot vlak voor zijn dood in 1970 bleef hij actief.​

Foto: Prijsuitreiking Jan Campertstichting in Den Haag, prof. dr. J. Presser 6 april 1967, Wikimedia Commons