19 mei 2020

In People of the NIOD interviewen we medewerkers om terug te blikken op 75 jaar NIOD. Wat voor onderzoek zouden ze uitvoeren als ze een substantieel geldbedrag zouden krijgen en zien ze nog een toekomst voor het NIOD? In deze vierde aflevering stellen we deze vragen aan dr. Hinke Piersma. Sinds 1998 is ze verbonden aan het NIOD.  Ze houdt zich bezig met het acquireren van onderzoeksopdrachten die voortkomen uit een maatschappelijke vraag. Tevens is ze projectleider van het project ‘Adopteer een dagboek’ waarbij er samen met vrijwilligers wordt gewerkt aan de omvangrijke dagboekencollectie. Hinke is daarnaast een van de redactieleden van het boek Oorlog in onderzoek – 75 jaar NIOD waarvoor ze ook een aantal artikelen heeft geschreven.

Hoe ben je bij het NIOD terechtgekomen?
‘Ik ben in 1998 als onderzoeksassistent begonnen bij de Stichting Onderzoek Terugkeer en Opvang (SOTO). Het was een onafhankelijke stichting maar we zaten in hetzelfde gebouw als het NIOD, dus op de Herengracht 380. Nadat dit werk was afgerond ben ik gebleven en heb ik aan tal van projecten gewerkt.’

Als je een substantieel geldbedrag zou mogen inzetten voor het werk van het NIOD, wat voor onderzoek zou je dan starten?
‘Er is nog zoveel onderzoek te doen.  Ik zou heel graag nog een boek willen schrijven over de onderduik en wat het moet hebben betekend om gedwongen samen te leven. Maar ook wat het betekent om zonder enig perspectief zo lang ergens onzichtbaar te moeten zitten, niet wetende hoe het met je dierbaren gaat en wanneer de oorlog afgelopen zal zijn. En om dan maar bij mijn eigen stokpaardjes te blijven, er is nog veel meer onderzoek nodig naar de zuiveringen die plaatsvonden na de bevrijding . Een mooi thema binnen dit thema zijn de verwachtingen die men had over de naoorlogse samenleving. In welke mate sijpelden die verwachtingen door in de manier waarop er gekeken werd naar meelopers en collaborateurs? Het is een mooi onderwerp waarin ruimte is om los te komen van de neiging om het verleden in simpele (morele) categorieën in te delen.’

Welk archiefstuk van het NIOD vind je het meest interessant?
‘Omdat ik me bezighoud met ontrechting en rechtsherstel, probeer ik me te verdiepen in de betekenis van een ‘thuis’. Om deze reden ben ik erg geïnteresseerd in de emotionele kant van bezitsverlies. Het archief van Einsatzstab Rosenberg dat op het NIOD ligt vind ik daarom een heel bijzondere bron. Per straat is door medewerkers van de dienst Rosenberg geïnventariseerd waar Joden woonden en wat zij aan spullen in huis hadden. Die lijsten waarin ieder onderdeel van de inboedel is genoteerd: van lampenkamp tot dressoir, van kandelaar en stoelen. Dit zijn de stille getuigen van de roof die heeft plaatsgevonden nadat de bewoners waren gedeporteerd. Bij vluchtelingen uit Duitsland zie je dat ze vaak al niets meer hadden:  ‘nur Kleider’ staat er dan bijvoorbeeld.’

Wat zie je als de grootste uitdaging voor de toekomst voor het NIOD?
‘Ik hoop dat het NIOD over 20 jaar nog bestaat en dat het niet is opgegaan in een geclusterd geesteswetenschappelijke mega-organisatie. Juist met een relatief kleine en gedreven onderzoeksafdeling kan het NIOD mooie dingen blijven maken. Ik hoop dat we misschien iets leren van deze crisis waar we momenteel in zitten en beseffen dat het leven om meer draait dan enkel economische groei.’