3 augustus 2020

In People of the NIOD interviewen we medewerkers om terug te kijken op 75 jaar NIOD. Hoe zijn zij bij het NIOD terechtgekomen? Wat verbaasde hen het meest toen zij bij het NIOD kwamen werken en wat spreekt hen het meeste aan aan de collectie? Deze keer stelden we deze vragen aan Marjo Bakker. Zij is vakreferent, datasteward en teamleider Collecties bij het NIOD. Zij houdt zich bezig met het collectiebeleid in het algemeen en de acquisitie en ontsluiting van publicaties en onderzoeksdata in het bijzonder. Tevens is ze managing editor van het open access tijdschrift Fascism. Journal of Comparative Fascist Studies (Brill). Marjo heeft daarnaast als redacteur en auteur meegewerkt aan het boek Oorlog in Onderzoek: 75 jaar NIOD.

Waarom ben je bij het NIOD gaan werken?
‘In mei 2010 stond er een vacature voor vakreferent/informatiespecialist bij het NIOD in de krant. Ik werkte toen al ruim 8 jaar als bibliothecaris bij het Nationaal Archief (NA) waar ik bij wijze van spreken tot mijn pensioen had willen werken, maar dit was een vacature waar ik wel op moest reageren: een spannende bibliotheekcollectie om te leren kennen, een gerenommeerd instituut, in mijn woonplaats Amsterdam, dicht op het onderzoek en met voor mij nieuwe dingen als onderzoeksdatamanagement en open access. Ik kon voortzetten wat ik al graag deed op gebied van collectievorming- en ontsluiting én nieuwe dingen leren. Ideaal. Op 1 september 2010 begon ik bij het NIOD.’

Wat heeft je het meest verbaasd toen je bij het NIOD kwam werken?
‘Ik heb me over een aantal dingen verbaasd toen ik bij het NIOD kwam werken. Over dat er geen kantine was bijvoorbeeld. Mensen aten hun lunch aan het bureau of al wandelend. Ik was gewend om collega’s beter te leren kennen aan de lunchtafel; hoe moest dat hier nu zonder kantine? Al snel bleek dat er maandelijks een personeelslunch en een lunchlezing was en dat er borrels waren, zoals bij een boekpresentatie of  gewoon zomaar. Genoeg gelegenheid dus om collega’s te leren kennen.

Daarnaast viel me de laagdrempeligheid binnen het instituut op. Hoewel in de vacaturetekst al stond dat je zou komen te werken in een ‘prettige, informele omgeving’ had ik toch niet helemaal verwacht dat dit echt zo zou zijn. Mijn voorgangers Dick van Galen Last en vooral René Kruis, die ik beide kende uit landelijke bibliotheekgremia, waren heel hartelijk en toegankelijk maar toch dacht ik door de reputatie van het NIOD dat ik in een hele serieuze omgeving terecht zou komen. Maar eenmaal die hoog lijkende drempel over, trof ik naast het inderdaad serieuze wetenschappelijk bedrijf een gemoedelijke en vooral a-hiërarchische sfeer waar ondanks het zware onderwerp van het instituut veel gelachen en gegrold werd (en wordt). Ik vond het wel ‘Rotterdams’, zo van ‘niet lullen maar poetsen’.

Tot slot was ik de eerste tijd verbaasd over hoeveel boeken er maar bleven verschijnen over de Tweede Wereldoorlog; er blijkt altijd weer een nieuwe invalshoek of vergeten onderwerp te zijn, zowel nationaal als internationaal en zowel populair als academisch. Toen ik solliciteerde vroeg ik me even af of het niet saai zou zijn om publicaties over ‘alleen’ de Tweede Wereldoorlog te verzamelen, komende van het NA waar ik de ‘hele’ Nederlandse geschiedenis tot mijn beschikking had. Nou, van saaiheid was door de veelzijdigheid van het onderwerp natuurlijk geen sprake! Dat kwam ook door het genocidestudies-onderdeel van de bibliotheekcollectie dat de collectie nog meer naar de actualiteit trok.’

Wat vind je het meest bijzonder aan de NIOD-collectie?
‘Het is misschien een inkopper, maar ik vind de hele bibliotheekcollectie van het NIOD bijzonder. Als je bijvoorbeeld antiquariaatscatalogi doorzoekt op boeken over de Tweede Wereldoorlog in Nederland (waarover we in principe alle boeken aanschaffen) en je merkt dat bijna alle boeken al aanwezig zijn, dan krijg je een heel sterk ‘staan op de schouders van je voorgangers’ gevoel. Heel mooi vind ik dat. Wat ook mooi is, is dat veel mensen hebben bijgedragen aan en betrokken zijn bij de bibliotheekcollectie. Bezoekers en medewerkers sturen me aanschaftips, auteurs schenken een exemplaar van hun boek, mensen gaan thuis opruimen en brengen hun boeken naar het NIOD. Jaarlijks is ongeveer 50% van alle bibliotheekaanwinsten een geschenk. Hieraan lees ik af dat de NIOD bibliotheek belangrijk is voor mensen.’

Als je een substantieel geldbedrag zou mogen inzetten voor het werk van het NIOD, wat zou je dan aanpakken?
‘Als er genoeg geld was, zou ik dat inzetten voor structureel extra collega-informatiespecialisten om de collectie nog beter en op nieuwe manieren en platforms te ontsluiten. Hierbij hoort ook – als ik even door mag fantaseren - de digitalisering van de hele NIOD collectie, uitbreiding van het oppervlak van de NIOD studiezaal en depots en het mogelijk maken van open access publiceren voor zowel NIOD-auteurs als in algemener verband. Dit allemaal om de uitdijende NIOD collectie en onze expertise daarop voor zo veel mogelijk mensen en machines vindbaar en bruikbaar te maken en te houden (wat ik noem ‘van oorlogsdocumentatie naar oorlogsdata’). Maar ook om een bijdrage te leveren aan de vrije beschikbaarheid van wetenschappelijke informatie.’