19 juni 2020

In de rubriek ‘People of the NIOD’ interviewen we collega’s naar aanleiding van het 75-jarig bestaan van het instituut. Wat zouden ze doen als ze een substantieel geldbedrag mochten inzetten voor het werk van het NIOD? En welk archiefstuk spreekt hen het meeste aan? Deze keer stelden we deze vragen aan dr. Peter Keppy. Sinds 2009 kreeg hij een vast contract aangeboden bij het NIOD als senior-onderzoeker. Peter is gespecialiseerd in de moderne geschiedenis van Zuidoost-Azië. Hij schreef ook een artikel voor het onlangs verschenen boek Oorlog in Onderzoek: 75 jaar NIOD.

Als je een substantieel geldbedrag zou mogen inzetten voor het werk van het NIOD, wat voor project of onderzoek zou je dan starten?
‘Ik zou het geld op meerdere fronten willen inzetten. Als eerste zou ik het willen inzetten voor het werk van mijn collega Ugur Ümit Üngör die onderzoek doet naar Syrische vluchtelingen. Zijn onderzoek richt zich weliswaar op een hedendaags conflict, maar het levert in potentie materiaal voor eventuele getuigenissen in oorlogstribunalen én voor toekomstig historisch onderzoek. Dit is precies zoals het NIOD 75 jaar geleden is gestart met onderzoek naar de bezetting van Nederland!

Daarnaast zou ik het geld willen schenken aan jonge onderzoekers om nieuwe onderzoeksmethoden, met name op het gebied van kunstmatige intelligentie, en projecten over de impact van oorlogen op samenlevingen te ontwikkelen. Daar zijn nog slagen te maken.

Tenslotte zou ik graag samen met collega’s onderzoek doen naar de terugkeer van strijders in de samenleving na langslepende conflicten sinds de tweede wereldoorlog, bijvoorbeeld in Sri Lanka en Cambodja. Met dat onderwerp ben ik al indirect en op kleinere schaal bezig via een NWO-project met collega’s in Indonesië en het KITLV. We onderzoeken de enorme maatschappelijke problemen die in de jaren vijftig ontstonden met de “terugkeer” van voormalige Indonesische vrijheidsstrijders, reguliere soldaten en leden van niet bij het leger aangesloten militia, naar een door revolutie getekende maar van Nederland onafhankelijke samenleving. Dit is een heel spannend en onderbelicht onderzoeksterrein. Het onderwerp is relevant vanwege de aanhoudende conflicten in de wereld. Want wat doe je als jongeman in vredestijd als je alleen met een geweer kunt omgaan? Afrikaanse collega’s hebben ons al een inkijk gegeven hoe dat in recente tijden in Nigeria, Zimbabwe en Sierra Leone is vergaan.’

Hoe is het NIOD veranderd sinds je eerste werkdag?
‘De plotselinge dood van directiesecretaresse Joke de Bart-Supusepa in 2013 is voor mij een soort keerpunt geweest in mijn werk bij het NIOD. Als directiesecretaresse heeft zij met alle directeuren van het RIOD en later NIOD intensief samengewerkt. Het was allereerst een enorme schok dat zij was overleden. Zij was voor buitenstaanders wellicht onzichtbaar, maar medewerkers begrepen dat zij als ‘smeerolie’ voor het instituut diende. Zij hield veel praktische zaken draaiende. Ze was ouderwets streng, maar had ook humor. Dit was voor mij onmisbaar om oorlogsellende te relativeren en onderzoek vol te kunnen houden. We maakten bijvoorbeeld weleens grappen over het niet door de Nederlandse overheid over de Japanse bezetting uitbetaalde soldij waar onze Ambonese KNIL-ouders en grootouders recht op hadden. Mijn opa was bij aanvang van de Japanse invasie al jaren gepensioneerd en toch werd hij opnieuw voor KNIL-dienst opgeroepen!

Mijn verdriet werd nog groter toen ik later met grote teleurstelling vernam dat het dorpsbestuur van Ullath, het stamdorp van Joke’s Molukse voorouders op het eiland Saparua, had geweigerd Joke’s wens in te vervullen om haar as in het dorp te laten verstrooien. Het is voor mensen zonder kennis van Ambonese cultuur misschien moeilijk te begrijpen, maar Ambonezen hechten aan hun dorpen van oorsprong en voorouders. Zo ook Joke die verschillende keren Ullath bezocht. Het dorpsbestuur redeneerde dat verstrooiing  van gecremeerde stoffelijk resten in strijd zou zijn met Christelijk riten. Deze afkeurende reactie was waarschijnlijk het resultaat van de tussen 1999 en 2002 op Ambon woedende burgeroorlog tussen Christenen en Moslims. Dit politieke conflict ontstond door de val van het autoritaire regime van president Suharto in 1998 en een economische crisis. Dit voedde religieuze polarisatie en fanatisme, en conservatisme aan Islamitische en Christelijke kant. Dit dreunt nog door. De burgeroorlog heeft diepe wonden in de Ambonese samenleving geslagen.

Na Joke’s dood leek alles op het instituut zakelijker en onrustiger te worden. Maar ik besef dat die stemming evenzeer te maken had met de toen van bovenaf opgelegde bezuinigingen en dreiging tot opsplitsing van het instituut. Gelukkig hebben we Monique van Kessel nog! En directeur Frank van Vree heeft de financiën in goede banen kunnen leiden en de rust terug kunnen brengen. Chapeau!

Is er een archiefstuk dat je bijzonder vindt en waarom?
‘Archiefstuk 736, (250d, kampen en gevangenissen) is voor mij van bijzondere betekenis. Het is een getuigenis uit 1947 van Aron Pach over zijn arrestatie en die van zijn gezin door de Duitse bezetter in Amsterdam in 1942. Het document gaat over het transport naar, zijn dwangarbeid in en ontsnapping uit Jawischowitz vlak tegen het einde van de oorlog. Jawischowitz was een van de vele werkkampen in de buurt van Auschwitz met een ondergrondse mijn.

Aron Pach, voor mij bekend als Ome Arie, was Joods, maar vooral een ras Amsterdammer, amateurbokser, steenkoolhandelaar, later winkelier en de eerste boksleraar van mij en mijn broers en zwager. Jaren na zijn dood in 2001 ontdekte ik dat hij zelden met iemand over zijn kampverschrikkingen sprak, behalve met zijn leerlingen in de kleedkamer van bokschool Olympia aan de Marnixstraat! Zijn verhalen over hoe hij door de Duitsers werd gedwongen in de mijn bij Jawisowitsch te werken, maar vooral zijn anekdotes over zijn onvrijwillige bokspartijen tegen allerlei gespuis in het kamp zijn me altijd bijgebleven. Deze verhalen kregen een nieuwe lading nadat ik ontdekte dat medegevangenen, waaronder Levie de Lange, hem in hun memoires beschreven als een vriend en held. Ome Arie deelde voedsel en beschermde zijn vrienden tegen geweld van bewakers en andere medegevangenen. Deze solidariteit was een zeldzaam fenomeen in Auschwitz en omliggende kampen waar de meeste gevangenen zich in de krankzinnig makende drang om te overleven alleen nog om zichzelf konden bekommeren.Ome Arie overleefde weliswaar maar werd bijna gek als hij aan de oorlog dacht. Zijn zoontje Samuel (3) en vrouw Reina Frank (24) kwamen in 1942 om in de gaskamers van Auschwitz. Bijna al zijn broers en zussen ondergingen daarnaast hetzelfde lot. De oorlogsomstandigheden laten zich niet vergelijken, maar ik hoop innig en vertrouw erop dat mijn collega Ugur anno 2020 vergelijkbare getuigenissen van de ‘Ome Arie’s’ onder de Syrische vluchtelingen voor de toekomst vastlegt.’