12 mei 2020

Het NIOD bestaat dit jaar 75 jaar. In de serie ‘People of the NIOD’ interviewen we medewerkers. Hoe kijken zij terug op hun tijd bij het NIOD en welke uitdagingen zien zij voor de toekomst van het instituut? In de tweede aflevering interviewen we prof. dr. Peter Romijn. Peter is sinds 1 januari 1985 in dienst. Na zijn studie wilde hij graag werken bij het NIOD vanwege de goede reputatie van het instituut en zijn interesse in bestraffing van collaboratie in het naoorlogse Nederland. Over dit onderwerp gingen zijn afstudeerscriptie (1981) en proefschrift (1989). Dit hielp hem erg bij zijn sollicitatie. Hij kreeg aanvankelijk een contract aangeboden voor de duur van twee jaar voor halve dagen, maar inmiddels werkt hij al 35 jaar voor het instituut. ‘Toen ik bij het RIOD kwam werken werd me verteld dat de zaak op termijn van een jaar of twee vermoedelijk werd opgeheven.’ Peter heeft ook een artikel geschreven voor het boek Oorlog in onderzoek – 75 jaar NIOD.

Hoe kijk je terug op 75 jaar NIOD?
‘Ik heb de helft van de bestaanstijd meegemaakt. Toen ik kwam was het RIOD een gesloten bastion, met vrij weinig connecties met de academische buitenwereld, in Nederland en daarbuiten. Sinds het midden van de jaren negentig is dat snel en ingrijpend veranderd en dat vind ik even verheugend als belangrijk. De integratie in de KNAW en de vergaande samenwerking met diverse universiteiten is daarbij erg behulpzaam geweest. En het mooie is dat dat aan de publieke functie van het NIOD geen enkele afbreuk heeft gedaan, integendeel. Het instituut is in 1945 vanuit de overheid opgezet om de herinnering aan de oorlog vast te leggen voor volgende generaties, als fundament voor het politieke en maatschappelijke bestel. Tegenwoordig is onze publieke functie het informeren van het maatschappelijke debat over heikele kwesties door middel van kennis en inzicht, en dat bevestigt steeds opnieuw onze reputatie.’

Wat verbaasde je het meest toen je bij het NIOD kwam werken?
‘Als jonge onderzoeker dacht ik het instituut al te kennen, maar wat me toch verbaasde was hoe het was georganiseerd als een toeleveringsbedrijf voor het werk van Loe de Jong. Iedereen ging ervan uit dat de praktijk van het RIOD per definitie de beste manier van werken was. Ik was bijvoorbeeld heel verbaasd dat er een heel eigen systeem voor annotatie van bronnen en literatuur bestond, die niet ter discussie stond. En er was een duidelijke hiërarchie, die bepaalde wie wel en niet wat mocht zeggen en wie wel en niet gehoord werd. De oude garde vond het vreemd dat ik werkte aan een onderwerp waarvoor ik de bronnen buiten het instituut zocht (in het Nationaal Archief vooral).’

Wat zie je als de grootste uitdaging voor de toekomst voor het NIOD?
‘Toen ik bij het RIOD kwam werken werd me verteld dat de zaak op termijn van een jaar of twee vermoedelijk werd opgeheven. Bij de herdenkingen van 1985 was er een soort consensus dat er ook niet heel lang meer herdacht zou worden. Alles is anders gelopen. De grootste uitdaging voor het NIOD is denk ik niet te bedenken waar het instituut over 20 jaar zal/wil/moet staan, maar wat voor instelling het over 5 jaar wil zijn. De middellange termijn is te overzien en die vergt creativiteit, kansen in kaart brengen en het scheppen van ruimte voor de eigen ambities. Als dat goed gaat dan verschuift te horizon vanzelf verder en dat doet een beroep op iedereen om alert te zijn. Een heel grote uitdaging is toch de omslag naar digitaal collectioneren, ontsluiten, onderzoeken. Ik denk vaak dat het historisch bedrijf (en niet alleen dat bedrijf) nog aan het begin van een grote omslag staat.’

Het boek Oorlog in Onderzoek - 75 jaar NIOD is hier te koop.