14 mei 2020

In de serie ‘People of the NIOD’ interviewen we medewerkers om terug te blikken op 75 jaar NIOD. Wat verbaasde hen het meeste toen ze voor het NIOD kwamen werken en wat zien zij als hoogtepunt in de geschiedenis van 75 jaar NIOD? In de derde aflevering geven we het woord aan beeldonderzoeker René Kok. In de zomer van 1976 deed hij na de middelbare school vakantiewerk bij het RIOD, de voorloper van het NIOD. Samen met Hans de Vries, die inmiddels met pensioen is, kreeg hij het mooie aanbod om samen in deeltijd een vertrokken medewerker te vervangen. Dit kon hij mooi combineren met zijn studie MO Geschiedenis (tegenwoordig de lerarenopleiding Geschiedenis). Op 1 september 1976 begon hij te werken op de afdeling Beheer. Hij had veel interesse in de oorlog en een mooiere baan in het midden van het ‘episch centrum’ kon hij zich dan ook niet voorstellen. Hij leerde veel van kenners, zoals Coen Stuldreher, Hans van der Leeuw, Ben Sijes, Harry Paape en Jacob Zwaan.

René heeft ook meegewerkt aan het beeldessay ‘75 jaar NIOD in beelden’ in de bundel Oorlog in Onderzoek – 75 jaar NIOD. Ook is hij de maker van de film ’75 jaar NIOD voor de camera’.

Wat verbaasde je het meest toen je bij het NIOD kwam werken?
‘Wat mij niet zozeer verbaasde, maar wel enorm aantrok, was de grenzeloze passie van de medewerkers. Het ging altijd en overal over het werk en dé oorlog. Ook tijdens het gezamenlijk koffie drinken dat we toen deden. Sommige collega’s werkten er al sinds de oprichting. In tegenstelling tot wat nog al eens gedacht wordt, was het instituut ook toen servicegericht. Bezoekers waren altijd welkom. Wel was het zo dat het voormalige pand waar het NIOD gevestigd was aan de Herengracht 474 te klein was voor de circa 25 medewerkers en al dat archiefmateriaal. Er was geen studiezaal, dus bezoekers zaten bij je op de kamer. Er werd dan ook nagegaan of een onderzoek ook echt ‘zin had’. Dit was natuurlijk erg subjectief. Zo bezocht de jonge historicus Hans Blom rond 1970 het instituut met de aankondiging dat hij wilde promoveren op: ‘De muiterij op de De Zeven Provinciën” in 1933. Mijn latere afdelingshoofd en kamergenoot Coen Stuldreher ontving hem vriendelijk als altijd en haalde direct uit zijn bureau ‘concept-hoofdstuk 7’ uit het bijna te verschijnen eerste deel van De Jongs ‘Het Koninkrijk’ tevoorschijn met de woorden ‘Dat onderwerp heeft de heer de Jong al uitvoerig behandeld, meneer Blom, U zult een ander onderwerp moeten kiezen’.

Al ik dan toch een puntje van kritiek mag noemen: voor conservering en behoud was vroeger nauwelijks oog. Snel iets tevoorschijn halen stond voorop. Zelfs archiefdozen werden verfoeid. Bij het beschrijven werd een nummer van een archiefstuk er gewoon met ballpoint opgezet. Originele foto’s werden in bruikleen gegeven en als ze niet retour kwamen, restte alleen een boze brief. In mijn passie voor beeldmateriaal lukte het me daar gelukkig een einde aan te maken.’

Hoe was het om met Loe de Jong samen te werken?
‘Hij ging honderd procent op in zijn werk en was zeer veeleisend. ‘Dank je wel’ kwam niet vaak uit zijn mond. Niet dat iemand van de medewerkers daar mee zat. De bewondering en het respect was groot. Hij werkte zo ongelofelijk hard en droeg het instituut op onnavolgbare wijze naar buiten uit. Hij kon tot op de dag aangeven wanneer een nieuw deel klaar was. Gemiddeld schreef hij wel honderd pagina’s per maand; hij had nooit gebrek aan inspiratie of iets als een writers block. Ik deed als jochie wel eens klusjes voor hem. Zo moest ik tijdens ‘de affaire’ stukken naar Willem Aantjes in Utrecht brengen. Iedere moment dat De Jong niet kon schrijven beschouwde hij als puur tijdverlies. Vergaderingen duurden daarom ook uiterst kort. De zakelijke dingen liet hij zoveel mogelijk over aan zijn prima adjunct-directeur Harry Paape.’

Hoe kijk je terug op 75 jaar NIOD? Wat zie je als een hoogtepunt?
‘Ik vind het een hoogtepunt dat het instituut na 75 jaar nog altijd  bestaat. Toen ik begon was het de bedoeling het instituut in 1984/1985 op te heffen. De collectie zou worden overgedragen aan het Algemeen Rijksarchief, de bibliotheek aan de Koninklijke Bibliotheek en het fotoarchief aan de RVD. Iedereen kon zich daarin vinden, ook de medewerkers. Er heerste grote tevredenheid dat men – in het besef dat opheffing een aantal keren nabij was geweest –  het dan maar liefst veertig jaar had volgehouden. Ook Loe de Jong vond het prima. In 1984 zou hij met deel 12 zijn geschiedwerk afronden. ‘Loe klaar, instituut klaar’ was zijn gedachte. De daarop volgende jaren nam de belangstelling voor de oorlogsjaren echter enorm toe. Arie Pais, minister van Onderwijs in het kabinet Van Agt-Wiegel gaf het instituut een permanente status. Hij vond het maatschappelijk belang (nog) te groot. Hij woont vlak bij ons instituut en bezocht het instituut pas geleden nog. We moeten hem dankbaar zijn.

Het instituut waar ik begon is totaal anders dan het instituut vandaag de dag. Dat is vanzelfsprekend en goed natuurlijk. We zijn vele jaren verder. Eén ding is gelukkig altijd gebleven: de hoge mate van dienstverlening. Daar bestaat buiten het instituut ook veel waardering voor, zoals in deze dagen weer eens blijkt. Fijn is de grote mate van vrijheid die je in je werk hebt. Dat betaalt zich ook uit. Veel initiatieven, zoals de eerste stappen op het gebied van digitalisering of mooie projecten, kwamen niet van bovenaf maar van onder uit de organisatie.

Naast natuurlijk de collectie foto’s en ander beeldmateriaal spreekt mij de dagboekencollectie enorm aan. Dagboeken zijn een zo pure bron, waar reeds in de beginjaren van ons instituut de grote waarde van werd ingezien. Ik vind het geweldig dat het gelukt is om het project ‘Adopteer een dagboek’ van de grond te krijgen.’

Foto: René in 1981 tijdens een boekpresentatie van Loe de Jong