20 november 2015

Op 30 maart 2013 berichtte Het Parool dat de gemeente Amsterdam Joodse oorlogsslachtoffers na de oorlog had aangeslagen en beboet voor het niet betalen van erfpacht tijdens de Duitse bezetting. Hoe was het mogelijk geweest, zo luidde de vraag, dat Joodse huiseigenaren of hun nabestaanden, die in de oorlog al hun eigendommen waren kwijtgeraakt, niet alleen moesten opdraaien voor achterstalligheid die buiten hun schuld was veroorzaakt, maar er zelfs voor werden beboet. De gemeente Amsterdam gaf het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies opdracht om deze erfpachtkwestie nader te onderzoeken.  

Registratie van repatrianten op het Centraal Station in Amsterdam na de bevrijding in mei of juni 1945. Beeldbank wo2-niod-anefo-Sem Presser
Registratie van repatrianten op het Centraal Station in Amsterdam na de bevrijding in mei of juni 1945. Beeldbank wo2-niod-anefo-Sem Presser

In maart 2014 bracht het NIOD verslag uit van zijn (voorlopige) bevindingen. Naar aanleiding hiervan stelde het stadsbestuur aan de gemeenteraad van Amsterdam voor om het bedrag van de destijds opgelegde boetes te restitueren ‘aan de te individualiseren nabestaanden’. Dit voorstel werd in september 2014 door de gemeenteraad aangenomen. Ook werd groen licht gegeven voor een vervolgonderzoek waarin de erfpachtkwestie in een brede historische en maatschappelijke context zou worden bestudeerd. Openstaande rekeningen. De gemeente Amsterdam en de gevolgen van roof en rechtsherstel, 1940-1950 is het resultaat van dit vervolgonderzoek.

Openstaande rekeningen vertelt het nooit eindigende verhaal van de vernietiging van de Joden opnieuw, maar doet dat via de huizen, hun eigenaren en het zakelijke, onpersoonlijke beleid van de gemeente vóór, tijdens en na de Duitse bezetting. Hoe formeel en materieel deze invalshoek ook is, het lijkt wel alsof de geschiedenis van de vermoorde Joden in Amsterdam en andere gemeenten daardoor op een nieuwe manier oplicht. Alsof er via de herordende, gesaneerde en opgeruimde materiële resten van het vernietigde Joodse leven iets persoonlijks tevoorschijn komt. De spookachtigheid waarmee die resten na de oorlog waren omgeven, ook als de huizen intact waren gebleven, wordt voelbaar in de vergeefse protesten tegen de erfpachtboetes. Het is alsof er een muur stond tussen de teruggekeerde Joden en de ambtenaren, dezelfde muur die tijdens de bezetting was opgetrokken en ervoor had gezorgd dat Joden en niet Joden in werelden verkeerden die elkaar nog slechts zijdelings raakten. Juist door geen onderscheid te willen maken tussen Joodse en niet Joodse burgers, droeg de gemeente er na de oorlog paradoxaliter toe bij dat die werelden gescheiden bleven. De wanhoop hierover spreekt bijvoorbeeld uit een protestbrief uit 1948, geschreven door een beheerder van een huis aan de Diepenbrockstraat dat toebehoord had aan een gezin dat was omgekomen: ”Indien nog niet in ambtelijke hersenen doorgedrongen, maken wij U met deze nogmaals opmerkzaam, dat wij gedurende 5 jaar in oorlog zijn geweest met Duitsland en dat gedurende die tijd het Joodse bezit onteigend is geweest.”

Terecht schrijft burgemeester Van der Laan in het voorwoord van Openstaande rekeningen dat de geschiedenis van de vermoorde Joden nog steeds een open zenuw is in de stad. Die open zenuw doet nog meer pijn na lezing van dit boek, omdat het de lezer naar Amsterdam laat kijken zoals de in juni 1945 teruggekeerde Elie Dasberg naar de stad keek:

“De dooden loopen mee in eindeloze rijen/uit gesloopte huizen staart nog hun gelaat/Er is geen plein, geen straat zonder herinneringen/omdat de eindelooze rij steeds mede gaat.”

Welk beeld geeft Openstaande rekeningen  van het gemeentelijke beleid?   

Tijdens de Duitse bezetting werden de woningen van Joodse huiseigenaren in het kader van de anti-Joodse maatregelen onder beheer gesteld, en in veel gevallen verkocht aan ‘arische’ Nederlanders. Als gevolg van de toenemende economische ontwrichting en de massale vlucht van ‘foute’  Nederlandse oorlogsbeheerders en oorlogskopers in september 1944, waren aan het einde van de oorlog veel rekeningen onbetaald gebleven. De gemeente Amsterdam koos er voor om die financiële schade op de oorspronkelijke eigenaren of hun nabestaanden te verhalen. Dat gold zowel voor de erfpachtcanon als voor belastingen op onroerende zaken, zoals straatgeld en brandverzekeringsbelasting.

Bovendien hief de gemeente Amsterdam een boete voor te laat betaalde erfpachtcanons. Het is deze boete die de meeste aandacht trekt, omdat Amsterdam met het daadwerkelijk opleggen daarvan afweek van het beleid van andere gemeenten. Dit is des te opvallender, omdat de gemeente met deze  strafmaatregel inging tegen het advies van de eigen gemeenteadvocaat. Deze zag namelijk wel degelijk mogelijkheden om van boeteheffing af te zien, en had zelfs kwijtschelding van de boete voor bepaalde gevallen bepleit. Er was dus sprake van onnodige hardheid ten aanzien van Joodse erfpachters die tijdens de oorlog van hun bezit waren beroofd.

Met uitzondering van de oplegging van deze boetes, week het invorderingsbeleid van de gemeente Amsterdam niet wezenlijk af van dat van de andere gemeenten die zijn onderzocht, Den Haag, Leeuwarden, Groningen en Rotterdam. De lokale overheden waren, in navolging van de landelijke overheid, van mening dat de aan de Joodse gemeenschap toegebrachte schade niet door de Nederlandse autoriteiten, maar door toedoen van de Duitse bezetter was ontstaan. Daarnaast beriepen de lokale overheden zich op de Nederlandse herstelwetgeving. Hierin werden alle anti-Joodse maatregelen na de bevrijding in 1945 met terugwerkende kracht nietig verklaard. Dat betekende dat Joodse huiseigenaren ook tijdens de bezetting formeel eigenaar waren gebleven, met alle verplichtingen die daarbij hoorden, zoals het betalen van de erfpachtcanon. De Joodse eigenaren dienden de eventuele schade zelf op de oorlogskopers of -beheerders te verhalen. Amsterdam en andere gemeenten zagen hierin voor zichzelf geen rol weggelegd.

Openstaande rekeningen beperkt zich niet tot een analyse van het beleid. Het boek maakt de mensen zichtbaar die door dit beleid getroffen werden en daar niet zomaar mee akkoord gingen. Teruggekeerde Joodse huiseigenaren betaalden de erfpachtboetes dikwijls pas na fel en herhaaldelijk protest. Ook al bleef dit protest binnen de muren van advocatenkantoren en het gemeentehuis, de stemmen klinken luid en weerspreken het beeld van de ‘passieve’ vervolgden dat in Amsterdam en elders als norm werd gepresenteerd, bijvoorbeeld in de beeldencollage van het Monument van Joodse erkentelijkheid.

Ook in Den Haag werd geprotesteerd, maar hier betrof de verontwaardiging vooral de heffing van straatgeld. Het invorderingsbeleid leidde tot conflicten die tot aan de Hoge Raad werden uitgevochten. In Den Haag werden bovendien ook heftige discussies in de gemeenteraad gevoerd over de verplichting om de achterstallige erfpachtcanon te betalen. Tegen de teneur in dat subjectieve factoren niet mochten meewegen, stelde het communistische raadslid Van Praag dat deze kwestie met ‘een zekere bewogenheid’ behandeld moest worden. Het stak, aldus van Praag, dat de gemeente tijdens de bezetting ‘uit gebrek aan moed of door welke omstandigheden ook, geen sterke maatregelen [….]  heeft willen nemen’ maar nu ‘wel de moed en de durf vindt’ om ‘de slachtoffers van die Duitse bezetting’ lastig te vallen. Hij vond dat de gemeente de niet betaalde canon als verliespost moest nemen. Uiteindelijk hebben de discussies in de Haagse gemeenteraad niet tot een verandering in het invorderingsbeleid van de eigen ambtenaren geleid. Ook in Amsterdam heeft de gemeenteraad het ambtelijke beleid niet kunnen of willen veranderen.  

Via de protesten sijpelden de verschrikkelijke ervaringen van de teruggekeerde Joden door in droge opsommingen van datgene wat zij verloren hadden. Toch leidde, zoals gezegd, geen van de protesten tot een heroverweging van het beleid van de gemeenten die zijn onderzocht. Dit betekent niet dat er geen twijfels bestonden over het gevoerde invorderingsbeleid. Eén van de interessante resultaten van het onderzoek is dat die twijfels naar boven zijn gekomen. Waarom is daar indertijd niet meer naar geluisterd?

De onderzoekers Hinke Piersma en Jeroen Kemperman stellen dat daarvoor meerdere verklaringen zijn. Allereerst voelden gemeenten zich, zoals gezegd, niet verantwoordelijk voor de financiële schade die als gevolg van de ontrechting van de Joden was ontstaan. Omdat gemeenten bovendien kampten met grote financiële tekorten, werden de gevolgen van die ontrechting en vervolging steevast binnen het raamwerk van de consequenties voor de gemeentekas bediscussieerd. Ook is van belang dat de gemeenten handelden vanuit een nationaal gedragen wederopbouwethos, waarbij gedacht werd vanuit het collectief, en niet vanuit het individu. Dit ethos verklaart mede waarom lokale overheden in navolging van het landelijke beleid besloten om geen speciale voorzieningen te treffen voor de Joden.

De gevolgen van de onmacht om met de spoken uit het verleden om te gaan zijn tot op de dag van vandaag voelbaar. Bijvoorbeeld omdat de gemeente er na de oorlog voor koos om een groot deel van wat er nog over was van de oude Jodenbuurt onder de sloophamer te laten vallen. Nadat de bewoners in de loop van 1942 en 1943 hun woning hadden moeten verlaten, waren veel van deze lege huizen als gevolg van roof en verwaarlozing dusdanig vervallen, dat na de oorlog niets anders restte dan sloop. Een aantal van die huizen was tijdens de bezetting door de gemeente opgekocht en doelbewust verwaarloosd. De gemeente kocht die huizen namelijk omdat ze op plekken stonden die bestemd waren voor afbraak met het oog op stadsanering en verbetering van de verkeersdoorstroming. Dat gold bijvoorbeeld voor panden aan de Utrechtsestraat, maar ook voor panden in de Jodenbuurt. Aankoop van dit besmette onroerend goed was veel goedkoper dan de dure onteigeningsprocedures die anders nodig zouden zijn om tot sloop te kunnen overgaan. Weer wogen zakelijke afwegingen voor de gemeente dus het zwaarst.

Openstaande rekeningen  laat zien dat deze hardheid hoort bij een attitude die zich het meest pregnant uitte in het optreden van de Dienst Publieke Werken van de gemeente Amsterdam. Terwijl bijvoorbeeld de Dienst Belastingen bereid was om inzake de invordering van niet betaald straatgeld in bepaalde gevallen soepelheid te betrachten, hield Publieke Werken bij de erfpacht strak en stijf vast aan het boetebeleid door te verwijzen naar het zakelijke karakter van het erfpacht. Om die reden moest geen onderscheid worden gemaakt volgens ‘allerlei subjectieve criteria’, zoals de directeur van de Dienst Publieke Werken W.A. de Graaf schreef naar aanleiding van een protest van huiseigenaar J. Schrijver.

De Graaf was tussen 1926 en 1947 Directeur van de door anderen als ‘irriterend hooghartig’ gekenschetste Dienst Publieke Werken. Daarmee is hij de verpersoonlijking van de continuïteit in het stadsbestuur, want terwijl na de oorlog een compleet nieuw stadsbestuur aantrad, bleven de directeuren van de Diensten gewoon zitten. Onder De Graaf werd Publieke Werken volgens sommigen een ‘staat in de staat’, waarin een wethouder niet meer was dan een incident. Niet alleen de stijl van nieuwe professionele topambtenaren als De Graaf was zakelijk en onpersoonlijk, ook hun beleidsplannen ademden een koele sfeer van vooruitgang, met typerende begrippen als ‘sanering’, ‘openbreken’, ‘doorstroming’.

Natuurlijk was naoorlogs Amsterdam hierin niet uniek. Ik zelf woon in een oud huis in de Alkmaarse binnenstad dat in de jaren 1960 had moeten plaatsmaken voor een brede verkeersweg die er nooit gekomen is. Amsterdam had echter wel een unieke oorlogsgeschiedenis, met enerzijds de Februaristaking en anderzijds het zeer hoge aantal weggevoerde en vermoorde Joden. De passages in Openstaande rekeningen die gaan over de in juni 1946 aangekondigde plannen van de gemeente om de voormalige Jodenbuurt te slopen treffen daarom des te meer. Het stadsbestuur meende dat er geen sprake kon zijn van het op identieke wijze herbouwen ‘van wat verloren is gegaan’, omdat daaraan te veel bezwaren kleefden van ‘socialen, stedebouwkundigen en verkeerstechnischen aard’. De gelegenheid moest worden aangegrepen om de buurt uit ‘haar sfeer van onaanzienlijke achterbuurt’ op te heffen ‘tot een waardig element van onze binnenstad’, aldus het Basisplan vernieuwing voormalige Jodenbuurt. Dat ging nog niet zonder slag of stoot: zo duurde het tot 1959 voordat de gemeente eindelijk tot een bevredigende regeling kwam met de erven van Cohen de Lara, die een pand aan de Joden Houttuinen bezaten. Pas begin jaren 60 werden de Joden Houttuinen gesloopt. Tot die tijd, en ook nog daarna, was het hart van Amsterdam een leeg hart, met kaalslag, dichtgespijkerde huizen en hier en daar een bewoonbaar pand.

Het bestuur van de gemeente Amsterdam zetelt vandaag de dag dus op een beladen plek in de binnenstad. De open zenuw waar Van der Laan over spreekt loopt als het ware onder het stadhuis door. Vreemd genoeg hebben de  acties tegen de bouw van de metro en de bouw van de Stopera de aandacht afgeleid van het Joodse verleden van dit deel van de stad. Al hebben ze er wel voor gezorgd dat de Sint Anthoniebreestraat niet is verbreed. Daardoor stuit de verkeerstroom die van Oost naar Centrum gaat tegenwoordig na de ruime, verbrede Jodenbreestraat, opeens op de kleine schaal van de vooroorlogse Joodse wijk.

Openstaande Rekeningen  draagt er hopelijk toe bij dat de Joodse inwoners van Amsterdam en andere gemeenten opnieuw herinnerd worden. Ik dank de gemeente Amsterdam en in het bijzonder burgemeester Van der Laan voor het vertrouwen in het NIOD. Ik hoop dat de samenwerking tussen de stad Amsterdam en het NIOD in de toekomst blijft bloeien.

20 november 2015

Marjan Schwegman

Directeur NIOD