Achtmaal geclaimd: onderzoek naar generieke objecten in de context van restitutie

23 oktober 2026

·

Bericht

·

8 minuten

Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, NK927-A1-2

Inleiding

In 2025 kreeg het Expertisecentrum Restitutie het verzoek om onderzoek te doen naar de herkomst van een set Chinees porselein met bloemmotieven. De set, bestaande uit zes kopjes en tien schotels, dateert uit het eerste kwart van de 18e eeuw. Aanleiding voor het onderzoek was een verzoek om restitutie van de objecten, die deel uitmaken van de Nederlands Kunstbezit-collectie (NK-collectie), bestaande uit kunstwerken met een geschiedenis die verbonden is met de Tweede Wereldoorlog. Een complicerende factor bij dit onderzoek is dat dergelijke kopjes en schotels op grote schaal zijn geproduceerd. Meerdere Joodse mensen van wie tijdens de oorlog kopjes en schotels geroofd waren, herkenden de betreffende objecten na de oorlog dan ook als hun eigendom. Aan de hand van deze objecten belicht deze blog de dilemma’s die komen kijken bij het onderzoeken van generieke voorwerpen in de context van restitutieverzoeken.

Disclaimer

Deze blog is geschreven door onderzoekers van het Expertisecentrum Restitutie (ECR) van het NIOD. Het ECR doet wetenschappelijk onderzoek naar roofkunst en onteigening van cultureel bezit. Ook doet het ECR onafhankelijk herkomstonderzoek op verzoek van de Restitutiecommissie, de Commissie Koloniale Collecties of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Het ECR of het NIOD geven echter geen adviezen over restitutiezaken.

Teruggevoerde kopjes en schotels

Over de geschiedenis van de kopjes en schotels is niets bekend, behalve dat ze hoogstwaarschijnlijk kort na de oorlog uit Duitsland naar Nederland zijn teruggevoerd. De objecten werden aanvankelijk beheerd door de Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK), die door de Nederlandse overheid belast was met het opsporen en terughalen van kunst die tijdens de bezetting van Nederland in vijandelijke handen was geraakt. De geschiedenis van deze kunstobjecten loopt uiteen en omvat zowel vrijwillige verkopen als eigendomsverlies als gevolg van vervolging door het naziregime.

Het is niet bekend onder welke omstandigheden de betrokken kopjes en schotels verloren zijn; het kan zijn dat ze verkocht zijn door een reguliere antiekhandel, of dat ze geroofd zijn van een Joodse eigenaar. De recuperatie van reguliere huisraad werd beschouwd als een onmogelijke taak, al voelde de SNK zich verplicht om te voldoen aan de verwachting ‘dat wij een ernstige poging doen ook deze objecten terug te vinden’.

Na de oorlog werden er duizenden objecten naar Nederland teruggevoerd. Vanaf 1948 werd het ministerie van Financiën verantwoordelijk voor de restitutie van gerecupereerde objecten die geroofd waren of op andere wijze onvrijwillig uit het bezit van hun voormalige eigenaren of diens erfgenamen waren geraakt. In het geval van de kopjes en schotels werd er onderzoek gedaan naar aanleiding van meerdere restitutieverzoeken.

Acht tegenstrijdige claims

In 1950 waren de porseleinen kopjes en schotels te zien op een tentoonstelling die georganiseerd was door de SNK. Dergelijke tentoonstellingen werden georganiseerd in een poging om onvrijwillig verloren objecten met hun voormalige eigenaren te herenigen door mensen de gelegenheid te bieden om hun eigendom te herkennen. Bij deze gelegenheden kwam het vaak voor dat meerdere mensen hetzelfde object herkenden als hun eigendom, vooral in het geval van toegepaste kunst zoals meubels en keramiek. Dat gebeurde ook met de kopjes en schotels. Omdat ze een vrij veel voorkomend ontwerp hadden, werden de kopjes en schotels door maar liefst acht bezoekers herkend als hun voormalig eigendom. De pogingen van deze mensen om fragmenten van hun voormalige levens terug te krijgen, geven een beeld van hun omstandigheden en de dilemma’s die daardoor ontstonden.

‘De kopjes zijn uit het bezit van wijlen mijn grootmoeder, wier enig erfgenaam ik ben, geraakt […]’, zo schreef een bezoeker naar aanleiding van de tentoonstelling. Al haar bezittingen werden tijdens de oorlog geroofd. ‘Het is zeer wel mogelijk maar voor mij niet zeker, dat deze kopjes en schoteltjes aan mijn vader behoord hebben’, stelde een andere bezoeker, wiens vader in augustus 1942 gedwongen werd zijn woning te verlaten met achterlating van zijn inboedel.. De objecten werden ook herkend door een vrouw die samen met haar echtgenoot een antiekhandel in Amersfoort had. Nadat ze waren ondergedoken op een boerderij, werd alles uit hun winkel weggehaald. Op 18 april 1945, slechts een paar weken voor de bevrijding, werden ze door de SS ontdekt. Haar man werd achter het kippenhok gefusilleerd. Zij wist te ontsnappen met hun twee kinderen. Ze was weinig hoopvol ten aanzien van de uitkomst van haar restitutieverzoek: ‘Toen mijn man voor mijn eigen oogen werd gefusilleerd moest ik mij ook er bij neerleggen en dat zal ik nu misschien ook wel.’

Veel van de mensen die een claim indienden gaven aan zich bewust te zijn van de bijbehorende problematiek. Een van hen kon de voorwerpen niet identificeren maar zei: ‘Ik kan mij echter niet indenken, dat een ander dat, voor deze vrij veel voorkomende dingen, wel kan.’  Na een briefwisseling over en weer werd duidelijk dat de situatie onmogelijk was: ‘[ik] wens U sterkte toe bij het Salomo’s oordeel, dat U zult moeten vellen…’. Een andere bezoeker schreef over zijn ervaringen tijdens de tentoonstelling: ‘Toen ik de tentoonstelling voor de eerste keer bezocht heb ik bezoekers tegen elkaar horen zeggen, “zie je wel, dat is van ons”, bij een tweede bezoek hoorde ik weer hetzelfde van anderen, het waren dezelfde voorwerpen die ik ook heb geclaimd’.

De autoriteiten stonden dus voor een bijna onmogelijke situatie: wat te doen als meerdere mensen, die allen duidelijk onder het naziregime hadden geleden, om restitutie van hetzelfde object verzochten terwijl er geen verifieerbare informatie over de objecten beschikbaar was? De SNK probeerde aanvullende informatie in te winnen, zowel bij de indieners van de claims als uit het archief van de Duitse roofinstelling Liro-Sarphatistraat. De informatie uit het Liro-archief bevestigde dat veel van de verzoekers inderdaad gedwongen waren geweest aardewerk in te leveren, maar de beschikbare informatie over de objecten was zo summier dat identificatie nog steeds onmogelijk bleef.

Gezien de omstandigheden reageerden de meest verzoekers rationeel op de moeilijkheden rondom identificatie: ‘Ik begrijp Uw moeilijkheden voor gevallen als deze volkomen, - weet er echter geen oplossingen voor […]’, schreef een verzoeker.  Een andere stelde: ‘Wel kan ik U onder eede verklaren dat ik precies hetzelfde voorwerp dat ik geclaimd heb, ook gehad heb, maar niet dat het voorwerp dat op de tentoonstelling in het Rijksmuseum was, uit mijn bezit afkomstig is. En dat kan niemand, wat het porselein betreft.’ Een van de verzoekers was meer verontwaardigd en gaf aan dat hij het er niet mee eens was dat zijn claim terzijde werd gelegd, ‘zoolang mij niet verklaard wordt, dat U van andere zijde meer overtuigende claims toegezonden kreeg en daarop de goederen anderen toewijst, of wel, dat het lot beslist heeft.’

De reacties tonen de omvang van het lijden onder het naziregime. Elke verzoeker had te maken met het verlies van familieleden, roof van bezittingen en terreur. Velen van hen gaven een gedetailleerde beschrijving van hun persoonlijke ervaringen. Een van de verzoekers schreef een emotionele brief waarin ze haar strijd beschreef om enkele stukjes van haar verwoeste leven weer bij elkaar te rapen: ‘Wij zijn het zoo gemakkelijk kwijt geraakt en het brengt de grootste moeilijkheden met zich mee om het weer terug te kunnen krijgen.’ Het feit dat zoveel mensen de kopjes en schotels als hun eigendom hebben geïdentificeerd is een afspiegeling van de schaal van de vervolging, de verliezen die ermee gepaard gingen en de moeilijkheden om stukken van die verwoeste levens weer terug te krijgen.

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, NK927-F1-2

Een onmogelijke taak

Na de oorlog heeft de Nederlandse overheid duizenden antieke voorwerpen die in vijandelijke handen waren geraakt gerecupereerd, vaak in grote hoeveelheden tegelijk. Bepalen welke van deze objecten onvrijwillig waren verloren om de oorspronkelijke eigenaren zo in de gelegenheid te stellen ze terug te krijgen, bleek vaak bijna onmogelijk. Informatie die nodig was voor het bepalen van eigenaarschap was verloren gegaan als gevolg van het naziregime. Uiteindelijk moesten de autoriteiten beslissingen nemen op basis van de informatie die voorhanden was. In het geval van de kopjes en schotels werd geconcludeerd dat er onvoldoende informatie beschikbaar was om vast te stellen dat de objecten oorspronkelijk hadden toebehoord aan een van de indieners van een claim.

Eind jaren ’90 vond een verschuiving plaats in het perspectief op de naoorlogse inspanningen rondom het recupereren en restitueren van kunst. Het feit dat de indieners van claims na de oorlog door de autoriteiten waren gevraagd om aanvullende informatie te verstrekken werd beschouwd als ‘harteloos’ en ‘bureaucratisch’. Hoewel het nodige is aan te merken op de naoorlogse restitutie-inspanningen, blijkt uit de bovenstaande verhalen dat het verloop en de uitkomst van restitutieverzoeken niet alleen werd bepaald door inzet of interesse. Het laat eerder zien dat de autoriteiten zich voor problemen gesteld zagen die ze niet konden oplossen.

Het verstrijken van de tijd heeft geen oplossingen voor deze problemen gebracht. Bij veel hedendaagse restitutiezaken blijft identificatie een heet hangijzer. Bij een aanzienlijk deel van de afgewezen restitutieclaims gaat het om een object dat lijkt op bezit dat door de verzoeker zelf of diens familie is verloren. Dit geldt met name voor generieke voorwerpen. Het onderzoek van het ECR naar de herkomstgeschiedenis van de kopjes en schotels heeft niet geleid tot identificatie van hun voormalige eigenaar. Vaak lopen we vandaag alsnog tegen dezelfde beperkingen aan als de autoriteiten direct na de oorlog.

Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, NK927-E1-2

Bronnen

  • ​Nationaal Archief, Archief Stichting Nederlands Kunstbezit (SNK), toegang 2.08.42, inventarisnummers 139, 145, 148, 149, 154, 158 & 628 
  • ​Eelke Muller en Helen Schretlen, Betwist Bezit: de Stichting Nederlands Kunstbezit en de teruggave van roofkunst na 1945 (Zwolle 2002) p. 52 

Geschreven door:

Meld je aan voor de nieuwsbrief

Blijf elke maand op de hoogte van nieuwe publicaties, evenementen en meer.

 
 

NIOD

Herengracht 380

1016 CJ Amsterdam

Openingstijden studiezaal

Di - Vr: 09:00 - 17:30 uur

Gesloten op maandag

Let op:

Het NIOD zelf is op maandag gewoon geopend.

Archiefmateriaal schenken aan het NIOD?