Seksueel geweld in de Nederlandse interneringskampen voor collaboratieverdachten 1944-1947
Longread over seksueel geweld in de Nederlandse interneringskampen.
13 oktober 2026
·
Longread
·
61 minuten

Let op: deze longread kan als schokkend worden ervaren
Onderstaande tekst bevat beschrijvingen van seksueel geweld. Die kunnen als schokkend worden ervaren en trauma oproepen.
Heb je zelf te maken gehad met seksueel onwenselijk contact en wil je daar over praten? Het Centrum Seksueel Geweld kan je helpen. Je kunt gratis en anoniem met ze bellen en chatten. Bel 0800 0188 of ga naar centrumseksueelgeweld.nl.
Wil je naar aanleiding van dit onderzoek met iemand praten over eigen herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog en de periode erna, of de ervaringen van familieleden? Neem dan contact op met het Contactpunt Naoorlogse Generaties van het ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum. Zij zijn op werkdagen telefonisch beschikbaar tussen 9-12 uur op 088 330 51 50. Zij zijn ook per e-mail beschikbaar via cng@arq.org.
Beelden van het kaalscheren van meisjes en vrouwen zijn inmiddels vast onderdeel van de bevrijdingsgeschiedenis. Veel minder bekend is met welk geweld zij te maken kregen na hun arrestatie, toen duizenden van hen werden vastgezet in interneringskampen voor collaboratieverdachten. In tientallen van die kampen kwamen verkrachtingen, sadistische martelingen, gedwongen ontkleding en publieke vernederingen voor. In 1950 zijn bijna tweehonderd slachtoffers en getuigen van dit seksuele geweld verhoord in het kader van de Parlementaire Enquête. De verslagen daarvan zijn echter nooit door de Enquêtecommissie gebruikt, en vervolgens meer dan een halve eeuw buiten de openbaarheid gebleven. Ze bieden een unieke inkijk in de specifieke aard en de algemene mechanismen van het seksuele geweld in de interneringskampen, en in seksueel geweld in het algemeen.
Op 21 augustus 1945 werd een jonge vrouw uit Den Bosch vrijgelaten uit het interneringskamp waar ze bijna tien maanden had vastgezeten. Ze was die zomer net eenentwintig jaar geworden. In oktober 1944 was ze gearresteerd, tijdens de bevrijding van Den Bosch, omdat ze tijdens de bezetting ‘omgang met Duitsers’ had gehad. Eerst had ze in Kamp Vught gezeten, dat meteen na de bevrijding werd omgebouwd tot een detentiekamp voor collaborateurs, daarna in kamp Ravenbosch, vlakbij Valkenburg.
Haar moeder had in februari ‘45 een brief geschreven waarin ze om de vrijlating van haar dochter had gesmeekt. Haar dochter was nog minderjarig geweest toen ze met de Duitse soldaten was uitgegaan. ‘Het was nog zoo’n kind. Ze heeft nooit iemand verraden, nooit voor de Wehrmacht gewerkt, nooit bij de een of andere partij geweest.’ Zeven buurtbewoners stuurden nog een afzonderlijke pleitbrief, ‘dat U Geachte Heeren de zaak van dit meisje wil onderzoeken en dat zij zoo gauw mogelijk aan haar Ouders teruggegeven mag worden.’
Het zou nog een half jaar duren voordat de districtscommissaris van het Militair Gezag, dat in de bevrijde gebieden namens de uitgeweken Nederlandse regering optrad, de zaak nader zou bekijken. Op 6 augustus 1945 stelde de onderzoeker voor het Militair Gezag een rapport op waarin hij meldde dat het meisje ‘sexueel verkeer’ had gehad met zo’n twintig Duitse soldaten. Ze had in 1942 en ’43 ook nog een tijdje in een Duitse speelgoedfabriek gewerkt, ‘Naar ik kan aannemen, om nog wat vrijer te kunnen vrijen!’ voegde de rapporteur er schamper aan toe. Toch viel de conclusie van het rapport gunstig voor haar uit, opvallend genoeg juist omdat haar seksuele contacten zo vluchtig waren geweest: ‘Ik acht nauwe geestelijke relaties met den vijand of het N.S. niet aanwezig en stel U voor de interneering op te heffen.’ Deze conclusie werd twee weken later overgenomen in het officiële besluit tot vrijlating: ‘op grond dat van nauwe geestelijke relaties met den vijand en het Nationaal-Socialisme niets is gebleken’.
In de loop van het voorjaar en de zomer van 1945 werd van tientallen vrouwen die vastzaten in interneringskampen nagegaan of hun relaties met Duitse soldaten puur en alleen om seks hadden gedraaid, of dat er ook een ‘geestelijk’ aspect had meegespeeld. Dat was, zo staat in al die rapporten van de Militair Commissarissen te lezen, in directe navolging van de richtlijnen die de Chef Staf van het Militair Gezag op 27 januari 1945 had opgesteld. Vrouwen die relaties met Duitse militairen hadden gehad maar verder geen sympathie voor het nazibewind hadden getoond, dienden, tenzij ze een ‘reëel militair gevaar’ vormden, ‘terstond vrijgelaten’ te worden.
Schandstraffen
Seksuele relaties met Duitsers waren in principe niet strafbaar, ook niet volgens de noodwetgeving voor de bestraffing van collaborateurs die de Nederlandse regering in de Koninklijke Besluiten voor de Bijzondere Rechtspleging had vastgelegd. De strafbare feiten die daarin werden genoemd, draaiden om hulpverlening aan de vijand en het verraden van medeburgers. Seks met Duitsers viel daar niet onder, behalve als dat met hulp of verraad gepaard was gegaan.
Daar dacht een groot deel van de bevolking anders over. Verspreid over het land werden tijdens de bevrijding meisjes en vrouwen die van relaties met Duitsers verdacht werden naar een plein of straathoek gebracht, waar ze met een schaar of scheermes werden geknipt en geschoren. Daarna werden ze vaak met menie of teer besmeurd, soms in de vorm van een hakenkruis, en voor het joelende publiek tentoongesteld. Onder de ‘moffenmeiden’ of ‘moffenhoeren’, zoals ze werden genoemd, werden ook vrouwelijke NSB-leden gerekend, of meisjes die lid waren geweest van de Jeugdstorm. Ook zij werden als ‘overspelig’ gezien, net als de meisjes en vrouwen die relaties met Duitsers hadden gehad. Welke groepen hier het initiatief in namen verschilde per plaats: soms waren het arrestatieploegen van de Binnenlandse Strijdkrachten die zich weinig aantrokken van de officiële richtlijnen, soms waren het spontane acties van de bevolking.
Het kaalscheren was een vorm van openbare afstraffing die honderden jaren oud was. Overspeligheid gold van oudsher als een overschrijding van de culturele en religieuze normen waar voornamelijk vrouwen ernstig voor bestraft werden. Vanaf de late Middeleeuwen bestaan er schriftelijke bronnen van kaalscheren en andere ‘schandstraffen’ voor het overtreden van de zedelijke normen. De schandpaal of brandmerking waren andere varianten, die vaak in geval van diefstal werden toegepast. Toen de democratische rechtsstaat in de loop van de negentiende eeuw gaandeweg gestalte kreeg, was er aan dit soort praktijken een eind gemaakt, maar in tijden van oorlog en maatschappelijke instabiliteit – en de afwezigheid van functionerend overheidsgezag – doken ze in verschillende Europese landen regelmatig weer op, bijvoorbeeld tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Bekijk de video vanaf 2:19.
In Nederland ging de bevrijding gepaard met een oorlog die ruim een half jaar het land in tweeën deelde, en een regering die pas vanaf eind mei 1945 weer ter plekke was en die haar gezag moest herwinnen. Vanaf mei 1945 had het Nederlandse overheidsapparaat nog maanden nodig om weer enigszins te kunnen functioneren. En in de eerste fase na de bevrijding was het op veel plekken nog onduidelijk welke instantie bevoegd was om op te treden. Het was in deze periode en temidden van deze chaotische omstandigheden waarin de volksgerichten tegen collaboratieverdachten plaatsvonden. Die waren opvallend vaak gericht tegen vrouwen. In veel van de steden en dorpen die werden bevrijd hoorden zij tot de eersten die gearresteerd werden, nog voordat de mannelijke collaboratieverdachten werden opgepakt, terwijl die vaak veel ernstiger delicten hadden gepleegd.
Vanuit Londen had de uitgeweken Nederlandse regering nog wel geprobeerd om de arrestaties van collaborateurs in goede banen te leiden. In september 1944 had de Chef-Staf van het Militair Gezag Algemene Lastgevingen afgekondigd met instructies voor de arrestaties, en welke groepen daarvoor in aanmerking kwamen, zoals SS’ers, NSB’ers en leden andere nazi-organisaties. Meisjes en vrouwen die relaties met Duitsers hadden werden daarin niet genoemd. Dat maakt het des te opvallender dat de volkswoede tijdens de bevrijding zich zo fel richtte tegen een groep die – helemaal vergeleken met andere categorieën van collaborateurs – weinig tot geen schade aan anderen hadden veroorzaakt, laat staan dat ze het verloop van de oorlog had beïnvloed.
Dit gebeurde niet alleen in Nederland. In Frankrijk werden tijdens de bevrijding zo’n twintigduizend vrouwen kaalgeschoren, niet zozeer omdat ze sympathie voor het nazisme hadden betoond – bij nog geen tien procent van de kaalgeschoren vrouwen was dat het geval – maar bovenal omdat ze seks hadden gehad met Duitsers, of daarvan werden verdacht. ‘Horizontale collaboratie’, werd het genoemd. Dat seksuele relaties met Duitsers door de bevolking als een vorm van collaboratie werd behandeld, maakte dat de afstraffing daarvan steeds meer ging voelen ‘als een vorm van verzet,’ observeerde de Franse historicus Fabrice Vigili, waardoor velen – en dan met name de jonge mannen onder hen – zich met terugwerkende kracht toch nog verzetsstrijders konden wanen. Vigili omschreef het kaalscheren als een ‘symbolische manier om af te rekenen met een gehate vijand,’ maar ook als een ritueel om de toekomst te zuiveren van de smetten van het verleden en de vernedering van de verloren oorlog en het geknakte mannelijke zelfbeeld af te zweren.’
In Vlaanderen ging de bevrijding gepaard met spontane uitbarstingen van straatgeweld, waarbij de focus van de agressie evenzeer op vrouwelijke overspeligheid kwam te liggen. ‘Het lichaam van vrouwen die van seks met de vijand verdacht werden, werd het intenst en het langst blootgesteld aan het bevrijdingsgeweld,’ constateerde historicus Antoon Vrints.

In Nederland had het kaalscheren een vergelijkbaar misogyn en ritueel karakter. Historica Monika Diederichs bracht in haar boek Wie geschoren wordt, moet stilzitten de arrestaties van vrouwen tijdens de bevrijding in kaart en concludeerde dat het kaalscheren ‘duidelijk een georganiseerde en gestructureerde gebeurtenis’ was. Het ging verder dan alleen het afstraffen en vernederen van vrouwen die in de ogen van de gemeenschap zich verkeerd hadden gedragen. ‘Door hun keuze voor een Duitser pleegden zij als het ware nationale echtbreuk,’ verklaarde Diederichs, ‘en beroofden zij zodoende de natie van het ‘juiste’ nageslacht.’ Dat lag gevoelig, helemaal in tijden van oorlog, observeerde journalist Rianne Oosterom in haar boek Moffenmeiden. De Deense historica Anette Warring, die onderzoek deed naar Deense vrouwen die relaties met Duitser hadden gehad, concludeerde dat het hier ging om een soort terugvordering van het lichaam van vrouwen, en van hun seksualiteit, die werden gezien als ‘nationaal eigendom’.
Oorlogssituaties hebben in de loop van de geschiedenis veel vaker voor een verscherping van de patriarchale orde en van de seksuele verhoudingen gezorgd. Militarisering van de samenleving gaat gepaard met ideeën over masculiene daadkracht en overheersing, en over vrouwelijke puurheid en inschikkelijkheid. De mannen vechten om de vrouwen te verdedigen, daar komt de voorstelling van zaken op neer. De grootschalige verkrachtingen en andere vormen van seksueel geweld in oorlogssituaties zijn te begrijpen als manifestaties van de fysieke overheersing van de overwinnende troepen en de vernedering van de overwonnen bevolking.
De Nederlandse situatie tijdens de bevrijding verschilde in die zin van andere oorlogen dat de vijand niet door het eigen leger werd verdreven, maar door geallieerde troepen. Met het wegvluchten van de Duitse bezettingsmacht was er geen overwonnen vijand meer ter plekke; de enigen die nog binnen bereik waren, waren de landgenoten die met de vijand hadden geheuld. De overwinningsroes die veel Nederlanders tijdens de bevrijding voelden – veelal zonder dat ze zelf gevochten hadden – vertoonde trekken van eenzelfde soort overheersingsdrang die zich in andere oorlogen laat gelden, alleen richtte die zich nu voornamelijk op collaborateurs, en in de eerste fase van de bevrijding opvallend vaak op de vrouwen onder hen. Het afscheren van hun haren was een van de uitingen daarvan: een manier om hun lichamen toe te eigenen en weer onderdeel te maken van de nationale orde.
De grootschalige verkrachtingen en andere vormen van seksueel geweld in oorlogssituaties zijn te begrijpen als manifestaties van de fysieke overheersing van de overwinnende troepen en de vernedering van de overwonnen bevolking.
Nationale terugvordering
In de loop van de bevrijding werd het duidelijk dat de schandbestraffing van de ‘moffenmeiden’ op veel plekken zich niet beperkte tot relaties met Duitsers, of met mannen van andere nationaliteiten. Nederlandse meisjes en vrouwen die tijdens de bevrijding relaties met Canadese, Britse en Amerikaanse militairen aanknoopten, werden eveneens mikpunt van spontane volksgerichten. Eind 1944 meldde het Amerikaanse legerblad Stars and Stripes dat er kaalscheringen hadden plaatsgevonden van Nederlandse vrouwen die met Amerikaanse soldaten waren gesignaleerd. In september 1945, probeerde een groep Utrechtse jongemannen Nederlandse meisjes kaal te scheren die verkering hadden met Canadese soldaten. Het leidde tot heftige vechtpartijen met de Canadezen, die hun vriendinnen wilden beschermen.

In de meidagen van 1945 stonden de Nederlandse kranten vol waarschuwingen om de zedelijkheid van het land te beschermen. ‘De toekomst van ons volk hangt af van de eer van de Nederlandse vrouw,’ opende een voorpagina-artikel van de Volkskrant op 12 mei, waarin de commentator waarschuwde voor losbandigheid tijdens de bevrijdingsfeesten en ‘de roes van de eerste rit bovenop een tank’. Het sociaaldemocratische weekblad Paraat wees op de stijging van het aantal geslachtsziekten na de bevrijding, ‘die ons volk jarenlang zorgen zal baren. (…) De ouders moeten hun dochters leren, dat zij ‘neen’ moeten zeggen tegen een Canadees’.
In zijn rubriek voor het Parool hekelde columnist Corn. J. Jansen het frivole gedrag dat hij bij sommige vrouwen bespeurde: ‘Aan dezelfde tafeltjes en op dezelfde stoelen waar ze vroeger zaten te luisteren naar het zwijmelende dweepzieke geteem van den een of anderen sentimenteelen halfdronken Pruis, maken ze nu gekheid met de Engelsche en Canadese soldaten! (…) Waarom worden ze niet allemaal stuk voor stuk kaalgeknipt, zoals dat in andere plaatsen gebeurd is.’
Niet iedereen liet zich door dit soort sentimenten meeslepen. Sommige mensen stoorden zich aan de vernederende manier waarop de ‘moffenmeiden’ werden behandeld en vroegen aan de plaatselijke autoriteiten of ze hier een eind aan wilden maken. In het communistische tijdschrift De Rode October vroeg een commentator zich af waarom dit soort wraakacties alleen bij vrouwen plaatsvonden: ‘Vervolgt men soms ook Hollanders, omdat zij in Duitsland met een Duitse vrouw verkering hadden, of omdat zij met een Duitse prostitué op stap gingen? Men denkt er zelfs niet aan. (…) De burgerlijke moraal legt nog altijd (…) een andere maatstaf voor de vrouw dan voor de man aan.’
In oktober 1945 hield de Nederlandsche Stichting voor Statistiek een landelijk opinieonderzoek over de bestraffing van collaborateurs. Aan de deelnemers werden verschillende categorieën van collaboratie voorgelegd met de vraag hoe zwaar ze bestraft moesten worden: van ‘zeer zwaar’ tot ‘lichte straf’. Van de categorie van SS’ers en Wehrmacht-soldaten vond 92 procent van de ondervraagden dat die ‘zeer zwaar’ gestraft moesten worden. Het verraden van ‘goede Nederlanders’ viel volgens 97 procent in de zwaarste categorie. Als vijfde categorie werden ‘meisjes en vrouwen, die zich met een Duitscher hadden afgegeven’ genoemd. Van hen vond dertig procent van de ondervraagden dat zij tot de zwaarste categorie behoorden. Nog eens dertig procent vond een gemiddelde straf toepasselijk. Veertig procent vond een lichte straf afdoende. Daarmee werden ze door de respondenten als zwaardere gevallen gezien dan NSB’ers die uit ideologische overtuiging lid van de partij waren geworden, of Nederlanders die Duitsers hadden geholpen om hun baan te behouden. Veel respondenten hadden uit eigen beweging nog toegevoegd dat ze vonden dat meisjes, ‘die zich op minder oirbare wijze met de Canadezen afgeven (…) even zeer te veroordelen [zijn] als de “moffenmeiden”.’
Geruchten in de kiem gesmoord
Is het kaalscheren van de ‘moffenmeiden’ inmiddels iconisch geworden voor de schaduwkant van de bevrijding, veel minder bekend is met welk geweld duizenden gearresteerde vrouwen te maken kregen tijdens hun internering. Decennialang is dit seksuele geweld grotendeels onzichtbaar gebleven. Het vond plaats in detentiekampen voor collaborateurs, die voor het publiek, voor de media en aanvankelijk zelfs voor inspecteurs van de Rijksrecherche afgesloten bleven. Tot 1946 vielen deze kampen onder het Militair Gezag, niet onder het Ministerie van Justitie, en van deze situatie maakten de kampcommandanten veelvuldig gebruik als er onwelgevallig informatie naar buiten kwam. Klokkenluiders die naar buiten traden konden snel en effectief monddood gemaakt worden doordat het betwist werd welke instanties buiten het Militair Gezag bevoegd waren om de situatie te controleren.

Dat zorgde ervoor dat de aanhoudende berichten over seksueel geweld in een sfeer van twijfelachtigheid bleven hangen. Zo meldde de Groningse krant Ons Noorden in september 1945 dat in een aantal kampen uit de omgeving, waaronder Westerbork, ‘meer dan ergerlijke toestanden op zedelijk gebied’ hadden plaatsgevonden. De krant riep op tot ‘onderzoek naar de juistheid van de vele geruchten,’ ontslag van de bewakers die er schuldig aan waren, en ‘een strenge bestraffing van hun wandaden.’
Daar had de kampcommandant van Westerbork, luitenant J.G. Buyvoets, weinig oren naar. In een brief aan de Chef Staf van het Militair Gezag schreef hij dat het hoog tijd was om ‘paal en perk’ te stellen aan ‘de zinlooze en vaak op volkomen uit de lucht gegrepen geruchten gebaseerde verhalen en critiek in de pers.’ Elke keer dat een krant over misstanden in interneringskampen publiceerde, moesten de ‘hoogste autoriteiten kostbaren tijd gebruiken (…) om een onderzoek in te stellen, waaruit de ongegrondheid van de beweringen veelal blijkt’. Hij kon er niet anders dan een ‘hetze’ in zien om de regering en het Militair Gezag in diskrediet te brengen. Buyvoets had de hoofdredacteur van Ons Noorden opgedragen om de namen van diens bronnen te onthullen. Die had dat geweigerd. De kampcommandant stelde aan het Militair Gezag voor dat krantenredacties desnoods gedwongen moesten worden om hun publicaties van tevoren voor te leggen aan ‘de bevoegde instanties, i.c. bij U en de kampcommandanten,’ zodat die de juiste informatie konden doorgeven. Hij verwees naar een groot artikel van twee weken eerder, waarin een Nederlands-Hervormde predikant uit het nabijgelegen Drentse dorp Odoorn ook al over ernstige misstanden in Westerbork had geschreven. Deze dominee was inmiddels door de synode tot de orde geroepen. En zo had Buyvoets het ook al met een andere dominee die de noodklok luidde aangepakt. Hij raadde de bewindvoerders van het Militair Gezag aan hetzelfde te doen: ze konden contact opnemen met de Secretaris van de Synode, ‘een hoogstaand man,’ en op die manier de berichtenstroom van verontruste kamppredikanten onder controle krijgen.
De druk van de Westerborkse kampcommandant had effect: op maandag 8 oktober publiceerde Ons Noorden een rectificatie: ‘Wij betreuren het, dat wij tot het publiceeren van deze onjuiste berichten zijn overgegaan en bieden de personen, die zich terecht door deze lasterpraatjes gegriefd voelden, daarvoor onze verontschuldigingen aan.’

Eenzelfde soort ingreep vond plaats toen de Haarlemse krant De Patriot meldde dat in de
nacht van vrijdag op zaterdag 20 juli op 21 juli 1945 een ‘naaktparade’ had plaatsgevonden in het interneringskamp Duinrust: zo’n 200 vrouwen hadden zich gedwongen moeten ontkleden voor het oog van de pas aangetreden kampcommandant. Het artikel eindigde met een oproep aan de autoriteiten om de zaak te onderzoeken: ‘Wij vertrouwen er op, dat het M.G. [Militair Gezag] deze zaak, die ernstig is en die dreigt de tot nu toe gunstige reputatie van Duinrust te zullen schaden, zonder aanzien des persoons, zal onderzoeken en aanpakken.’
Ook in dit geval volgde kort daarop een verklaring in dezelfde krant, ditmaal van het
Militair Gezag, dat er niets was gebleken van een naaktparade en dat het ‘hoogst
betreurenswaardig en onverantwoord’ was om de kampcommandant zo verdacht te maken. Jaren later bevestigden verschillende getuigen dat er die nacht wel degelijk een naaktparade had plaatsgevonden in Duinrust, waarbij vrouwen ‘groepsgewijs geheel naakt’ voor de kampcommandant hadden moeten verschijnen.
Aanranding en seks voor vrijspraak
In Utrecht was aan de Plompetorengracht een bewaringskamp ingericht, waar tussen 1 augustus en 5 december 1945 zeshonderdvrouwelijke gedetineerden vastzaten. Daar kwamen in de loop van het najaar van 1945 zoveel verontrustende signalen over naar buiten, dat de Krijgsraad van het Militair Gezag besloot een onderzoek in te stellen. Uit vijftien getuigenissen van gedetineerden en kamppersoneelsleden bleek dat zeker vijf bewakers, onder wie de commandant en de wachtcommandant van de militaire Gezagstroepen, regelmatig seks hadden gehad met gedetineerden in de kelder van het pand, waar speciaal voor dat doel een matras was neergelegd. De bewakers kochten de vrouwen om met getuigschriften die ze zelf hadden geschreven, waarvan ze beweerden dat de vrouwen daarmee strafvermindering zouden kunnen krijgen als hun zaak eenmaal voor zou komen, en misschien wel vrijspraak. In zeker tien gevallen bleek dat genoeg drukmiddel voor seks. ‘Als ik door één keer gemeenschap vrij had kunnen komen, had ik dat vast en zeker gedaan,’ verklaarde een van de gedetineerden over haar medegevangenen die om die reden seks met bewakers hadden gehad.
Een aantal bewakers ging verder: ze droegen vrouwelijke gedetineerden op naar een strafkamer of een andere lege ruimte te gaan met het doel daar seks met ze te hebben. Een vrouw vertelde dat ze door een bewaker was aangerand, waarna ze was weglopen naar het trapportaal. Daar hield hij haar tegen, deed haar rokken omhoog, haalde zijn penis uit zijn broek en wilde haar penetreren, maar kwam daarvoor al klaar, over haar ondergoed en haar schoenen heen. Toen ze wegliep riep hij haar na dat hij het bij een volgende gelegenheid nog eens zou proberen.
Tijdens het Krijgsraad-verhoor ontkenden de bewakers alles. Ze zeiden dat de vrouwen alles bij elkaar hadden gefantaseerd. De commandant van de Gezagstroepen, die volgens de getuigenissen met minstens zes vrouwen seks had gehad, en zich nog aan veel meer gedetineerden had opgedrongen, suggereerde dat hij het slachtoffer van ‘wraakneming’ was. Eén bewaker gaf wel toe seks te hebben gehad op het matras in de keukenkelder. Hij had geen weerstand kunnen bieden, verklaarde hij, ‘temeer niet, omdat die vrouw het zelf uitlokte.’ Aan het eind van de 22 dicht betypte pagina’s aan verhoren, sloten de rechercheurs hun onderzoeksverslag af met de opmerking dat de verklaringen van de vrouwen mogelijk ‘niet geheel objectief’ zouden kunnen zijn, aangezien ze van de beschuldigde bewakers hadden vernomen ‘dat meerdere van deze vrouwen door bepaalde beloften, het genieten van sigaretten enz., tijdens het eerste verhoor in een bepaalde richting beïnvloed zouden zijn geworden.’

Door wie en met welk doel deze beïnvloeding zou zijn gedaan, werd niet toegelicht in het rapport. Het resultaat was evenwel dat met één vage, niet onderbouwde verdachtmaking vijftien uitvoerige getuigenissen van gedetineerde vrouwen in twijfel werden getrokken. Hun versie van de gebeurtenissen werd een paar jaar later bevestigd door het onderzoek voor de Parlementaire Enquêtecommissie, waarin onder meer een hoofdbewaakster bevestigde dat er ‘ontucht’ had plaatsgevonden ‘tussen mannelijk(e) kamppersoneel en geïnterneerde vrouwen en meisjes’. Daarnaast bleek uit andere getuigenissen dat de honderden vrouwen die in het interneringskamp aan de Plompetorengracht hadden vastgezeten aan dagelijkse fysieke vernederingen waren onderworpen, door zowel vrouwelijke als mannelijke bewakers. Gedetineerden met darmproblemen werd toiletbezoek ontzegd. ‘Ze knappen, je lacht je dood,’ had een bewaakster geroepen. Vrouwen die ongesteld waren kregen pas maandverband bij het tonen van een bebloede onderbroek. Wassen werd soms verboden, met de woorden: ‘De moffen zijn weg, dus jullie worden niet meer gebruikt, wassen is dus niet nodig.’ Het stro in de kamers, waar de vrouwen dicht tegen elkaar gepropt sliepen, werd wekenlang niet ververst, waardoor schurft en andere ziekten rondgingen. Briefkaarten van de kinderen van gedetineerden werden opzettelijk achtergehouden. De bewaarsters zeiden dat ze die hadden verscheurd. Om te voorkomen dat er informatie uit zou lekken over wat er zich binnen het kamp afspeelde werden de ramen op de kamers dichtgespijkerd, zodat er geen briefjes naar buiten konden worden gegooid. ‘De stank in den kamer werd toen ondragelijk en toen er eens inspectie uit Den Haag kwam, deinsde men terug bij het betreden van de kamer.’
De belofte van vrijlating werd ook buiten de detentiekampen gebruikt als drukmiddel voor seks. Een bewaker van het kamp aan de Amsterdamse Levantkade vertelde dat de echtgenote van een gedetineerde zich ten einde raad bij hem meldde: ze had thuis bezoek gehad van een man die zich voorstelde als rechercheur en beweerde haar man te kunnen vrij krijgen. ‘Maar mevrouwtje, voor-wat-hoort-wat,’ had hij daaraan toegevoegd. Toen ze uiteindelijk toegaf, had ze een datum doorgekregen waarop haar man vrij zou komen. Ze had bloemen klaargezet en stond met de kinderen klaar om hem te verwelkomen. Hij kwam niet.
Een Zeeuwse aalmoezenier die in het interneringskamp in Ellewoutsdijk werkte, wierp zich in 1946 op als klokkenluider van machtsmisbruik door de voorzitter van het Tribunaal in Middelburg, die aan de vrouwen van gedetineerden vrijspraak of strafvermindering van hun echtgenoten beloofde, in ruil voor seks. Dit was al maanden aan de gang, schreef hij. Hoelang werd deze man nog de hand boven het hoofd gehouden? ‘Genoeg ervan, genoeg!’ In reactie op het artikel meldde de Hoge Autoriteit voor het district Den Bosch zich binnen een week met de vraag welk bewijs de aalmoezenier had voor zijn beweringen. De aalmoezenier stuurde een brief terug waarin hij drie van zijn bronnen met naam noemde, en vertelde dat er nog meer waren. Diezelfde dag ontving hij een brief uit Den Haag, van het Directoraat-Generaal voor Bijzondere Rechtspleging (DGBR), met de mededeling dat hij uit zijn functie was ontheven en dat hem de toegang tot alle interneringskampen was ontzegd. Daarnaast had het DGBR een officiële klacht ingediend bij de Officier van Justitie te Middelburg, wegens belediging van de rechterlijke macht. Niet lang daarna werd de Middelburgse Tribunaalvoorzitter voor nog eens een jaar herbenoemd, zonder dat er onderzoek naar eventueel machtsmisbruik was ingezet.
Het onderzoek voor de Parlementaire Enquête
Het patroon om berichten over machtsmisbruik en mishandelingen in de kampen in diskrediet te brengen en de klokkenluiders de mond te snoeren, viel op veel plekken te herkennen. Verschillende kamppredikanten, advocaten, journalisten en Tweede Kamerleden die misstanden in de kampen aankaartten, ondervonden weerstand van het Militair Gezag, van kampcommandanten en het DGBR (dat viel onder het Ministerie van Justitie). Aanvankelijk, in de zomer van 1945, was het kabinet nog geneigd om de vele ernstige problemen in de interneringskampen, die varieerden van infectieziekten, tot voedseltekorten en gebrek aan slaapplekken, als één geheel op te lossen door het aantal gedetineerden drastisch in te krimpen. Door de vrijlating van tienduizenden lichte gevallen zouden volledige interneringskampen gesloten kunnen worden en onbekwaam bewakingspersoneel worden weggewerkt, waarmee ook de oorzaken van de mishandelingen en het seksuele geweld in één klap zouden verdwijnen, redeneerde men. Alleen stuitte de voorstellen voor vervroegde vrijlating op felle weerstand vanuit de media en de samenleving, met name in de hoek van het voormalige verzet. Pas vanaf het voorjaar van 1946 kwamen de procedures structureel op gang.
Berichten en geruchten over mishandelingen en seksueel geweld bleven de daaropvolgende jaren de kop op steken. In 1949 begonnen ze zo hard aan te zwellen dat de Parlementaire Enquêtecommissie, die was ingesteld om het regeringsbeleid tijdens de oorlogsjaren te controleren, zich genoodzaakt voelde de misstanden in de detentiekampen bij het lopende onderzoek te betrekken. De directe aanleiding voor die beslissing was een brochure die dat jaar was verschenen onder de titel Kamptoestanden, waarin gruwelijke martelingen en perverse mishandelingen in interneringskampen werden beschreven. Alle grote dagbladen en tijdschriften besteedden er uitgebreid aandacht aan. Binnen een paar maanden waren er veertigduizend exemplaren van verkocht. Alles wat in de brochure stond, was door de schrijver, NSB-dominee Hendrik van der Vaart Smit, zelf een gedetineerde in een van de kampen, al een jaar eerder aan de Enquêtecommissie doorgegeven. Die had er tot dan toe niets mee gedaan. Maar in het voorjaar van 1949 begon de publiciteit zulke grote vormen aan te nemen dat ze niet meer genegeerd kon worden.
In de brochure Kamptoestanden werden schokkende voorbeelden van seksueel geweld gegeven: groepsverkrachtingen, bewakers die met gummiknuppels of geweerkolven bij zwangere vrouwen binnendrongen, een bewaker die bij een meisje een borst afdraaide. De vraag die de Enquêtecommissie wilde laten uitzoeken, was ‘of zulke misstanden inderdaad hebben bestaan en zo ja, of daartegen van de zijde van de Regering krachtig genoeg is opgetreden.’
De onderzoekers van de Enquêtecommissie waren er al snel achter gekomen dat gedetineerden grote aarzeling voelden om vrijuit te praten over het misbruik door bewakers, waar ze slachtoffer of getuige van waren geweest. En ook al drukten zij hun op het hart dat het onderzoek voor de Parlementaire Enquête draaide om waarheidsvinding, en niet om strafrechtelijke vervolging van de daders, vreesden deze vrouwen voor represailles van de bewakers. Het onderwerp lag bovendien zo gevoelig dat de kans klein was dat deze vrouwen tegenover een mannelijke onderzoeker vrijuit zouden spreken. ‘Het onderzoek hiernaar behoort door een vrouw te geschieden,’ concludeerde de man die door de Enquêtecommissie was aangewezen om het onderzoek uit te voeren, Arnaud baron van Tuyll van Serooskerken.

Op 9 december 1949 stuurde Van Tuyll van Serooskerken een brief aan een van de weinige vrouwelijke politie-inspecteurs die er waren in Nederland: Johanna van Schilfgaarde, met het verzoek of zij het onderzoek naar het seksuele geweld in de detentiekampen op zich wilde nemen. Van Schilfgaarde was dat jaar zestig geworden en nét met pensioen gegaan. Ze had decennialange ervaring met jeugddelinquenten en probleemgezinnen. Begonnen in de zuigelingen- en jeugdzorg, had ze in de jaren twintig voor het politiekorps in Den Haag de afdeling ‘Kinderpolitie’ opgezet, die voor een belangrijk deel uit preventie en sociaal werk bestond. In 1937 was ze kort chef van deze afdeling geweest, om zich vervolgens met de begeleiding en controle van pleeggezinnen bezig te houden. Weinig politierechercheurs hadden zoveel ervaring in sociaal werk, en konden met empathie én overwicht in precaire situaties optreden.
Van Schilfgaarde stemde toe. Tussen januari en oktober 1950 nam ze bijna tweehonderd verhoren af van vrouwen die in detentiekampen misbruik en geweld door bewakers hadden ondervonden, of daar getuige van waren geweest. Velen van hen gaven aan het begin van het gesprek aan dat ze niet alles konden of wilden vertellen van wat ze hadden meegemaakt: het was te pijnlijk om weer op te rakelen, of ze wisten het niet meer precies, behalve hoe afschuwelijk het was geweest. Ze waren inmiddels bijna allemaal vrijgelaten en probeerden de trauma’s, de pijn, de schaamte en de vernederingen die ze in de periode van hun detentie hadden moeten ondergaan achter zich te laten. Velen waren sceptisch of het nut zou hebben om hun verhaal te doen.
Maar kennelijk was er iets in de manier waarop Johanna van Schilfgaarde het gesprek aan ging met deze vrouwen, waardoor zij toch het vertrouwen kregen om te vertellen wat zij hadden meegemaakt, voorzover ze dat nog konden en wilden oprakelen. Soms schrokken ze na afloop terug van wat ze allemaal hadden losgelaten en benadrukten dat ze niet wilden dat hun getuigenissen gebruikt zouden worden voor vervolging van de daders. Dat zou namelijk betekenen dat ze in de rechtszaal, oog in oog met hun misbruikers, nogmaals hun verhaal zouden moeten doen. Ze waren bang voor represailles en ze wilden het leven dat ze na hun detentie probeerden op te bouwen niet in gevaar brengen.
Van Schilfgaarde noteerde de voorwaarden waarmee de vrouwen hun medewerking verleenden, en legde de gesprekken die ze met hen voerde nauwgezet vast. De verhoorverslagen leverde ze in drievoud af bij de Parlementaire Enquêtecommissie.
De verhoren van Johanna van Schilfgaarde: verkrachtingen, aanrandingen, seksuele martelingen
In de gesprekken die Van Schilfgaarde met de vrouwelijke gedetineerden voerde, werd een groot deel van de geruchten, krantenberichten en klokkenluidersrapporten bevestigd: er had in de kampen op grote schaal seks tussen bewakers en gedetineerden plaatsgevonden, vaak onder druk van de bewakers die soms simpelweg vrouwen en meisjes aanwezen en meenamen, of de belofte van extra rantsoenen gebruikten – wat zeker in de fase van ernstige voedseltekorten en hongeroedeem in de kampen een effectief drukmiddel was. Een deel van de getuigen meldde concrete gevallen van gewelddadige verkrachting en aanranding, anderen zinspeelden erop, zonder er specifiek op in te willen gaan. Vrijwel alle ondervraagden maakten melding van seksuele vernederingen en sadistische mishandelingen.

Foto: Johanna van Schilfgaarde
In verschillende kampen, zoals die in Gouda, Amersfoort, Velp en Westerbork, werden vrouwen bij aankomst gedwongen om zich te ontkleden voor medische controle en het kaalscheren van hoofd- en schaamhaar. Dit ging gepaard met vernederingen en geweld. In Westerbork, dat na de bevrijding was omgevormd tot detentiekamp voor collaboratieverdachten, verklaarden meerdere getuigen dat ze een zwangere vrouw in de buik geslagen hadden zien worden onder de woorden ‘daar zit zeker een S.S.-kindje in.’ Een andere getuige vertelde dat twee zwangere vrouwen door bewakers werden gedwongen om geheel naakt op elkaar te liggen en over de grond te rollen. Weer een ander vertelde dat meisjes van de Jeugdstorm naakt moesten marcheren onder het zingen van Jeugdstormliedjes. In tientallen kampen werden vrouwen en meisjes gedwongen te antwoorden op de vraag hoe vaak ze met Duitsers naar bed waren geweest.
In Westerbork werden ’s avonds laat marechaussees binnengelaten om met de vrouwen en meisjes in het kamp seks te hebben. Na vijf maanden, in september 1945, probeerde de kampleiding hiertegen op te treden: onder de gedetineerden werden kampwachten aangewezen, die aan de huismeester moesten melden als het weer gebeurde. In Fort Erfprins in Den Helder zocht de kampleiding de oplossing in een verbod op nachtelijk toiletbezoek. In de kampen waar meisjes en vrouwen werden aangewezen om de privévertrekken van de bewakers schoon te maken, gingen standaard geruchten rond dat ze daar seks hadden met de bewakers. Het viel de andere gedetineerden op dat ze er minder uitgehongerd uitzagen dan de rest. ‘Sommige meisjes deden veel voor een boterham of een sigaret.’
Het was soms lastig onderscheid te maken tussen geruchten en valide bewijs. Van een aantal van de meest gruwelijke voorvallen die in Kamptoestanden beschreven stond, had Van der Vaart Smit de namen van de slachtoffers doorgegeven, op verzoek van de Enquêtecommissie-onderzoekers. Van Schilfgaarde probeerde ze te traceren, vaak zonder succes. In een aantal gevallen kreeg ze van de vrouwen in kwestie te horen dat het verhaal wel klopte, maar dat iemand anders het slachtoffer was geweest. Dat nam niet weg dat er genoeg andere getuigenissen waren van verkrachtingen en ander ernstig seksueel geweld: een geïnterneerde arts, die in mei 1945 in kamp De Valkhof in Nijmegen vastzat en in de ziekenzaal werkte, meldde dat de bewakers, veelal dronken, ’s nachts naar de vrouwenzaal kwamen om gedetineerden naar buiten mee te nemen, naar de gang, het trapportaal, of de tuin van De Valkhof, waar ondergrondse bunkers en loopgraven waren: ‘ik hoorde dit aan het lawaai dat er mee gepaard ging: het schreeuwen van de wachten en het schreeuwen van de vrouwen, die heftig protesteerden en zich kennelijk verzetten. (…) Na enige tijd hoorde ik de vrouwen weer terugbrengen.’ Twee gedetineerden bevestigden dat in De Valkhof ‘vrouwen en jonge meisjes door de bewaking uit bed werden gehaald en dan door de bewakers werden “gebruikt”.’ Een aantal van de verkrachte meisjes waren 16 en 17 jaar. ‘Ik heb de meisjes daarbij herhaaldelijk 's nachts horen schreeuwen.’ Na een reeks van zulke nachten zochten twee bewakers de arts op. Ze hadden gonorrhoe. De arts meldde de situatie aan de kampcommandant. Toen er ’s nachts toezicht kwam van het kampcommando, kwam er een eind aan de verkrachtingen.
In de Strafgevangenis van Scheveningen kwamen bewakers van de BS en leden van de marechaussee ’s ochtends al langs om te kiezen wie ze ’s nachts mee zouden nemen. Om te voorkomen dat ze werden uitgekozen, deden vrouwen doeken om hun hoofd, ‘om ouder te lijken dan wij waren,’ of ze deden alsof ze ziek waren. Degenen die werden aangewezen, durfden er achteraf niets over te zeggen. ‘Nooit heeft een vrouw mij verteld, wat er dan met hen gebeurde,’ verklaarde een van de gedetineerden. ‘Ik hoorde wel verluiden, dat de meisjes angst hadden voor de avond.’ Een andere vrouw verklaarde aan Van Schilfgaarde dat in het cellencomplex een groep vrouwen apart werd gehouden ‘en uitgehongerd werd en “gebruikt” door de bewakers en de marechaussee.’
Het onderzoek van Van Schilfgaarde richtte zich voor het overgrote deel op de vrouwen die slachtoffer waren geweest van het seksuele geweld in de detentiekampen. Er zijn ook gevallen bekend waarin mannelijke gedetineerden het doelwit waren. In de strafgevangenis van Scheveningen waren de bewakers berucht vanwege hun sadisme en wreedheid. Nachtenlang martelden en vernederden ze gedetineerden die daar in de cellen waren vastgezet. Daar zaten notoire nazi-kopstukken tussen zoals Meinoud Rost van Tonningen, WA- en Landwacht commandant Arie Zondervan en SS-Untersuchungsführer Anno Arlt. Dagelijks werden zij door grote groepen bewakers geschopt, geknuppeld en geslagen tot ze bewusteloos waren, gedwongen om met blote voeten door glas en sintels te lopen, met het hoofd in de ton vol ontlasting geduwd, in hun geslachtsdelen geslagen met ijzeren staven. In de hele gevangenis was de hele nacht gegil en gekerm te horen. Toezicht vanuit de verantwoordelijke instanties was er niet. Toen het bericht binnenkwam dat Rost van Tonningen met het hoofd naar beneden van de balustrade was gevallen – volgens zijn weduwe was hij door een bewaker geduwd – kwam een regeringsdelegatie met de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie en twee topfunctionarissen van het Militair Gezag om te na te gaan wat er precies was gebeurd. De bewaker aan de poort weigerde ze binnen te laten: hij zei dat de Nederlandse regering helemaal geen zeggenschap had over wat er in de gevangenis gebeurde, aangezien die formeel onder de autoriteit van de Canadese leger viel.
In de gedetailleerde getuigenissen die Arlt en Zondervan in 1947 en 1949 van hun martelingen in de Scheveningse gevangenis gaven, afgenomen door de politie en door Tuyll van Serooskerken, vertelden zij dat ze meteen bij aankomst volledig door de bewakers werden ontkleed en in naakte toestand werden vernederd. Ze moesten spuug van de bewakers oplikken of hun eten van de vloer opslurpen. Ze moesten kopje onder in de beerput of de ton. Nazi-kopstuk Richard Fiebig, die in 1947 in de Scheveningse gevangenis werd vastgezet, vertelde later hoe hij daar in de zomer van dat jaar samen met andere Duitse gevangenen werd gedwongen zich te ontkleden, en hoe zij met een touw rond hun geslachtsdelen aan elkaar werden vastgebonden en voortgetrokken.
Voor zover seksueel geweld tegen mannelijke gedetineerden in de bronnen valt terug te vinden, ging het vrijwel altijd om bekende kopstukken uit het naziregime of mannen die zelf verregaand geweld hadden gepleegd tijdens de bezetting. Een jonge man die tijdens de oorlog bewaker in een concentratiekamp was geweest, verklaarde dat hij als gedetineerde door de bewakers van Kamp Vught gedwongen werd om naakt vernederende exercities uit te voeren. Ze hadden hem voortgerold in een ton vol spijkers, in prikkeldraad gewikkeld; ‘zij hebben onzedelijke handelingen met mij gedaan: o.a. moest ik het geslachtsdeel van een andere gevangene aflikken, om van andere praktijken maar niet meer te spreken.’

In haar boek over Kamp Vught beschrijft Marijke Verduijn hoe Teun van Es, die tijdens de oorlog als Kapo in Kamp Amersfoort andere gevangenen had mishandeld en bestolen, door leden van de Ordedienst werd gedwongen om seksuele vernederingen te ondergaan: zijn gezicht werd met schoensmeer zwartgemaakt en hij kreeg een touw om zijn nek gebonden, dat steeds strakker aanspande als hij niet meeliep. Boven zijn hoofd werd een naakte SS’er getild, wiens geslachtsdeel vlak voor zijn gezicht hing, en er telkens tegenaan bungelde als de stoet stophield.
Gingen al dit soort martelingen om het vernederen en pijnigen van oorlogsvijanden die tijdens de bezetting aan anderen geweld hadden berokkend, bij het seksuele geweld tegen de vrouwen en meisjes in de interneringskampen speelde in het geheel niet mee wat hun rol tijdens de bezetting precies geweest was. Het overgrote deel van hen was in het najaar van 1945 überhaupt nog niet door een Tribunaal of Gerechtshof veroordeeld, vaak nog niet eens verhoord. Wat de aanklacht tegen hen precies inhield was vaak niet bekend. Velen van hen waren onschuldig, of opgepakt wegens een lichte of een ongeldige aanklacht, maar binnen de interneringskampen golden ze als onderdeel van een categorie van verraadsters en moffenhoeren, met wie de bewakers mochten doen wat ze wilden.
Dat was ook letterlijk de boodschap die de vrouwelijke gedetineerden telkens opnieuw te horen kregen van de bewakers. ‘Jullie bent toch allemaal vuillakken en moffenlellen,’ had de hoofdbewaakster van de vrouwenafdeling in Kamp Laan 1914 in Amersfoort geantwoord op de vraag of de vrouwen zich mochten wassen. Tijdens de katholieke mis in het kamp in de kaarsenfabriek van Gouda, trad het zoontje van de commandant op als misdienaar. Hij besprenkelde de vrouwen met de wijwaterkwast met de woorden ‘hoeren, vuile stinkhoeren.’ In Rotterdam werden vlak na de bevrijding gearresteerde collaboratieverdachten vastgezet in het hoofdbureau van de politie. Daar zat ook de telefoniste van het politiebureau tussen, omdat ze verdacht werd van een relatie met een Duitser. Ten overstaande van honderden arrestanten werd ze gedwongen haar rok en ondergoed uit te doen en op handen en voeten naar de wc te kruipen. Ze was ongesteld en daar had ze zich zo voor geschaamd dat ze had geweigerd naar de wc te gaan toen haar dat werd opgedragen. Nu kon iedereen ‘haar door bloed verontreinigde directoire’ zien. Volgens een getuige had een rechercheur haar schaamstreek bespuugd met de woorden: ‘‘Ik zal het wel ontsmetten, waar een mof ingezeten heeft’ De vrouw verklaarde aan Van Schilfgaarde dat ze zich niet had durven te verzetten ‘uit vrees, dat men het op mijn kind zou wreken.’
Ontsmetting: ter hygiëne, vernedering en straf
Het kaalscheren van meisjes en vrouwen had tijdens de eerste bevrijdingsdagen maar één functie gehad: om vrouwelijke verdachten van ‘onzedelijk gedrag’ tijdens de bezetting te bestraffen en te vernederen. In de interneringskampen ging het kaalscheren op grote schaal door, maar daar was het, althans volgens de officiële verklaring van de kampleidingen, een maatregel ter hygiëne, om verspreiding van luizen en besmettelijke ziekten zoals tyfus te voorkomen. Dit gebeurde vaker in gevangenissen, detentiekampen, of bij frontsoldaten in het leger. Dat nam niet weg dat het in het geval van de vrouwelijke gedetineerden voortdurend als strafmaatregel werd toegepast, en als een manier om vrouwen te vernederen en te bedreigen. Het kaalscheren van de schaamstreek, zoals dat onder meer in Gouda, Amersfoort, Apeldoorn, Velp, Assen, Woerden en Westerbork gebeurde, ging regelmatig gepaard met vaginaal onderzoek, waarvoor geen medische noodzaak bestond.

Het kaalscheren van hoofdhaar en schaamstreek vond vaak meteen bij aankomst plaats. De gedetineerden kregen te horen dat het ter ontsmetting was, maar de vrouwen die het moesten ondergaan, waren ervan overtuigd dat dit niet de echte reden was. Lang niet iedereen werd aangewezen om kaalgeschoren te worden, en degenen die wel werden uitgekozen waren vaak de meisjes met mooie haren. In Kamp De Heuvel in Velp werden de kaalgeschoren vrouwen als trofeeën tentoongesteld, als er bezoek kwam van soldaten of Binnenlandse Strijdkrachten, ‘vele avonden achtereen en soms talloze malen op één avond’. Tijdens het kaalscheren kregen de vrouwen standaard de vraag met hoeveel Duitsers ze naar bed waren geweest – meestal in aanzienlijk grovere bewoordingen. Een verstandelijk beperkt meisje snapte het niet en knikte maar. ‘Met hoeveel,’ vroeg de bewaker. ‘Met drie,’ antwoordde het meisje. Ze moest kniebuigingen doen tot ze niet meer kon.
In de gesprekken met Johanna van Schilfgaarde vertelden tientallen vrouwen dat ze in de schaamstreek waren kaalgeschoren, of dat ze bewakers dat bij anderen hadden zien doen. In de Willem III kazerne in Apeldoorn gebeurde dat op een tafel, met gespreide benen, in Westerbork in een aparte kamer, waar de vrouwen naakt op moesten wachten, soms langer dan een uur. In het kamp in Gouda werden de vrouwen bij binnenkomst door een sergeant onderzocht, ‘waarbij ik moest bukken, mij omdraaien, wijdbeens moest gaan staan.’ De sergeant in kwestie had geen medische achtergrond. ‘Hij deed dit op handtastelijke en de meest beledigende wijzen.’
In de kampen Wezep, Duinrust, Westerbork, de Kaarsenfabriek in Gouda, de Bentienkazerne in Dordrecht en de Kazerne in Ede werden vrouwen onderworpen aan interne onderzoeken naar geslachtsziekten en zwangerschap. In kamp Duinrust, waar in 1945 al een ‘naaktparade’ had plaatsgevonden, besloot de commandant in juni 1946 tot een onderzoek van honderdzestig vrouwen, nadat een van hen zwanger bleek te zijn. Een van de gedetineerden in Duinrust herinnerde zich later hoe een meisje bij haar op de kamer op geslachtsziekten onderzocht moest worden. ‘Toen zij terug kwam, was zij vreselijk ontdaan, en baadde zij in tranen, omdat de dokter haar zo ruw had behandeld: hij had haar op zeer pijnlijke wijze inwendig onderzocht en uit haar verhaal begreep ik dat het hymen was doorstoken. Zij was een jaar of 17, 18.’ Tijdens de behandeling had de dokter haar afgeblaft: ‘Moffenhoer, poten uit elkaar.’
In Westerbork en Gouda werden tijdens het kaalscheren van de schaamstreek vaginale uitstrijkjes genomen: ‘Ik heb toen gezien, dat de man die de vrouwen van onderen kaal knipte, met een stokje in de geslachtsdelen peuterde van een vrouw, die hij onder handen had.’ In Gouda gebeurde dat door dezelfde sergeant die daar alle vrouwen van onderen kaal scheerde, tot afschuw van de vrouwen die de behandeling moesten ondergaan: ‘Kersbergen zag er altijd onfris uit en had altijd vuile zwarte nagels; dit zag ik al, toen hij mij bij binnenkomst onderzocht en ik twijfelde toen reeds, of hij wel werkelijk dokter was.’ In een provisorisch detentiekamp in een school in Amsterdam Noord was een vrouw vaginaal behandeld – ‘geïrrigeerd’, noemde ze het – door een man die beweerde verpleger te zijn. Later zag ze hem rijden in een wagen van de geneeskundige dienst en vermoedde ze dat hij geen verpleger was, maar chauffeur.
In veel kampen diende het kaalscheren als doorlopende strafmaatregel, of het gebeurde ter viering van de verjaardag van prins Bernhard, zoals in de Groen van Prinstererschool in Vlaardingen. In Kamp Laan 1914 in Amersfoort werden er speciale filmopnames van gemaakt, waarbij de vrouwen op verhogingen werden geplaatst. Onder hen was Jo Zondervan, de echtgenote van WA- en Landwachtcommandant Arie Zondervan.
De constante dreiging ervan veroorzaakte een ‘zenuwachtige stemming,’ zo omschreef een van de ondervraagde vrouwen het tegenover Johanna van Schilfgaarde. En dat was precies het doel ervan. Het was een machtsmiddel om de gedetineerden duidelijk te maken dat ze volledig aan de willekeur van de kampleiding en de bewakers waren overgeleverd. Daarbij werden de meisjes die met Duitse soldaten verkering hadden gehad er vaak uitgepikt. In het interneringskamp in een groentefabriek in Scheemdermeer, waren acht meisjes telkens het mikpunt van de bewaking. Ze mochten geen ondergoed dragen, ‘slechts een jurk over hun blote lichaam’, en kregen de opdracht om op blote voeten rond de fabriek te rennen, waarbij ze zich volledig in de bassins moesten onderdompelen waar het maandverband en de babyluiers werden uitgespoeld.
In datzelfde kamp in Scheemdermeer drongen zich ‘s nachts bewakers op aan de meisjes die in het stro lagen te slapen. Die begonnen te gillen toen ze merkten dat er mannen naast ze waren komen liggen. De andere bewakers kwamen naar de slaapzaal om de aanranders weg te halen. Lang niet in alle kampen werd bij dit soort situaties ingegrepen. In Kamp De Vergulde Hand in Vlaardingen vielen de bewakers de hele dag door meisjes lastig, tijdens het wassen, en ’s nachts nadat het licht werd uitgedaan gingen ze bij hen op de krib zitten. Daar kwam pas een einde aan toen de vrouwen naar een ander kamp werden overgeplaatst.
In Kamp De Heuvel in Velp kwamen na het uitdoen van de lichten bewakers met zaklampen en bajonetten op de slaapzaal, om de rokken op te lichten van de vrouwen die zonder deken aan het slapen waren. In de Kaarsenfabriek in Gouda waren het de commandant en ondercommandant zelf die in dronken toestand de vrouwen ’s nachts wakker maakten en met pistolen bedreigden. En in een provisorisch kamp in een Zwolse school leidde een bewaarster ’s nachts twee Canadese soldaten de slaapzaal binnen. Ze kozen twee meisjes uit, die met ze mee moesten gaan. ‘De volgende nacht waren zij weer op zaal; zij hebben nooit willen vertellen, wat er gebeurd was. Het waren keurige meisjes.’
Een vrouw die in kamp Erica in Ommen had gezeten, herinnerde zich dat op een nacht een meisje uit haar barak door een bewaker werd meegenomen. De ochtend erna kwam ze terug, met behuilde ogen.
Indekken van de daders
Voor de vrouwen in interneringskampen waren er weinig mogelijkheden om aan het seksuele geweld van de bewakers te ontkomen – verzet maakte de situatie vaak alleen maar erger. Degenen die weerstand boden tegen het kaalknippen of tegen de vaginale onderzoeken liepen het risico op zware bestraffing: wekenlange opsluiting in isolatiecellen of vochtige bunkers. Of ze kregen nog zwaardere mishandelingen te verduren. De angst voor represailles was niet denkbeeldig. In bijna alle kampen kende men voorbeelden van gedetineerden die door bewakers waren doodgeschoten, soms al bij het niet naleven van één bevel.
Klagen bij de kampcommandanten had in de meeste gevallen geen zin, zeker niet in de eerste fase na de bevrijding, aangezien de kampleiding de bewakers meestal indekte, en de commandanten geregeld zelf aan de mishandelingen deelnamen of zich aan ander machtsmisbruik schuldig maakten. Er waren ook voorbeelden dat de kampleiding wel ingreep: in de Valkhof hielden de verkrachtingen door bewakers op toen de commandant ’s nachts aanwezig was om toezicht op de manschappen te houden. In Velp zorgde de commandant ervoor dat het spieden onder de rokken van slapende vrouwen ophield. Maar het omgekeerde kwam ook voor: toen een vrouw in het kamp in de Groen van Prinstererschool in Vlaardingen bij de commandant klaagde dat bewakers vrouwen lastigvielen tijdens het wassen, antwoordde de commandant: ‘Als je niet gauw maakt, dat je weg komt, zal ik je de hele week wel eens in je naakte donder laten lopen.’ In de Blaskowitzbunker in Hilversum werd een gedetineerde bewusteloos geslagen, anderhalf uur onder een ijskoude douche gezet en twee weken in een cel zonder licht geplaatst, omdat hij iets over de relatie tussen een bewaker en een vrouwelijke gedetineerde gezegd zou hebben. Toen in Kamp Amersfoort een onderzoek naar seksueel misbruik door bewakers werd gevoerd, werd een vrouwelijke gedetineerde door twee rechercheurs ondervraagd, of ze wel eens op schoot bij een van de bewakers had gezeten. De kampcommandant was bij het verhoor aanwezig en beet haar toe: ‘Als je liegt, gaat je kop eraf, d.w.z. de haren van je kop.’
In de zeldzame gevallen dat een melding van misbruik door de kampleiding werd doorgespeeld aan de politie, leidde dat alsnog tot een onzeker traject vol confrontaties. In kamp Duin en Bosch in Bakkum meldde een vrouw dat ze tijdens een verhoor was aangerand door een rechercheur van de Politieke Opsporingsdienst, ‘die ontucht met mij wilde plegen, waartegen ik mij heb verzet.’ De kampleiding gaf het voorval door aan de politie in Bakkum, die de zaak weer doorspeelde naar het hoofd van de P.O.D in Haarlem. De vrouw werd ontboden door het P.O.D.-kantoor in Haarlem, waar ze in de kamer van de districtsommandant de confrontatie aan moest gaan met de rechercheur die haar had aangerand.
De meeste misbruikmeldingen werden genegeerd of zelfs afgestraft. Dat gold voor de periode tot eind 1945, toen de kampen onder het Militair Gezag vielen, maar ook voor de jaren daarna, toen het ministerie van Justitie de verantwoordelijkheid voor de kampen en de gehele rechtsgang had overgenomen. Zelfs als ze al lang weer waren vrijgelaten, voelden vrouwen zich niet veilig om erover te praten. Tîjdens hun gesprekken met Johanna van Schilfgaarde benadrukten de meeste vrouwen dat ze absoluut niet wilden dat hun getuigenis voor een strafzaak gebruikt zou worden, of op een andere manier openbaar zou worden gemaakt. ‘Ik maak mij zenuwachtig als ik er weer over ga spreken en ik vind het beter de zaak te laten rusten.’ Zolang de gesprekken vertrouwelijk gevoerd werden en de informatie geanonimiseerd zou blijven in het onderzoek, wilden ze meewerken. Anders niet.
De beduchtheid om te praten kwam ook voort uit een algemene scepsis die onder de gedetineerden leefde over de kans dat de bewakers die hen hadden misbruikt daadwerkelijk bestraft zouden worden. Die scepsis was terecht: van de honderden bewakers, commandanten, politieagenten en andere functionarissen die in interneringskampen gedetineerden hebben vermoord, gemarteld of verkracht, zijn er uiteindelijk zestien bestraft – met boetes en gevangenisstraffen tot hoogstens een jaar.
Een gedetineerde uit Ruurlo, die getuige was geweest van de mishandelingen en vernederingen van vrouwen door kampbewakers, waarschuwde de onderzoekers dat het geen zin zou hebben om de bewakers te ondervragen: ‘allen hebben gemeend zich te kunnen dekken, de een beschermt den ander. (...) Als Uw Ed. den gewonen weg zou volgen, garandeer ik U, U niets vindt; zo geraffineerd is hier alles gedekt. De slachtoffers zwijgen, uit angst.’
De klokkenluiders die als eersten het misbruik in de kampen hadden geprobeerd aan te kaarten, hadden ervaren hoezeer de kampcommandanten en het Militair Gezag geneigd waren om de bewakers – en daarmee ook zichzelf – in te dekken. Van de onderzoeken die het Militair Gezag in de loop van 1945 instelde, was het al snel duidelijk dat die de waarheid niet boven tafel zouden krijgen: ‘de gedetineerden durven tegen de mensen van het M.G. niet vrij-uit spreken.’
Dit patroon van stilzwijgen van de slachtoffers bleef de daaropvolgende jaren in stand en dat paste ook in het algemene verschijnsel dat in internationaal onderzoek naar seksueel geweld is gesignaleerd: dat schaamte, angst en stigmatisering van de slachtoffers de onzichtbaarheid van seksueel geweld versterken, terwijl de daders onbestraft blijven. Daar kwam in het midden van de twintigste eeuw nog bij dat seksueel geweld – en seksualiteit in het algemeen – werd begrepen in termen van zedelijkheid en fatsoen, en nauwelijks in termen van lichamelijke integriteit, zoals dat vanaf de jaren zestig en zeventig gangbaarder is geworden. ‘In het denken overheerste een zedelijkheidsparadigma en niet, zoals nu, een verkrachtingsparadigma,’ analyseerde socioloog Jolande Withuis. ‘In dat laatste staat de instemming van de vrouw centraal, in het eerste lag de bewijslast bij haar, want het was hoe dan ook hààr plicht om het fatsoen te handhaven.’
In het geval van het seksueel geweld in de interneringskampen was het ook nog eens zo dat de slachtoffers door een groot deel van de bevolking als schuldigen aan collaboratie werden gezien. De grote focus op vrouwelijke overspeligheid had al tijdens de bevrijding duidelijk een seksuele lading gehad. Dat de vrouwen die vóór hun detentie collectief als ‘moffenhoeren’ bestempeld waren, weinig kans maakten op medeleven vanuit de samenleving als ze met beschuldigingen van seksueel geweld in de openbaarheid zouden treden, was een reële inschatting.

Dit alles maakt het des te uitzonderlijker dat Johanna van Schilfgaarde erin slaagde om bijna tweehonderd van deze vrouwen toch uitgebreid te laten vertellen over het seksuele geweld waarvan zij slachtoffer of getuige waren geweest. Daarmee werd het gebruikelijke stilzwijgen rond seksueel geweld voor korte tijd, en in veilige omstandigheden, doorbroken. De verhoren die Van Schilfgaarde in 1950 afnam vormen uniek bronmateriaal, die inzicht geven in de mechanismen van seksueel geweld zoals die werkzaam waren in de interneringskampen – en deels ook in het algemeen.
Dat maakt het des te verbijsterender dat er niets mee gedaan werd. In het officiële eindrapport over de mishandelingen in de detentiekampen dat hoofdonderzoeker Arnaud baron van Tuyll van Serooskerken op 9 oktober1950 bij de Parlementaire Enquêtecommissie indiende, repte hij met geen woord over de getuigenissen die Van Schilfgaarde had verzameld. Van Tuyll beweerde zelfs dat het de onderzoekers niet was gelukt getuigen te vinden, omdat die te bang waren om te praten. De opdracht die hij had gekregen, om het seksuele geweld in de interneringskampen te onderzoeken, had hij dan ook niet kunnen voltooien, schreef hij in zijn conclusie, die van vaagheden aan elkaar hing: ‘Van het verkrachten van vrouwen is niets gebleken.Het moet evenwel niet uitgesloten worden dat zulks toch heeft plaats gevonden, daar het zeer wel mogelijk is, dat vrouwen die daarvan het slachtoffer zijn geworden, daarover thans geen verklaring willen afleggen.’
Deze passage wekte meer vragen op dan dat ze beantwoordde. Later hebben historici zich erover verbaasd dat Van Tuyll de vraag of er verkrachtingen hadden plaatsgevonden feitelijk onbeantwoord liet – en dat was nog voordat ze überhaupt wisten dat het bewijs destijds voor Van Tuyll klaarlag, in dozen vol uitgetypte verhoorverslagen.
Een notitie die Johanna van Schilfgaarde op 7 oktober 1950 maakte, toont een glimp van wat er met de afwikkeling van haar onderzoek gebeurd is. Het was twee dagen voordat Van Tuyll zijn eindrapport inleverde en ze schreef dat ze hem telefonisch had ingelicht ‘over algemene indrukken en verschillende gevallen’. Kennelijk was er verder weinig tot geen overleg tussen hen geweest, want in de kantlijn voegde Van Schilfgaarde nog toe: ‘m.i. heeft hij mijn p.v.’s [processen verbaal] niet gelezen en weet hij nu niet hoe eruit te komen nu mr. Donker naar resultaten vraagt.’


Johanna van Schilfgaarde maakte vanaf oktober 1950 notities over de afwikkeling van haar onderzoek. Dit deed zij op de brief die ze een klein jaar eerder, op 9 december 1949, van Van Tuyll van Serooskerken had ontvangen, waarin hij haar had gevraagd of ze onderzoek wilde doen naar het seksuele geweld in de interneringskampen.
Bron: Uit de nalatenschap van Johanna van Schilfgaarde. Met veel dank aan Flor Verhey
In de daaropvolgende weken bleef het voor Van Schilfgaarde onduidelijk of ze door moest gaan met haar onderzoek, of dat het definitief zou worden stopgezet. Toen ze op 22 november 1950 naar het Binnenhof ging voor haar uitbetaling, kreeg ze tot haar verbazing te horen dat haar dienstverband al een week eerder was beëindigd. Een paar weken later besloot Van Schilfgaarde het resterende materiaal van haar onderzoek maar op eigen initiatief naar Den Haag te brengen, waar het samen met de andere verhoorverslagen werd opgeborgen en op het Ministeries van Justitie werd opgeslagen, verspreid over verschillende depots. Meer dan een halve eeuw zijn ze daar ongelezen gebleven, tot de overdracht aan het Nationaal Archief. Tijdens het onderzoek voor zijn boek Fout en niet Goed (2009) trof journalist Koos Groen ze daar aan, ‘als door geen hand beroerd’. In zijn boek publiceerde hij een reeks losse citaten uit de verhoren, zonder speciale aandacht aan het seksuele geweld dat in de interneringskampen had plaatsgevonden te schenken. In de studies over het kaalscheren van de ‘moffenmeiden’ zijn de verhoren niet gebruikt, netzomin als in de standaardwerken over de Bijzondere Rechtspleging van Guus Belinfante en Loe de Jong.
Het hardnekkige gebrek aan aandacht voor dit onderwerp lijkt tekenend voor de manier waarop de Nederlandse overheid en de samenleving in het algemeen met seksueel geweld tegen vrouwen omging. Dat begon al ten tijde van de eerste berichten over de misstanden in de interneringskampen die binnenkwamen in de ministeries, in de rechterlijke macht, bij het Militair Gezag en bij de commando’s van de Binnenlandse Strijdkrachten: stuk voor stuk organisaties waar een patriarchale dan wel een uitgesproken masculiene cultuur heerste. Voor de mechanismen van seksueel geweld bestond er weinig aandacht, en het vermogen om de bijbehorende patronen van onderdrukking en stilzwijgen te doorbreken ontbrak volledig.
Het ‘zedelijkheidsparadigma’ dat destijds vrij algemeen in de samenleving heerste, en dat zich tijdens de bevrijding in de bijzondere agressie tegen ‘moffenhoeren’ had geuit, maakte dat ook buiten de bevoegde instanties weinig oog was voor het misbruik van vrouwen, en al helemaal niet van degenen die als landverraders waren aangewezen. Het versterkte de onaantastbaarheid van de bewakers, die toch al weinig consequenties hoefden te vrezen vanwege de beslotenheid van de interneringskampen. De breed gehoorde roep om maatschappelijke uitstoting van de gedetineerden kon werken als aanvullende legitimatie voor de mishandelingen. De interneringskampen vormden zowel in juridisch als in moreel opzicht een vrijzone, waarbinnen de bewakers en commandanten zich beschermd wisten.
Op de momenten dat er toch iets over mishandelingen in de kampen uitlekte, werd de informatiestroom onmiddellijk ingedamd en in twijfel getrokken. In de eerste fase na de bevrijding tot december 1945, waren de kampcommandanten en het Militair Gezag erop gespitst om de verspreiding van de nieuwsberichten tegen te gaan. Dat was aanvankelijk effectief, totdat de geruchten zolang bleven aanhouden dat andere instanties zich genoodzaakt voelden om in te grijpen. Het keerpunt vormde het verschijnen van de brochure van Hendrik van der Vaart Smit, die zich publiekelijk opwierp als de morele aanklager van de daders van het seksuele geweld. Daarbij ging het hem niet om het lot van de vrouwen die slachtoffer waren van het geweld. Van der Vaart Smit benadrukte aan het eind van zijn brochure zelfs dat hij geen onderzoek en berechting van de daders wilde. Wat hij voorstelde was onmiddellijke vrijlating van alle collaborateurs in de kampen. Daar zaten inmiddels weinig vrouwen meer tussen, maar vooral SS’ers, WA’ers, Landwachters en anderen die het naziregime actief hadden ondersteund – onder wie Van der Vaart Smit zelf. Over hoe het verder moest met de slachtoffers van het seksuele geweld schreef hij geen woord. Voor Van der Vaart Smit diende het onderwerp als een instrument waarmee hij een ander doel wilde bereiken.
En zo werden berichten en geruchten over seksueel geweld in de interneringskampen vaker ingezet om andere belangen te dienen dan die van de slachtoffers: om de eigen oorlogsmisdrijven weg te strepen tegen de naoorlogse misstanden, en om de Bijzondere Rechtspleging als geheel in diskrediet te brengen. Het gevolg hiervan was dat de geloofwaardigheid van de berichten over seksueel geweld in de interneringskampen decennialang betwijfeld bleven worden. De neiging om het hele onderwerp te bagatelliseren bleef lang voortbestaan. Voor zijn standaardwerk over de Bijzondere Rechtspleging uit 1978, In plaats van Bijltjesdag, deed Guus Belinfante uitgebreid onderzoek naar de mishandelingen in de interneringskampen, maar de aanwijzingen die hij kreeg over seksueel geweld – overigens zonder de verhoren van Van Schilfgaarde te kennen – nam hij niet serieus. In zijn omschrijving van het seksueel geweld in Westerbork voegde hij zonder bewijsvoering de veronderstelling toe: ‘Vrouwen die zwanger geworden waren door deze gemeenschap, zullen het achteraf wel prettiger gevonden hebben te verklaren, dat zij verkracht waren.’ En in 1989 schreef NIOD-directeur A. Paape nog dat ‘het massaal kaalknippen en uitjouwen van “moffenmeiden”, hoe veroordelenswaard ook, een betrekkelijk onschuldige bezigheid [was], die weliswaar door de slachtoffers als uiterst bedreigend en vernederend werd ervaren maar slechts zeer tijdelijke gevolgen had.’
In al deze tijd traden de vrouwen die slachtoffer waren geworden van het seksuele geweld in de kampen zelf niet naar voren. Voor hen waren de risico’s te groot: op represailles van de daders, op sociale uitstoting door hun omgeving, op de herleving van het trauma, de schaamte, de vernedering en de pijn die ze voor zover dat mogelijk was achter zich hadden proberen te laten. In de publieke aanklachten die naar buiten kwamen, zoals die van Van der Vaart Smit, kwamen zij niet aan het woord.
De verhoorverslagen van Johanna van Schilfgaarde vormen de enige bronnen waarin de ervaringen en het perspectief van de vrouwelijke slachtoffers van het seksueel geweld zo gedetailleerd en met zoveel reikwijdte naar voren komen. Dat ze ongebruikt en ongenoemd bleven tijdens de Parlementaire Enquête naar het regeringsbeleid van 10 mei 1940 tot 20 november 1945, maakte dat de Nederlandse regering nooit verantwoording heeft afgelegd voor de verkrachtingen, martelingen en de vernederingen die duizenden vrouwen onder Nederlands gezag hebben ondergaan.
In het korte bestek van deze longread is het onmogelijk om de volle omvang van het seksuele geweld in de interneringskampen te onderzoeken. Een volledig beeld van wat er nog aan bronmateriaal van getuigen en slachtoffers is, bestaat nog niet. Daarnaast is het nodig om meer over de daders te weten te komen: de bewakers in de kampen, hun commandanten, de onderlinge verhoudingen, en de precieze rol die de verschillende overheidsinstanties, de politiek en de media speelden in zowel het aan het licht brengen als in het toedekken van seksueel geweld. Al deze mechanismen tonen aan de ene kant de crisisstoestand waarin de Nederlandse overheid vlak na de oorlog moest opereren, het spanningsveld tussen waarheidsvinding en gezagsherstel, tussen de vervolging van collaboratieverdachten en de vervolging van degenen die hen mishandeld hadden; tussen volkswoede en rechtsstaat. Maar belangrijker nog: ze laten patronen rond seksueel geweld zien die niet beperkt zijn tot een specifieke periode uit de geschiedenis, maar structureel aanwezig zijn in de samenleving: hoe slachtoffers van seksueel geweld door trauma, schaamte, stigmatisering en een fundamenteel gebrek aan strafrechtelijke rugdekking blijven zwijgen en de daders onbestraft kunnen blijven.
Vragen of opmerkingen?
Heeft u naar aanleiding van dit artikel vragen over dit onderzoek? Neem dan per mail contact op met het NIOD via communicatie@niod.knaw.nl.
Bent u familie van iemand die tijdens de Tweede Wereldoorlog de kant van de Duitse bezetter koos of daarvan werd verdacht? Dan bent u niet alleen. De Stichting Werkgroep Herkenning kan hierin een luisterend oor bieden en advies geven.
Literatuurlijst
- Abuys, Guido, en Bas Kortholt. Interneringskamp Westerbork: Verhalen van een vergeten verleden, 1945-1948. Just Publishers, 2010.
- Afwikkelingsbureau Militair Gezag. Overzicht der werkzaamheden van het Militair Gezag gedurende de bijzondere staat van beleg 14 september 1944 - 4 maart 1946. Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf, 1947.
- Bax, Marjolein. Een wrang feest: Hoe velen de bevrijding niet overleefden. Balans, 2020.
- Belinfante, A.D. In plaats van Bijltjesdag: De geschiedenis van de Bijzondere Rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog. Van Gorcum, 1978.
- F.J.M. Duynstee & J. Bosmans, Het kabinet Schermerhorn-Drees 24 juni 1945 – 3 juli 1946. Parlementaire Geschiedenis Van Nederland na 1945 dl.1. (Assen/Amsterdam 1977)
- Bossenbroek, Martin. De Meelstreep. Bakker, 2001.
- Cockburn, Cynthia. “The Continuum of Violence: A Gender Perspective on War and Peace.” In Sites of Violence: Gender and Conflict Zones, edited by Wenona Giles and Jennifer Hyndman. University of California Press, 2004.
- Deák, István, Jan Gross, and Tony Judt. The Politics of Retribution in Europe: World War II and Its Aftermath. Princeton University Press, 2000.
- Diederichs, Monika. Wie geschoren wordt moet stil zitten: De omgang van Nederlandse meisjes met Duitse militairen. Boom, 2007.
- Dijk, van, Alexandra. In de schaduw van de bevrijding: Het gevangeniscomplex in Scheveningen 1945-1950. Pumbo.nl, 2026.
- Duynstee, F.J.M., en J. Bosmans. Het kabinet Schermerhorn-Drees 24 juni 1945 – 3 juli 1946. Van Gorcum, 1977.
- Eefting, Henk. De Bijzondere Rechtspleging 1944-1952: Rampzalige gevolgen voor politieke delinquenten en collaborateurs. Aspekt, 2007.
- Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945: Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek, deel 5c. Staatsdrukkerij- en Uitgeverijbedrijf, 1950.
- Grevers, Helen. Van landverraders tot goede vaderlanders: De opsluiting van collaborateurs in Nederland en België, 1944-1950. Balans, 2013.
- Grevers, Helen. “Van zwarte bladzijde naar zwartboek: Vijfenzestig jaar beeldvorming over naoorlogse interneringskampen.” Tijdschrift voor Mediageschiedenis 14, no. 1 (2011): 93-113.
- Groen, Koos. Fout en niet goed: De vervolging van collaboratie en verraad na de Tweede Wereldoorlog. Just Publishers, 2009.
- Heijden, van der, Chris. Grijs verleden: Nederland en de Tweede Wereldoorlog. Contact, 2001.
- Henry, Nicola. “Theorizing Wartime Rape: Deconstructing Gender, Sexuality, and Violence.” Gender & Society 30, no. 1 (2016): 44-56.
- Hoving, Richard. Het ‘foute kamp: De geschiedenis van het Amersfoortse interneringskamp Laan 1914 (1945-1946). Donker, 2011.
- Jong, de, L. Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10: Het laatste jaar. Martinus Nijhoff, 1980-1982.
- Jong, de, L. Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 12: Epiloog. Martinus Nijhoff, 1988.
- Kooijman, S.C. ‘Verraders waarvoor in een bevrijd Nederland geen plek zal zijn’: Een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein van de bijzondere rechtspleging 1945-1952. Rijksarchiefdienst/PIVOT, 2000.
- Liempt, van, Ad. 1945: De afrekening. Spectrum, 2020.
- Matthée, Zonneke. Verzwegen levens: Vrouwen uit een fout gezin. Conserve, 2013.
- Matthée, Zonneke. Voor Volk en Vaderland: Vrouwen in de NSB 1931-1948. Balans, 2007.
- Meihuizen, Joggli. Richard Fiebig en de uitbuiting van de Nederlandse industrie 1940-1945. Boom, 2018.
- Oosterom, Rianne. Moffenmeiden: Over soldatenliefjes, knippers en omstanders. Een geschiedenis in verhalen. Meulenhoff, 2019.
- Oudheusden, van, Jan, en Henk Termeer. Tussen vrijheid en vrede: Het bevrijde Zuiden, september ’44 – mei ’45. Waanders, 1994.
- Paape, A.H. “Ten Geleide.” In Het Proces Blokzijl, red. Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Veen, 1989.
- PIVOT-rapport Rijksarchiefdienst, ‘Verraders waarvoor in een bevrijd Nederland geen plek zal zijn. Een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein van de bijzondere rechtspleging 1945-1952’ (Den Haag 2000)
- Romijn, Peter. “Snel, streng en rechtvaardig: Politiek beleid inzake de bestraffing en reclassering van ‘foute’ Nederlanders.” Proefschrift Rijksuniversiteit Groningen, 1989.
- Rüter, C.F. Bijzondere rechtspleging na de oorlog. Tjeenk Willink, 1972.
- Schoonoord, Dick. ‘Het Circus Kruls’: Militair Gezag in Nederland 1944-1946. NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, 2011.
- Schouten, Ted. Lichaamsbuit: Gedwongen seks tijdens de Tweede Wereldooorlog. Walburg Pers, 1995.
- Seifert, Ruth. “War and Rape: A Preliminary Analysis.” In Mass Rape: The War Against Women in Bosnia-Herzegovina, edited by Alexandra Stiglmayer. University of Nebraska Press, 1994.
- Tames, Ismee. Doorn in het vlees : Foute Nederlanders in de jaren vijftig en zestig. Balans, 2013.
- Schrijvers, Peter. De schaduw van de bevrijding: België, 1944-45. Manteau, 2008.
- Speerstra, Lieke. “‘Foute’ vrouwen in het gareel dwingen: De naoorlogse heropvoeding van vrouwelijke collaborateurs 1946-1951.” Tijdschrift voor Geschiedenis 138, no. 2 (2025): 109-27
- Todd, Lisa M. “‘The Soldier's Wife Who Ran Away with the Russian’: Sexual Infidelities in World War I Germany.” Central European History 44, no. 2 (2011): 257-78.
- Vaart Smit, van der, H.W. Kamptoestanden 1944/’45 -1948: Rapport en noodzakelijke aanvulling op het geschiedwerk van prof. dr. L. de Jong. 5e druk. De Pauw, 1976.
- Verduijn, Marijke. De Verliezers: Straf en heropvoeding in kamp Vught 1944-1949. Balans, 2023.
- Virgili, Fabrice. La France virile: Des femmes tondues à la Libération. Payot, 2000.
- Vrints, Antoon. De Afrekening: Geweld tegen collaborateurs in Antwerpen, 1918 en 1944-1945. Ertsberg, 2024.
- VPRO radiodocumentaire-serie De Afrekening. 1988.
- Withuis, Jolande. “Het grote zwijgen.” Trouw, 19 januari 2009.
- Withuis, Jolande. De jurk van de kosmonaute: Over politiek, cultuur en psyche. Boom, 1995.
- Yuval-Davis, Nira. “Gender, the Nationalist Imagination, War, and Peace.” In Sites of Violence: Gender and Conflict Zones, edited by Wenona Giles and Jennifer Hyndman. University of California Press, 2004.
Colofon
Copyright: NIOD en Ewoud Kieft
Met dank aan: Joggli Meihuizen, Peter Romijn, Hinke Piersma, Ismee Tames, Lotte Baltussen, Edwin Klijn, Jeroen Kemperman, Flor Verhey.
Aan deze longread werkte Marjolein Uittenboogaard als onderzoeker mee.
Meld je aan voor de nieuwsbrief
Blijf elke maand op de hoogte van nieuwe publicaties, evenementen en meer.
NIOD
Herengracht 380
1016 CJ Amsterdam
Openingstijden studiezaal
Di - Vr: 09:00 - 17:30 uur
Gesloten op maandag
Let op:
Het NIOD zelf is op maandag gewoon geopend.