Ga direct naar: Inhoud

Indonesische onafhankelijkheidsstrijd (cijfers)

Op basis van verschillende bronnen en publicaties geven we hier een overzicht van bekende cijfers betreffende de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd.

Nederlandse slachtoffers van de Bersiap-periode in Indië (de periode na de Japanse capitulatie):

Schattingen van het aantal Nederlandse en Nederlands-Indische burgerdoden als gevolg van de Bersiap lopen uiteen van 3.500 tot 30.000. Eind 1947 werd door de Nederlandse autoriteiten het totaal aantal slachtoffers van de Bersiap op 3.500 geschat; of daarbij de slachtoffers onder de Ambonezen zijn meegeteld is niet duidelijk. Volgens L. de Jong is deze schatting vermoedelijk te laag geweest: vermoorden werden alleen aangemeld als zij relaties hadden die dat konden doen, maar talrijke Indisch-Nederlandse mannen en vrouwen die met Indonesiërs gehuwd waren, leefden geïsoleerd in de binnenlanden. Eind 1948 waren er in heel Indië nog circa 2.500 Europeanen zoek – dat cijfer sloot evenwel ook personen in die in de Japanse bezettingstijd spoorloos waren verdwenen. (L. de Jong, Koninkrijk der Nederlanden, deel 12, pag. 744-745.) De Amerikaanse historicus William H. Frederick acht het waarschijnlijk dat er ongeveer 25.000 à 30.000 Nederlandse en Nederlands-Indische doden zijn gevallen. (‘The killing of Dutch and Eurasians in Indonesia’s national revolution (1945-49): a “brief genocide” reconsidered’, Journal of Genocide Research, vol. 14 (2012), nr. 3-4.) Zie ook het NIOD-blog 'De slachtoffers van de Bersiap'.

Nederlandse gesneuvelde militairen tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd:

De gemiddelde sterkte van de landstrijdkrachten in Nederlands-Indië in de jaren 1946-1949:

Koninklijke Landmacht: 70.000
KNIL: 40.000
Mariniersbrigade: 5.000

Benadrukt moet worden dat het hier de gemiddelde sterkte van de in Indië aanwezige landstrijdkrachten in de jaren 1946-1949 betreft. Het totaal aantal militairen dat op enig moment tijdens deze periode in Indië heeft gediend moet dus aanzienlijk hoger hebben gelegen.

De verliescijfers zijn als volgt onder te verdelen (resp. verliezen aan gesneuvelde en door ziekte en ongeval overleden militairen):

Koninklijke Landmacht: 1.602 en 907
KNIL: 722 en 1.098
Mariniersbrigade: 155 en 101
Totaal: 2.479 gesneuvelden en 2.106  door ziekte en ongevallen omgekomenen (opgeteld: 4.585)

(Bron: D.C.L. Schoonoord, De Mariniersbrigade 1943-1949; Wording en inzet in Indonesië,  Amsterdam 1988, pag. 315)

Kolonel b.d. J.W. de Leeuw komt tot de volgende totaalcijfers voor de periode tussen 15 augustus 1945 en 1 januari 1963 (dus inclusief het conflict om Nieuw-Guinea in 1962):

Gevechtsverliezen (inbegrepen vermoord): 3.281
Niet-gevechtsverliezen (ziektes, ongevallen, executies etc.): 2.134
Doodsoorzaak onbekend: 762
Totaal: 6.177

Bij deze cijfers zijn ook omgekomen politiemensen, Rode Kruispersoneel etc. meegeteld. Tenslotte zijn ook mensen opgenomen die niet in Indië zijn aangekomen. Zij behoorden echter reeds tot een uit te zenden eenheid en zijn daarom ook door De Leeuw meegenomen. De Leeuw benadrukt dat deze cijfers nog aan verandering onderhevig zijn. (Bron: zgn. Roermond-database van De Leeuw.)

Tijdens de eerste grote Nederlandse militaire actie (Operatie Product) zijn 169 Nederlandse militairen omgekomen, tijdens de tweede (Operatie Kraai) sneuvelden er 113 (L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 12, pag. 972).

Indonesische verliezen tijdens de onafhankelijkheidsstrijd:

Het is niet exact bekend hoeveel Indonesische slachtoffers er in de periode 1945-1949 als gevolg van de onafhankelijkheidsstrijd gevallen zijn. Vast staat in ieder geval dat de Indonesische militaire verliezen vele malen hoger waren dan de Nederlandse.

In 1988 schreef dr. L. de Jong in zijn Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog dat in Indonesië wordt gesteld dat de Republikeinse strijdkrachten in de jaren 1945-1949 in totaal circa 100.000 man hebben verloren, en dat Nederlandse militaire historici dat voor een betrouwbaar cijfer houden (deel 12, pag. 865, noot 3). Het is echter niet duidelijk waar deze beweringen van De Jong precies op zijn gebaseerd. Hij heeft zich niet gewaagd aan een schatting van het totale aantal Indonesische burgerslachtoffers, maar vermeldt slechts dat de anti-koloniale strijd op Java aan enkele tienduizenden Indonesiërs het leven heeft gekost, en dat op Sumatra in de periode voorafgaande aan de Eerste Politionele Actie alleen al onder de Karo-Bataks zo'n 7.000 slachtoffers zijn gevallen. Daarnaast zijn volgens De Jong vermoedelijk ook nog eens enkele tienduizenden Indonesiërs om het leven gekomen als gevolg van de door de PKI geïnitieerde Madioen-opstand (deel 12, pag. 1014).

Adrian Vickers houdt het in zijn A history of modern Indonesia op tussen de 45.000 en 100.000 militaire gevallenen en tussen de 25.000 en 100.000 burgerslachtoffers (pag. 105 [second edition]). Petra Groen heeft begin jaren negentig aan de hand van Nederlandse militaire rapporten becijferd dat in de periode van 1 januari tot 10 augustus 1949 (dus in ruim zeven maanden tijd) op Java en Sumatra bijna 47.000 Indonesische militairen als gesneuveld zijn opgegeven. Zij tekent daarbij echter wel aan dat deze tellingen "minder betrouwbaar" zijn: enerzijds zijn ze zeker niet volledig, anderzijds hebben sommige Nederlandse commandanten te velde destijds bewust een te hoog vijandelijk verliescijfer gemeld (Marsroutes en dwaalsporen; Het Nederlands militair-strategisch beleid in Indonesië 1945-1950, pag. 238 en 262).

Een onderzoeksteam van het KITLV en de Universiteit Leiden heeft recentelijk op basis van dergelijke Nederlandse militaire opgaven uit de periode van oktober 1945 tot en met december 1949 berekend dat de Nederlandse troepencommandanten te velde gedurende die periode bij elkaar opgeteld een aantal van bijna honderdduizend Indonesische gesneuvelden aan hun hoofdkwartier hebben opgegeven. Het aantal van bijna honderdduizend opgegeven Indonesische slachtoffers komt dus vrijwel overeen met de schatting die L. de Jong in 1988 heeft gegeven. Het Leidse onderzoeksteam acht het echter zeer waarschijnlijk dat dit slechts als de "ondergrens" beschouwd moet worden en dat het daadwerkelijke aantal Indonesische doden hoger lag. De opgetelde Nederlandse cijfers (waarvan het aannemelijk is dat die niet uitsluitend gesneuvelde strijders maar ook een onbekend aantal omgekomen burgers betreffen) hebben bovendien uitsluitend betrekking op doden die zijn gevallen als gevolg van onder Nederlandse vlag uitgevoerde acties; de slachtoffers van het onderlinge Indonesische geweld zijn hierin dus niet meegerekend.

Schadevergoeding Japan aan Nederland:

Als uitvloeisel van het in 1951 ondertekende vredesverdrag met Japan werden in 1954 en 1956 de volgende twee regelingen voor schadevergoeding aan particulieren getroffen:

In 1954 werd met Japan overeenstemming bereikt over een schadevergoeding aan de voormalige geallieerde krijgsgevangenen en hun nabestaanden. Voor Nederland kwam een bedrag van 11 miljoen gulden beschikbaar. Dat betekende dat de circa 41.000 Nederlandse rechthebbenden, zowel voormalige krijgsgevangenen als nabestaanden, per persoon 264 gulden ontvingen. Ongeveer 18.000 van hen, namelijk diegenen die hadden gewerkt aan de beruchte Birmaspoorweg (of hun nabestaanden), deelden tevens in de opbrengst van het aan Thailand verkochten spoorwegmaterieel. Dat leverde de betrokkenen een aanvullend bedrag op van precies f 61,73 per persoon.

Vervolgens begonnen in 1955 rechtstreekse onderhandelingen tussen Nederland en Japan over een smartengeld voor de burgergeïnterneerden. Uiteindelijk kwamen beide partijen in maart 1956 uit op een bedrag van 38 miljoen gulden. Op 5 december van dat jaar maakte minister van Buitenlandse Zaken Luns in de Tweede Kamer het precieze bedrag bekend dat voor iedere burgergeïnterneerde of nabestaande beschikbaar was: 385 gulden. Omdat het aantal aanvragers kleiner bleek te zijn dan vooraf verwacht (uiteindelijk ruim 90.000 in plaats van 110.000), volgde later voor iedereen nog een aanvullende uitkering van 30 gulden.

In totaal stelde Japan dus circa 50 miljoen gulden beschikbaar voor de Nederlanders die tijdens de oorlog geïnterneerd waren geweest in de Japanse kampen: circa 12 miljoen voor de militairen, en 38 miljoen voor de burgers, met inbegrip van de nabestaanden alles bij elkaar ongeveer 130.000 rechthebbenden. Met de uitvoering van deze akkoorden werd het ‘officiële’ boek van de oorlog tegen Japan in 1956 formeel gesloten.

 

Deel deze pagina
Schrijf u in voor onze nieuwsbrief
Volg ons op
NIOD
Herengracht 380
1016 CJ Amsterdam
020 52 33 800
Openingstijden studiezaal
  • Ma13:30 - 16:30 u
  • Di - Vr10:00 - 16:30 u