Ga direct naar: Inhoud
Alle verhalen

Achter gesloten muren

Geweld en mishandelingen in interneringskampen voor collaboratieverdachten

Leestijd 60 min

Longread over de interneringskampen voor collaboratieverdachten.

-
Nederlandse SS'ers in een interneringskamp te Harskamp. Bron: BeeldbankWO2 111776 (collectie Verzetsmuseum Amsterdam)

Op 18 mei 1948 nam de Parlementaire Enquêtecommissie, die onderzoek deed naar het regeringsbeleid tijdens de oorlogsjaren, een verhoor af van een zestigjarige man: Hendrik van der Vaart Smit, een voormalig predikant die in de jaren dertig enthousiast over het nazisme was geworden. Hij had Hitler een keer ontmoet tijdens een receptie op de Rijkskanselarij en had hem ‘een geniaal man’ gevonden, een beschermer van het christendom.

Tijdens de oorlog had hij als bestuurder van het ANP en het Nederlands Christelijk Persbureau propaganda voor nazi-Duitsland gemaakt. Hij had een aantal kennissen die actief waren voor het kerkelijk verzet bij de Sicherheitsdienst aangegeven. Om deze redenen was hij na de bevrijding opgepakt en in verschillende detentiekampen voor collaborateurs vastgezet.

Voor het verhoor van de Enquêtecommissie had Van der Vaart Smit speciaal verlof gekregen om zich buiten het detentiekamp te begeven en naar het Binnenhof af te reizen. Die dag boog de Enquêtecommissie zich over de rol van de persvoorlichtingsdiensten in de machtsoverdracht aan de Duitsers – maar Van der Vaart Smit wilde het over een heel ander onderwerp hebben. Dat hij nu oog in oog stond met een aantal Tweede Kamerleden zag hij als een unieke kans. Na de ondervraging liep hij naar de voorzitter van de Enquêtecommissie en overhandigde hem een document, acht geelbruine vellen die hij in kleine letters, met zo weinig mogelijk regelafstand, had volgetypt. Bovenaan de eerste bladzijde stond de titel die hij aan het verslag gegeven had: Beestachtige moorden en mishandelingen in de bewarings- en interneringskampen in 1945 en 1946.

Het waren inderdaad gruwelijke voorvallen die Van der Vaart Smit had opgetekend. Hij had tijdens zijn detentie van zijn medegevangenen schokkende verhalen gehoord over martelingen, verkrachtingen, bewuste uithongering en verwaarlozing van ernstige ziektes. Mannen en vrouwen waren met geweerkolven, gummiknuppels en stukken hout afgeranseld tot ze bewusteloos waren. Sommigen waren aan hun verwondingen overleden. In één kamp hadden de bewakers vanuit hun wachttorens hun geweren leeggeschoten op de barakken waar de gedetineerden sliepen, met zeker tien doden tot gevolg. En zo ging het door, acht dicht betypte pagina’s lang.

Dit was niet het eerste document dat Van der Vaart Smit aan de autoriteiten probeerde door te geven. Al in 1946 en ‘47 had hij verschillende verzoekschriften ingediend. Alleen had hij daarin met geen woord gesproken over de mishandelingen in de interneringskampen, wel over allerlei persoonlijke omstandigheden waarvan hij hoopte dat die zouden leiden tot zijn eigen vervroegde vrijlating. En in zekere zin was ook dit verslag over de ‘beestachtige moorden en mishandelingen’ een vrijlatingsverzoek.

Aan het slot van zijn schokkende rapport riep Van der Vaart niet op tot onderzoek en berechting van alle daders van de mishandelingen en moorden. ‘Wij vragen niet om de schuldigen te bestraffen; wij hebben daar weinig aan, teminder omdat de daders exponenten zijn van een blijkbaar algemeen zich voordoend verschijnsel, voor hetwelk het gehele volk verantwoordelijk is.’

Bron: Verhoor Van der Vaart Smit door rechercheur A. Olthof, 28 maart 1946, Nationaal Archief, Justitie / CABR Justitie, 2.09.09, inv.nr. 56II, scan 1015

Bron: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945. Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek Deel 2b (Den Haag) 1950 pp. 278-83; Nationaal Archief, Justitie / CABR Justitie, 2.09.09, inv.nr. 56ii.

Bron: Nationaal Archief, Justitie / CABR Justitie, 2.09.09, inv.nr. 56II.

Bron: H. vd Vaart Smit, pleitnota aan de Bijzondere Raad van Cassatie, 7 juni 1949, Nationaal Archief, Justitie / CABR Justitie, 2.09.09, inv. nr. 56II; gratieverzoek 4 nov 1946; gratieverzoek 1 aug 1947; gratieverzoek 9 juli 1947, Nationaal Archief, Justitie / CABR Justitie, 2.09.09, inv.nr. 56II.

De enige bevredigende oplossing lag in een ‘zo breed mogelijke amnestie’ voor zowel de collaborateurs die in de interneringskampen zaten, als voor de bewakers die zich aan mishandelingen te buiten waren gegaan. ‘Een dikke streep onder deze ganse aangelegenheid,’ stelde Van der Vaart Smit voor: simpelweg iedereen vrijlaten, of het nu de aanhangers van het naziregime waren, of hun bewakers – misdrijven waren aan beide kanten gepleegd, en dus kon alles tegen elkaar worden weggestreept.

Het was een wonderlijk voorstel, dat overduidelijk ook zijn eigen belangen diende – waarmee Van der Vaart Smit haast automatisch de verdenking op zich laadde dat zijn gehele verslag niet veel meer was dan de zoveelste poging van een nazi-propagandist om onder zijn welverdiende straf uit te komen. Hoe schokkend de inhoud van zijn rapport ook was, het riep in eerste instantie vooral de vraag op hoe betrouwbaar deze klokkenluider nu eigenlijk was.

Bron: Nationaal Archief, Justitie / Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, Justitie, 2.09.09, inv.nr. 56I.

Bron: Nationaal Archief, Justitie / CABR, Justitie, 2.09.09, inv.nr. 56II.

De eerste interneringskampen: chaos en illusies

Al vanaf het najaar van 1944 waren berichten over ernstige mishandelingen van gedetineerden in interneringskampen opgedoken. Aanvankelijk had het Militair Gezag, dat namens de Nederlandse regering opereerde en verantwoordelijk was voor interneringskampen, hierop gereageerd door korte inspecties te laten uitvoeren door een aantal officieren.

De verslagen van die inspecties hadden een hele beperkte indruk van de situatie gegeven. Dat kwam vooral omdat de ondervraagde gedetineerden te zeer afhankelijk waren van het kampregiem om eerlijk en volledig antwoord te geven als hun werd gevraagd hoe ze werden behandeld.

In de eerste fase van de bevrijding was het sowieso nauwelijks mogelijk om een volledige indruk te krijgen van de situatie in de interneringskampen. Schuldigen en onschuldigen, zware en lichte gevallen, mensen die als militaire bedreiging werden gezien, ze waren in provisorische bewaarkampen vastgezet; een oude school, een loods, een leegstaande kazerne. In totaal zijn er zo’n tweehonderd van zulke interneringskampen geweest – sommigen waren heel klein en werden al snel weer opgeheven, anderen boden ruimte voor duizenden arrestanten, waaronder de vijf concentratiekampen Westerbork, Vught, Kamp Amersfoort, Kamp Erika in Ommen en Kamp Schoorl. Die werden vrijwel meteen na de bevrijding voor de internering van collaborateurs ingezet.

Het was in die vroegste fase onmogelijk na te gaan hoeveel mensen in totaal in de kampen vastzaten, ook al omdat er vanwege arrestaties die onterecht bleken te zijn aardig wat verloop in zat. We moeten het nog steeds met schattingen doen. Die liggen ergens tussen 140.000 en 200.000. De meerderheid van al deze mensen had tijdens hun detentie geen flauw idee wanneer hun zaak zou voorkomen. Normaal gesproken mocht een arrestant niet langer dan twee maal twee dagen in detentie gehouden worden zonder gerechtelijk bevel. Maar in het geval van de collaboratieverdachten had de Nederlandse regering daar een uitzondering op gemaakt, met een beroep op de noodtoestand.

Zie de inspectieverslagen van de Vliegende Colonne van het Militair Gezag, Nationaal Archief, 2.09.10; Loe De Jong, Koninkrijk der Nederlanden deel 12, pp 493-96.

Dat had aanvankelijk een militair doel: tussen september ’44 en mei ’45 liep het frontgebied dwars door Nederland en de geallieerde bevelhebbers wilden daar geen sympathisanten van de vijand in de buurt hebben. Maar ook na mei ’45 bleef de noodtoestand nog bijna een jaar van kracht. Het resultaat was dat tienduizenden arrestanten maanden-, en vaak zelfs jarenlang in hechtenis zaten zonder dat daar een gerechtelijk bevel bij was komen kijken. Voor al die gedetineerden waren bewakers nodig, die voor een groot deel werden geworven uit jonge, nog maar net toegetreden leden van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS), die tijdens de bezetting nog niet actief in het verzet waren geweest maar nu stonden te popelen om zich te laten gelden.

Als een samenleving jaren in oorlogstoestand is geweest, bestaat er altijd een risico dat het geweld op een of andere manier blijft doorwerken. Terugkeer naar een vreedzame rechtsorde is nooit vanzelfsprekend. Toch heeft in de Nederlandse collectieve herinnering decennialang het beeld overheerst dat de bevrijding een automatisch herstel van de vooroorlogse rechtsstatelijke normen met zich meebracht, waarbij de gearresteerde collaborateurs in hun handjes mochten knijpen ‘dat zij thans in handen zijn van een beschaafd volk,’ zoals Het Parool het op 7 november 1944 verwoordde.

De mythevorming rond de Nederlandse nationale identiteit die juist in deze wederopbouwjaren plaatsvond, was gebaseerd op een sterk moreel gekleurde invulling van de oorlog en de bezettingstijd. Daarin was weinig ruimte voor de erkenning dat geïnterneerde collaborateurs slachtoffer waren geweest van structurele mishandelingen door hun bewakers, zonder dat daar effectief tegen was ingegrepen.

Bron: A.D. Belinfante, In plaats van Bijltjesdag, pp. 4-11, 111-118, 33-34; Dick Schoonoord, Circus Kruls, pp. 649-55; Loe De Jong, Koninkrijk der Nederlanden deel 12 p. 494; Peter Romijn, Snel, streng en rechtvaardig (1989), pp. 175-178. Zie ook Koos Groen, Fout en niet goed (2009), pp. 155-169.

Bron: István Deák, Jan Gross en Tony Judt, The Politics of Retribution in Europe. World War II and Its Aftermath (2000), ‘De Engelschen zijn Vught binnengetrokken. Nú zitten de N.S.B.ers in het kamp..’, Het Parool7 november 1944.

Binnenlandse Strijdkrachten

De Binnenlandse Strijdkrachten (BS) waren in september 1944 opgericht als samenwerkingsverband van drie verzetsorganisaties, de OD, LKP en de Raad van Verzet, om gecoördineerde verzetsacties te kunnen uitvoeren, en om tijdens de bevrijding de geallieerde legers te ondersteunen. In de zomer van 1944 hadden die gezamenlijk nog geen 6000 leden gehad, in september 1944 was dat aantal opgelopen tot minstens 88.000 (volgens sommige schattingen zelfs 172.000 in totaal). De BS stonden onder bevel van Prins Bernhard en werden onderverdeeld in Stoottroepen, die militair actief was (in het noorden heette dit deel ‘Strijdend Gedeelte’), en Bewakingstroepen, die bewakingspersoneel voor de interneringskampen leverden.

-

Barsten in het zelfbeeld

Aanvankelijk leek het verslag van Hendrik van der Vaart Smit daar geen verandering in te brengen. Nadat hij het aan de Parlementaire Enquêtecommissie had aangeboden, werd er een jaar niets mee gedaan. Maar in het voorjaar van 1949 veroorzaakte het dan toch, ook al was het maar tijdelijk, flinke barsten in het Nederlandse zelfbeeld, toen het verslag in brochurevorm onder de titel Kamptoestanden werd gepubliceerd en er een storm van aandacht in de media ontstond. Binnen een paar maanden werden er rond de veertigduizend exemplaren van verkocht.

Op 6 april 1949 kon de Parlementaire Enquêtecommissie er niet meer om heen ‘dat er in de laatste tijd weer allerlei berichten verschenen zijn omtrent misstanden in de interneringskampen’. Dat had haar tot het inzicht gebracht ‘dat zij in haar onderzoek mede zal moeten betrekken de vraag of zulke misstanden inderdaad hebben bestaan en zo ja, of daartegen van de zijde van de Regering krachtig genoeg is opgetreden.'

Voor dat onderzoek werd een oudgediende binnen de Bijzondere Rechtspleging aangewezen: Arnaud baron van Tuyll van Serooskerken, procureur-fiscaal bij de Bijzondere Raad van Cassatie, en de Nederlandse vertegenwoordiger tijdens het Proces van Neurenberg. Op 23 september 1949 maakte de Enquêtecommissie zijn benoeming bekend. Het onderzoek zou niet alleen gebruik maken van de bestaande dossiers op het Ministerie van Justitie. Van Tuyll van Serooskerken zou ook aanvullend onderzoek doen, waarvoor hij ‘de hulp van een of meer rijksrechercheurs’ nodig zou hebben.

Aan de eerste informerende brieven die Van Tuyll van Serooskerken rondstuurde, valt duidelijk te zien dat hij als startpunt van zijn onderzoek het verslag van Van der Vaart Smit gebruikte. Hij vroeg alle aantekeningen op die Van der Vaart Smit had gebruikt. Hij achterhaalde de namen van de ooggetuigen en slachtoffers die Van der Vaart Smit had gesproken om hen persoonlijk te ondervragen. Hij benaderde alle kranten die ooit over misstanden in de interneringskampen hadden geschreven. Van de hoofdredacteur van De Ochtendpost, een kleine, onafhankelijke krant die jarenlang kritische en vaak nogal sensationeel getoonzette artikelen over het geweld in interneringskampen had geschreven, kreeg hij mappen vol bronmateriaal opgestuurd.

Van Tuyll deed oproepen in kranten aan slachtoffers van mishandeling om zich bij hem te melden, met een stroom van reacties tot gevolg. Voor de ondervraging van vrouwelijke gedetineerden stelde hij een gepensioneerde hoofdinspectrice van de politie aan: Johanne van Schilfgaarde. In totaal hebben Van Tuyll en Van Schilfgaarde honderden verhoren afgenomen van gedetineerden. Die vertelden, vaak voor het eerst, over wat ze in de interneringskampen hadden meegemaakt. Ze waren inmiddels vrijgelaten uit de kampen en durfden nu vrijuit te spreken, vaak tot in zeer schokkende details.

Zie H.W. van der Vaart Smit, ‘Voorwoord bij de vijfde druk’ in Kamptoestanden 1944-’45 -1948 (1976), p.7; Helen Grevers, Van landverraders tot goede vaderlanders. De opsluiting van collaborateurs in Nederland en België, 1944-1950 (2013), pp. 151-152.

De Enquêtecommissie onderzocht de volledige periode waarin het Nederlandse parlement niet had gefunctioneerd. Die liep tot 20 november 1945. Veel van de mishandelingen in interneringskampen vonden juist in deze periode plaats. Dat voerde de Commissie als argument aan om ze uiteindelijk ook tot onderwerp van haar onderzoek te maken.

Bron: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945, Subcommissie I, aan Ministerie van Justitie, 6 april 1949, Nationaal Archief, 2.09.10.

Bron: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 aan Ministerie van Justitie, 23 sept 1949, Nationaal Archief, 2.09.10.

Bron: Nationaal Archief 2.09.10.

Het onderzoek van Van Tuyll en Van Schilfgaarde was niet bedoeld om de bewakers die de mishandelingen pleegden te vervolgen. Dat was ook expliciet aangegeven in de opdracht van de Parlementaire Enquêtecommissie: het ging om het achterhalen van de basale feiten, niet om strafrechtelijk onderzoek naar de daders. Dat laatste was voor de meeste ex-gedetineerden overigens alleen maar een geruststelling – zij voelden er niets voor om hun bewakers weer onder ogen te moeten komen en hadden bovendien weinig vertrouwen dat een rechtszaak tot hun bestraffing zou leiden.

Na een jaar onderzoek werden duizenden pagina’s aan verhoren, in drievoud uitgetypt, opgeslagen in archieven. En daar hebben ze vervolgens decennialang ongebruikt gelegen. Van Tuyll van Serooskerken heeft er voor zijn eindrapportage geen gebruik van gemaakt. Van slechts zes verhoren, die allemaal gingen over één kamp voegde hij het proces-verbaal toe, aangevuld met een rapport van de Rijksrecherche naar de moorden die in dit kamp waren gepleegd.

Dit kamp was de Harskamp: een interneringskamp waar 4.000 Nederlandse SS’ers vastzaten, en waar de buitenwacht regelmatig op gevangenen en op de slaapbarakken schoot, met elf doden tot gevolg. Later in deze longread gaat het veel uitgebreider over De Harskamp, onder het kopje ‘De eerste inspectierondes’

Over de omvang van de mishandelingen konden nog geen conclusies getrokken worden. Om één zin later te schrijven: ‘Het onderzoek heeft evenwel uitgewezen – en aldus kan het resultaat van het tot dusver gehouden onderzoek worden samengevat – dat nagenoeg alom bewakers zich niet hebben ontzien weerloze mensen te kwellen en te mishandelen, waarbij door de Duitsers gedurende de bezetting toegepaste methodes zijn overgenomen.’

Dat was dan ineens toch een behoorlijk forse uitspraak, waarvoor Van Tuyll van Serooskerken alleen geen bronnen aandroeg, terwijl hij die wel degelijk, en ruimschoots, tot zijn beschikking had. In de rest van het eindrapport beperkte Van Tuyll zich tot een zeer korte samenvatting van drie kampen waar ernstig was mishandeld – en dat waren nou precies de voorbeelden die al door de Rijksrecherche waren onderzocht en openlijk in de media waren behandeld. Van Tuyll eindigde zijn rapport met de vaststelling dat er een vervolgonderzoek nodig was. Dat is er nooit gekomen.

'Zelden is een kans zo gemist,’ schreef Guus Belinfante er bijna dertig jaar later over, merkbaar gefrustreerd, in zijn standaardwerk over de Bijzondere Rechtspleging. Dat dit het resultaat van een ‘vol jaar’ onderzoek was, kon hij haast niet geloven. Zo goed en kwaad als het ging – het was inmiddels dertig jaar na dato – probeerde Belinfante dan maar zelf de omvang van de mishandelingen in kaart te brengen, zonder dat hij daarbij enige weet had van de honderden verhoren die in het kader van Van Tuylls onderzoek waren afgenomen en ongebruikt in het archief lagen.

Als ‘eenzame historicus’ had hij natuurlijk niet de middelen die de Enquêtecommissie destijds had gehad, verzuchtte hij, nog los van het feit dat veel van de getuigen inmiddels waren overleden. ‘De gemiste kans kan niet goedgemaakt worden.’ En dat had ernstige maatschappelijke gevolgen: ‘de ongerustheid over wat in de kampen gebeurd is, wordt niet weggenomen.'

Het eindverslag van Van Tuyll is opgenomen in de verslagen van de Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 5b, p.427.

Bron: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 5b, p.427

Bron: A.D. Belinfante, In plaats van Bijltjesdag 246-51. In navolging van Belinfante verbaasde Loe de Jong zich in 1988, toen deel 12 van Het Koninkrijk verscheen, evenzeer over het summiere eindverslag van Van Tuyll van Serooskerken. Ook De Jong had geen weet van de duizenden pagina’s aan bronmateriaal die Tuyll en zijn medewerkers hadden verzameld maar die nooit waren gebruikt. Zie: De Jong, Koninkrijk der Nederlanden deel 12, pp 526-227.

En zo is in de geschiedschrijving een sfeer van onduidelijkheid blijven hangen rond de mishandelingen in de interneringskampen, en wat nu eigenlijk de basale feiten waren. Het hele vraagstuk is nooit voorbij de aanvankelijke twijfels rond de betrouwbaarheid van het verslag van Van der Vaart Smit gekomen. En hoewel Belinfante al vaststelde dat een deel van dat verslag wel degelijk bleek te kloppen, bleven veel historici de nadruk leggen op de gevallen die Van der Vaart Smit had overdreven, of waarvan nooit bewijs was geleverd.

Ondertussen lag het bronmateriaal dat over veel van deze kwesties uitsluitsel had kunnen geven in archiefdozen van het Ministerie van Justitie: dozen vol officiële verhoren van gedetineerden die uitgebreid ingingen op de mishandelingen door bewakers, het seksuele geweld, de verwaarlozing van dodelijke infectieziekten, uithongering en andere misstanden; een vrij complete collectie van de krantenartikelen die tussen 1944 en 1950 over de interneringskampen waren verschenen, inclusief veel van het materiaal dat de betrokken journalisten voor deze artikelen hadden gebruikt, brieven van geïnterneerden in reactie op de berichtgeving over Van Tuylls onderzoek die eind januari 1950 in tientallen dagbladen verscheen; klokkenluidersrapporten van kampartsen en geestelijk verzorgers, een aantal Rijksrechercherapporten over moorden door bewakers en nadere verklaringen van betrokken politieagenten.

In 2023 werd het archief van Van Tuyll van Serooskerkens onderzoek voor de Parlementaire Enquêtecommissie openbaar gemaakt. Aan de hand van dit materiaal, samen met onderzoek dat een aantal historici en journalisten ondertussen naar afzonderlijke interneringskampen hebben gedaan, valt behoorlijk precies te reconstrueren welke misstanden in de detentiekampen tussen het najaar van 1944 en 1947 hebben plaatsgevonden, en hoe structureel en wijd verspreid het geweld was.

De basale feiten, die zo lang in onzekerheid gehuld zijn gebleven, vallen nu een stuk beter na te gaan. Deze longread toont de eerste contouren daarvan. Het materiaal is te veelomvattend en complex om hier volledig te behandelen.

Die onduidelijkheid werd ook niet weggenomen toen journalist Koos Groen in zijn boek Fout en niet goed uit 2009 een reeks losse fragmenten uit de archieven van Tuyll van Serooskerken citeerde, zonder de nodige historische context. Groen stond toen al bekend als een enigszins onbetrouwbare onderzoeker, vanwege zijn slordige gebruik van bronnen. Zie: Koos Groen, Fout en niet goed, pp. 218-251.

Bron: Henk Eefting, De Bijzondere Rechtspleging 1944-1952 (2007), p. 334. Zie ook F.J Harterink, die vanwege zijn NSB-lidmaatschap vastzat in een interneringskamp: ‘Als wij als nationaal-socialisten aan het Nederlandse volk 1/10 hadden aangedaan, tijdens de verlopen vijf jaar, van wat wij en de onzen nu hebben moeten verduren, zo ware er geen Nederlands volk meer geweest.’ In: Verslag van mijn internering (1997) p.138.

Het gaat om een ANP-artikel dat werd overgenomen door tientallen dagbladen. Een aantal daarvan plaatsten deze oproep erbij: ‘Degenen die klachten hebben, kunnen deze altijd naar voren brengen zonder dat dit voor hen onaangename gevolgen met zich mee zal brengen; zij behoren dit in het belang van de rechtsorde te doen.’ Zie bv: De Noord-Ooster, 31 januari 1950; Bredasche Courant 30 januari 1950;  Limburgsch dagblad 30 januari 1950.

De afgelopen jaren zijn een aantal boeken over afzonderlijke interneringskampen voor collaborateurs verschenen: Marijke Verduijn, De Verliezers, (2023); Richard Hoving, Het ‘foute kamp, (2011); Guido Abuys en Bas Kortholt (red. Dirk Mulder en Gerard Veerkamp), Interneringskamp Westerbork, (2010).

Mishandelingen in detentiekamp Vught

Van de vijf concentratiekampen die tijdens de bezetting onder Duits bewind hadden gestaan, was Kamp Vught het eerste dat – voor de helft – werd omgevormd tot een detentiekamp voor collaborateurs – de andere helft diende als opvangkamp voor Duitse evacués uit het frontgebied. Vanaf november 1944 werden duizenden Nederlandse collaboratieverdachten uit de zuidelijke provincies naar Vught overgebracht. Van tachtig procent van hen was er niets bekend, constateerde de nieuw aangetreden commandant: hun namen, hun leeftijd, en vooral: waarom ze eigenlijk gearresteerd waren. Van SS’ers tot mensen die uit opportunisme lid van de NSB waren geworden tot gewone burgers die toevallig een Duitse achternaam hadden; ze liepen allemaal door elkaar heen.

Maar door de kampbewakers werden ze allemaal, zonder enig onderscheid, ‘als VEROORDEELDEN behandeld', zo meldde een van hen een paar maanden later in een klokkenluidersbrief. ‘Vele heb ik er zien vertrekken, die vrijgelaten werden, omdat bleek, dat hun niets ten laste gelegd kon worden.’ In de maanden dat deze bewaker in Vught diende had hij gezien dat gedetineerden tijdens verhoren ‘gruwelijk geslagen en geschopt’ werden. Stokslagen of dagenlange opsluiting in een bunker waren de standaardstraffen in het kamp. Meerdere keren had hij bij zijn superieuren geprotesteerd, ‘echter steeds zonder enig, althans merkbaar, resultaat.

Een andere bewaker, die tijdens de bezetting in het verzet had gezeten, deed ook melding van wantoestanden in Vught: de bewakingstroepen van het kamp waren niet getraind voor het werk wat ze deden, de kampleiding was ‘absoluut onbekwaam' en bestond vooral uit baantjesjagers. Er kwamen ‘rospartijen’ voor in het kamp. Soms gingen de bewakers 's avonds de barakken in ‘om iemand onderhanden te nemen.’ Onder de gedetineerden werden barakhoofden en ‘rechercheurs’ aangewezen, die orde moesten houden, en die opdracht kregen om medegedetineerden ‘25 stokslagen te geven naar middeleeuwsch model.’

Pas nadat ze waren vrijgelaten, of als ze naar een ander kamp waren overgeplaatst, durfden veel gedetineerden verklaringen af te leggen over de mishandelingen die ze in Vught hadden gezien of zelf hadden moeten ondergaan. ‘Daar in dat kamp heb ik mijn eigen ontlasting moeten eten, zand eten en over de mishandelingen wil ik maar niet spreken,’ schreef de een in een verslag op verzoek van het RIOD. ‘Begrijp nog niet dat ik leef na al die ellende van toen.’

Pas nadat ze waren vrijgelaten, of als ze naar een ander kamp waren overgeplaatst, durfden veel gedetineerden verklaringen af te leggen over de mishandelingen die ze in Vught hadden gezien of zelf hadden moeten ondergaan. ‘Daar in dat kamp heb ik mijn eigen ontlasting moeten eten, zand eten en over de mishandelingen wil ik maar niet spreken,’ schreef de een in een verslag op verzoek van het RIOD. ‘Begrijp nog niet dat ik leef na al die ellende van toen.’

Bron: Brief van G.H. Steeman aan Koos Vorrink, 10 nov 1945, Nationaal Archief 2.09.10; Schoonoord, Circus Kruls, pp 647-48; Verduijn, De verliezers, pp. 49-54 en 45.

Bron: Uit het meegestuurd verslag van de vertrouwensman district ‘s Hertogenbosch Gemeenschap Oud Illegale Werkers Nederland, A. Raaijmakers, aan Militaire Commissaris Noord-Brabant, 23 feb 1945. Rijksarchief Noord-Brabant inv. nr. 142.

Een ander meldde dat hij zich in de barakken had moeten uitkleden, met schuurpoeder was volgesmeerd en met harde schuiers was geschrobd tot zijn hele huid verwond was. Daarna was hij 'tot stikkens toe onder water gehouden’. BS-ers hadden met stenguns op hem en zijn barakgenoten ingeslagen. Weer een ander verklaarde hoe er tijdens de verhoren een gedetineerde met loodkabels bewusteloos werd geslagen en daarna in het gezicht getrapt werd, ‘wat hem o.a. een voortand kostte.’ Twee van zijn medegevangenen waren zelfs lukraak door de kampbewakers doodgeschoten, beweerde deze zelfde gedetineerde: één had zijn broodrantsoen voor een plakje cake willen ruilen met een van de Duitse evacués die al klaarstond aan de andere kant van de prikkeldraad-versperring. Precies op het moment van de uitruil had de bewaker zijn geweer gepakt en op hem afgevuurd. Het andere dodelijke slachtoffer was gevallen toen die de barak was uitgelopen om een bekende te groeten. ‘Na 10 passen, zonder waarschuwing vooraf, 'n schot, dood!’

Het klinkt haast te gruwelijk om waar te zijn, als er niet zoveel voorbeelden waren van vergelijkbare schietincidenten in andere interneringskampen.

Bron: 'M. Huizenga aan v. Tuyll v Serooskerken, 15 feb 50', Nationaal Archief, 2.09.10 inv. nr 7; 'verklaring Teun van Es', Nationaal Archief 2.09.10 [archief v. Tuyll v Serooskerken] inv. nr. 2; 'verklaring Jos Paaymans aan RIOD', 8 sept 1948, Nationaal Archief 2.09.10.

Tijdens de zomer van 1945 voerde de wachtmeester in kamp Vught zo’n schrikbewind dat hij er voor de rechter verantwoording voor moest afleggen. Volgens getuigen had hij een gedetineerde met een brandende sigaret in de ogen gestoken, met zijn schoenen op blote tenen getrapt, met een stuk hout op billen en lendenen geslagen tot het ‘rauwe vlees’ er los bijhing. De wachtmeester verdedigde zich door te ontkennen en daarna te verwijzen naar andere bewakers, die veel erger waren: ‘Indien u van mishandelingen spreekt, dan moet u maar eens kijken op het kerkhof in het kamp Vught. Daar kan ik graven van personen, die door de Zeeuwsche bewakingstroepen dood zijn geslagen, zo aanwijzen.’

Binnen het kamp bevond zich een stuk onbegroeid, zanderig terrein dat door de gedetineerden ‘de Bloedakker’ genoemd werd. Daar moesten zij in aanwezigheid van het kamppersoneel en de commandant allerlei strafoefeningen doen, zoals het zogenaamde ‘robben’, waarbij de gevangenen zich op hun buik over de grond moest voortschuiven met hun ellebogen – als een zeerob; of het ‘grammofoonplaatje draaien’, waarbij ze met één vinger op de grond en de ander in hun oor zo snel mogelijk rondjes moesten draaien, ‘vergezeld met klappen van ploertedooiers en stengun. Dan moest men stoppen en in de houding gaan staan wat je natuurlijk niet kon omdat je van het draaien dol was geworden.’ Bij het opdrukken gaven de bewakers geregeld met hun geweerkolven een stoot op de handen, of gingen erop staan ‘met hun ijzeren beslagen hakken’. Wie de opdrachten niet kon volhouden werd bestraft met slagen. Zwangere vrouwen, zieken en ouden van dagen werden niet ontzien, meldde een gedetineerde.

In februari 1945 luidden niet alleen de twee bewakers die in Kamp Vught hadden gewerkt, maar ook de kamparts, twee geestelijk verzorgers, het hoofd personeelszaken en het hoofd van de technische dienst de noodklok. Ook al had de commandant van de bewakingstroepen inmiddels, na maanden van mishandelingen, opgedragen dat ‘kastijdingen’ vanaf nu verboden waren, dat betekende niet dat alle bewakers zich daaraan hielden. Een van de leidinggevende bewakers beweerde dat dit nu eenmaal de enige manier was om de gedetineerden ‘tot een bekentenis te dwingen.’ ‘De enkele frisse, principieele kerels, die met idealen bezield in de bewakingstroepen zijn getreden, worden steeds meer ontnuchterd en schamen zich,’ waarschuwde een van de klokkeluiders. Zoals het er nu aan toe ging, deed Kamp Vught wat al te veel aan de Duitse concentratiekampen denken: ‘Er hangt nog menig Duitsch geintje!’

De rollen omgedraaid

Die vergelijking met de Duitse concentratiekampen duikt voortdurend op in de eerste berichten over mishandelingen van gearresteerde collaboratieverdachten. Al in oktober 1944 meldde een arts uit Maastricht hoe zij gedwongen werden door hun bewakers om wormen te eten en om hun hoofd door een mesthoop te rollen. Eén gedetineerde moest zijn eigen vader slaan. ‘Gerechtigheid is niet te bereiken door ons te bezoedelen met dezelfde methoden, als ons bekend zijn uit de concentratiekampen,’ waarschuwde hij.

De Limburgse krant Veritas publiceerde op 7 maart 1945 een artikel met de titel ‘Dachau in Maastricht?’, geschreven door de deken van de Maastrichtse Orde van Advocaten, Charles van Oppen, die gedetailleerd meldde hoe het er in het Maastrichtse interneringskamp aan toe ging: 1400 mensen waren op elkaar gepropt in een oude, leegstaande kazerne aan de Grote Looiersstraat, met alle gevolgen voor de gezondheid en de hygiëne van dien. Ook de voeding, 2 ons droog brood en 's avonds soep, was verre van toereikend: ‘bij ontslag blijkt de afname van het lichaamsgewicht tusschen de 15 en de 25 kg. te zijn.’

Maar de aanleiding voor de krantenkop zat vooral in de mishandelingen: de bewakers sloegen met hondenzweep, gummistokken en geweerkolven. En ook hier was het 'grammofoondraaien’ ingevoerd: ‘Dit spelletje schijnt voor de toeschouwers zeer vermakelijk te zijn, doch moet een buitengewoon geschikt middel wezen om iemand krankzinnig te maken’. Een aantal gedetineerden had ook in de Duitse concentratiekampen gezeten, meldde van Oppen, en zij vertelden dat zij ‘véél en véél liever gevangen zaten in de concentratiekampen te Ommen, Amersfoort (...) Buchenwald, enz. dan hier in de Looierstraat.’

Bron: Lisette Kuijper, ‘Sla er maar op los. Sla ze maar kapot!’, Brabant Historisch Informatie Centrum (januari 2024).

Bron: Verklaring Jos Paaymans aan RIOD, 8 sept 1948, Nationaal Archief 2.09.10.

Bron: A. Raaijmakers, aan militaire commissaris Noord-Brabant, 23 feb 1945,  Brabants Historisch Informatie Centrum 127, inv nr 142; Marijke Verduijn, De Verliezers pp. 88-89.

Zie ook De Jong: ‘Zij die er prijs op stelden, juist voor die taak tot de BS toe te treden (en die dan opgenomen werden zonder enig antecedentenonderzoek), waren niet steeds de beste elementen (…) diegenen die de wantoestanden waarmee zij werden geconfronteerd, niet konden verdragen, namen als staflid ontslag en wie aan de wantoestanden genoegen beleefden of er in welk opzicht ook van profiteerden, bleven.’ Koninkrijk deel 12, p. 494.

Bron: Brief van arts H. Speleers aan het Comité van Illegale Werkers, 13 oktober 44 [archief aantekeningen De Jong, voor Koninkrijk deel 10a en deel 12, NIOD]. zie ook Loe De Jong, Koninkrijk der Nederlanden deel 12, pp. 494-95. Zie ook Grevers, Van landverraders tot goede vaderlanders, pp. 149-151.

Bron: Charles van Oppen, ‘Dachau in Maasstricht?’, Veritas: katholiek 14-daagsch blad voor Maastricht, 7 maart 1945. Zie ook Helen Grevers, Van Landverraders tot goede vaderlanders, pp. 149-150; Schoonoord, Circus Kruls, p.642 (die het artikel abusievelijk 'Dachau aan de Maas’ noemt).

Nadat zijn artikel was verschenen, was een onderzoekscommissie aangewezen, met daarin onder meer de president van de Maastrichtse rechtbank en de aalmoezenier van het interneringskamp, die vergelijkbare conclusies trokken en hun rapport zonden naar het Militair Gezag. ‘Dit rapport is door het Militair Gezag achterover gedrukt,' vermoedde Van Oppen, ‘niemand heeft er ooit meer iets van gehoord.’

Juist voor degenen die de Duitse concentratiekampen van binnenuit kenden, was het moeilijk om daar niet aan terug te denken als ze zagen wat er in de Nederlandse interneringskampen gebeurde. Op 18 augustus 1945 meldde een medewerkster van het Rode Kruis, Loes van Overeem, zich met haar advocaat bij het Ministerie van Justitie, om verslag te doen van mishandelingen die ze in Kamp Amersfoort had gezien. Overeem had tijdens de bezetting ook in Kamp Amersfoort gewerkt. ‘Zij kan dus een vergelijking maken,’ noteerde de ambtenaar van het Ministerie van Justitie in zijn verslag van het gesprek. ‘Volgens haar is er weinig verschil. Het is ongeveer even erg. (...) De mishandelingen bestaan uit slaan, trappen, bespuiten van oogen, neus, borst en geslachtsdelen met een koude waterstraal tot 20 minuten lang.’

Eén gedetineerde, die nota bene onschuldig bleek te zijn, was een hele dag lang in een afgesloten bunker mishandeld door iemand die speciaal daarvoor het kamp was binnengelaten en ‘blijkbaar eens wraak’ wilde nemen. Veel van de bewakers dreigden zich te ontpoppen als ‘ras-sadisten’, waarschuwde Overeem. Ze hadden tegen haar gezegd dat ze blij zouden zijn als het Rode Kruis binnenkort uit het kamp vertrokken zou zijn. ‘Dan hebben zij vrij spel.’

In het archief van Van Tuyll van Serooskerken ligt een rapport over de mishandelingen in Westerbork met dodelijke afloop. Ene W. Bosma uit Zweelo was bij zijn aankomst ‘zo geslagen, dat hij nadien aan de gevolgen van de bekomen verwondingen overleed.’  A.D.J. Bekker uit Enschede was te zwak om te werken en als bestraffing daarvoor werd hij geslagen en geschopt. Hij overleed ’s nachts in de barak. De arts vermeldde ‘longontsteking’ op de overlijdensakte.

Bron: 'Charles van Oppen aan v. Tuyll van Serooskerken, 20 okt 1949', 2.09.10 [archief v. Tuyll v Serooskerken] map 7.

Bron: J.E. Erdman, 'Rapport over kamp van politieke gedetineerden te Amersfoort, n.a.v. mededeeling gedaan door Mevr. Van Overeem, Den Haag, 20 aug 1945', Nationaal Archief 2.03.01, zie ook: Hoving, Het ‘foute kamp. De geschiedenis van het Amersfoortse interneringskamp Laan 1914 (1945-1946), pp.59-60.

Interneringskamp Westerbork

Van alle Duitse concentratiekampen die na de bevrijding tot detentiekamp voor collaborateurs werden gemaakt, komt Westerbork het meest voor in verhoren die Van Tuyll en Van Schilfgaarde voor de Parlementaire Enquête afnamen.

Tientallen gedetineerden die vanaf mei 1945 in het Westerbork hadden gezeten, verklaarden tijdens de verhoren voor de Parlementaire Enquête dat ze – met name in die eerste periode – met knuppels waren geslagen, dat ze tegen hun hoofd waren getrapt, dat de mishandelingen soms urenlang doorgingen, dat er mensen aan waren gestorven; dat sommige gedwongen werden om toe te kijken hoe bewakers hun familieleden afranselden en in prikkeldraad wikkelden, dat ze hadden gezien hoe zwangere vrouwen in hun buik waren getrapt, bejaarden en zieken uitgeput op de grond vielen en niemand ze mocht helpen, dat bewakers seks hadden met vrouwelijke gedetineerden, dat vrouwen  waren aangerand en verkracht; dat de gevangenen werden uitgehongerd, dat vele honderden waren gestorven aan dysenterie, difterie en andere infectieziekten, waarvoor ze niet of veel te laat werden behandeld; dat zieke gedetineerden werden ingespoten met apomorphine, waardoor ze gingen spugen en diarree kregen.

Het begon al met het transport naar Westerbork: de arrestanten werden opeengepakt in vrachtwagens die zo roekeloos reden, ‘dat men de grootste moeite had er niet af te vallen.’ Een van de gedetineerden kon zich de aankomst van een transport herinneren, 'waarvan enigen zo zwaar waren gekneusd, dat wij hen op de brancard naar de barak moesten brengen.’ Een ander herinnerde zich een vrouw, 'die van een wagen was gevallen en verschillende beenderen gebroken had; zij is in het kamp aan de gevolgen van die val overleden.’Voor de poort van het kamp moesten ze dan in een rij staan wachten, van 's ochtends tot het eind van de middag, zonder eten en drinken. Mannen en vrouwen werden daarbij geschopt en in hun gezicht geslagen.

Een van hen herinnerde zich hoe de bewakers aan de meisjes vroegen ‘of, en hoeveel keren, zij met Duitsers uit waren geweest, of zij een “hoer” waren, enz.’ Meerdere getuigen herinnerde zich hoe een hoogzwangere vrouw op de buik was geslagen met de woorden ‘daar zit zeker een S.S.kindje in.’ Volgens een van de getuigen werd het kind de dag erna dood geboren. Weer een ander herinnerde zich dat een vrouw die mank was en niet lang kon staan, in elkaar zakte op de modderige grond. Terwijl de rest eindelijk naar binnen werd gelaten, lieten de bewakers haar nog een uur in de plas liggen.

Bron: Nationaal Archief, 2.09.10. Zie ook: A.D. Belinfante, In plaats van Bijltjesdag pp. 211, 218-223.

Bron: 'Proces-verbaal Marina Bergman door J.C. van Schilfgaaarde, 18-19 jan 1950' S/No.12; 'Proces-verbaal Teuntje Hal [Schilfgaarde] 13 sept 1950', S./no.161; 'Catharina Kusters  - 23 mei 50 Schilfgaarde', S./no.112; 'Anna van der Gaag 10 mei 1950' S/no.108.

Bron: 'Proces-verbaal Maria Schouten, 8 aug 1950 door J.C. van Schilfgaaarde, in opdracht van de procureur-fiscaal bij de Bijzondere Raad van Cassatie' S./no.146; 'Catharina Kusters  - 23 mei 50 [Schilfgaarde]' S./no.112 ; 'Henriette van Marle [Schilfgaarde] 20 jan 1950' S/No.15; 'Christina Leeflang, verhoord op 22 feb 1950 door Schilfgaarde' S.no.43.

Veel getuigen die vertelden over de mishandelingen bij hun aankomst in Westerbork, benadrukten dat een deel van de bewakers in het kamp Joods was, een bijzonderheid die voor de overtuigde antisemieten onder hen – een groot deel van gedetineerden bestond tenslotte uit nazi-sympathisanten – als een extra vernedering voelde. ‘Die Joden waren door de Duitsers in Westerbork achtergelaten omdat zij diensten aan de Duitsers hadden bewezen,’ beweerde de één. ‘Bij binnenkomst gingen de Joden erg tegen ons te keer, en dreigden de gaskraan voor ons te zullen openzetten,’ meldde de ander.

Toen Westerbork werd bevrijd bleken er nog 876 Joodse gevangenen in het kamp te zijn. Zeshonderd van hen mochten op bevel van het Militair Gezag het kamp die eerste maanden nog niet verlaten. De bevelhebbers wilden eerst weten hoe het precies kwam dat zij hier nog zaten en niet naar de kampen in Duitsland en Polen waren gedeporteerd.

En aangezien er nauwelijks bewakingspersoneel gevonden was voor de eerste lichtingen van gearresteerde collaboratieverdachten die werden binnengevoerd, besloten de bevelhebbers van het Militair Gezag om deze Joodse gevangenen, die gedwongen werden om nog in Westerbork te blijven, aan te wijzen tot bewakers van de collaboratieverdachten.

Naast de Joodse gevangenen waren er van meet af aan marechaussees in het kamp geweest, en in de loop van mei 1945 kwamen er zo'n tweehonderd bewakers van de Binnenlandse Strijdkrachten bij. Naast de nauwelijks verholen weerzin waarmee gedetineerden het over ‘die Joden en Jodinnen’ hadden, spraken ze ook met afschuw over de ‘Veenhuizers’, bewakers uit de regio van de voormalige Drentse strafkolonie, die door veel Nederlanders als een ruwe en primitieve onderklasse werden beschouwd. ‘Minderwaardig’ en ‘bruut', zo typeerden ze hen: ‘Wie neerviel werd afgeranseld met een gummiknuppel door de z.g. “Veenhuizers”.’ Een oude man, die een paar aardappels had meegesmokkeld van de boerderij waar hij had moeten werken, werd door vier bewakers, ‘waaronder Veenhuizer V.’ zo geslagen dat hij een paar dagen later overleed, zo meldt een notitie uit het archief van het Parlementaire Enquête onderzoek.

Dat Westerbork zo veel genoemd werd in het onderzoek naar de mishandelingen had overigens niet zozeer te maken met het bewakingspersoneel, maar vooral met het feit dat het met zesduizend gedetineerden tot de grootste interneringskampen behoorde, en bovendien een van de weinige kampen was die meteen na de bevrijding op die grote schaal werden ingezet.

Tijdens die eerste maanden vonden de meeste mishandelingen plaats tijdens dagelijkse appèls waarvoor de gedetineerden in het kamp werden opgeroepen. Die kregen dan allerlei opdrachten: hardlopen, door de modder kruipen, soms moesten ze urenlang hun armen heffen, tot ze het niet meer volhielden. Dat was meestal het moment dat ze een klap kregen met de gummiknuppel, of een trap tegen het hoofd als ze op de grond lagen.

Om hieraan ontsnappen, probeerden sommige gedetineerden om doorverwezen te worden naar de ‘scabies-barak', waar de schurft-patiënten zaten en degenen die luizen hadden, omdat de bewakers daar om begrijpelijke redenen niet kwamen. 'Om dit doel te bereiken kocht een gedetineerde dan wel een luis, waarvan de prijs een brood was.’

Een oudere man uit Noordwijk-Dalen kreeg vanwege het stelen van enkele wortels zware strafexercitie, die hij niet kon uitvoeren. Nat van het zweet werd hij ‘door de dienstdoende politieman geruime tijd “in de houding” in de winter in de koude wind gezet.’ Hij overleed een paar dagen later – deze keer was het wel echt longontsteking.

Tijdens een van de verhoren vertelde een gedetineerde dat ze tijdens een tewerkstelling bij een boerderij had gezien hoe even verderop ‘mannen die aan het werk waren met knuppels werden geslagen en getrapt.’ Een van hen bleef liggen en werd in een greppel geschopt.

Tussen april en juli 1945 zijn in Westerbork minstens 89 gedetineerden overleden, verreweg de meeste sterfgevallen waren het gevolg van infectieziekten. In de zomer van 1945 gingen difterie, dysenterie en tyfus rond in het kamp. De weerstand van de meeste geïnterneerden was verzwakt door ondervoeding, noteerde een geestelijk verzorger die die zomer in het kamp gewerkt had, ‘zodat het sterftecijfer abnormaal hoog blijft’.

Voedseltekort was een probleem in alle interneringskampen, en trouwens ook erbuiten: de hele Nederlandse samenleving was in de maanden van de bevrijding aan een strikt rantsoen gebonden. Volgens de reglementen moesten de interneringskampen zich daar ook aan houden, maar tientallen getuigenissen van gedetineerden wezen erop dat dat in de praktijk niet gebeurde. Bewakers hielden voedsel achter – voor zichzelf, en omdat de gedetineerden – in hun ogen allemaal NSB’ers of nog erger – het niet verdienden om hetzelfde voedsel te krijgen als de rest van de Nederlandse bevolking. De gedetineerden vonden geregeld stukjes glas, spijkertjes en doorns in hun eten. ‘Ik heb wel gezien, dat er maandverband en muizen uit werden gevist,’ herinnerde een van hen zich.

Met het oog op alle infectieziekten die rondwaarden, zou de kampleiding de kwaliteit van de voeding goed moeten blijven controleren, noteerde J.A. Steenbakker, een Nederlands-Hervormde predikant uit het nabijgelegen dorpje Erica, nadat hij in augustus 1945 twee weken in Westerbork had gewerkt. ‘De aanblik vooral van de mannen is miserabel en het is begrijpelijk dat velen door een ontmoedigende angst vervuld zijn, dat ze er hier niet door zullen komen.’

Steenbakker voelde zich geroepen om zijn rapport door te sturen naar de staf van het Militair Gezag én naar de minister-president, gealarmeerd door wat hij in Westerbork had aangetroffen. Daarbij probeerde hij zijn verslag niet al te negatief te laten klinken – bewust dat de officieren van het Militair Gezag, die de kampleiding hadden aangesteld, niet gediend waren van ondermijnende geluiden. Dat er vlak na de bevrijding problemen waren geweest met de voeding, de behuizing en de medische voorzieningen was begrijpelijk, benadrukte hij. Maar wat hij in Westerbork had gezien, had niets met overmacht te maken. Hier werden de gedetineerden opzettelijk vernederd en gekweld en Steenbakker kon zich niet aan de indruk onttrekken dat het de opzet was ‘om de menschen psychisch en geestelijk te breken'.

Bron: 'Proces-verbaal Maria de Jong, 2 aug 1950 door J.C. van Schilfgaaarde, in opdracht van Procureur fiscaal bij de Bijzondere Raad van Cassatie' S./no.142; 'Marina Bergman 18-19jan 1950' S/No.12. Andere getuigen over bedreigingen met gaskamers: 'Maria Schouten 8 aug 1950' S./no.146; 'Cornelia Scherpenisse 31 mei 50' S/no.116; 'Maria de Jong, 2 aug 1950' S/no.142; 'Maria van Beusekom, 4 jan 1950' S/no.2.

Bron: 'Proces-verbaal Margaretha de Boois, door JC van Schilfgaarde 28 april 50' S/NO.91; Guido Abuys en Bas Kortholt, Interneringskamp Westerbork. Verhalen van een vergeten verleden 1945-1948 (2010) 29-31; Schoonoord, Circus Kruls, pp. 651-52.

Bron: ‘Kamp Westerbork', 28 juli 1948, rapport archief v. Tuyll v Serooskerken, Nationaal Archief 2.09.10; ‘Opgave van een aantal mishandelingen e.d. aan Politieke delinquenten begaan’ [werkdocument v. Tuyll van Serooskerken archief], Nationaal Archief 2.09.10.

Bron: 'Lijst van Bewarings- en interneringskampen in Nederland, 12 nov 1945', Nationaal Archief 2.03.01, inv. nr 1303.

Bron: 'Henriette van Marle 20 jan 1950' S/No.15;  'Catharina Kusters  - 23 mei 50'; 'Cornelia Johanna van Deventer11 jan 1950' S/No.9; 'Proces verbaal No.72; Johan Smit, door v. Tuyll van Serooskerken', 13 maart 1950, Nationaal Archief 2.09.10.

Bron: 'Proces-verbaal Christina Leeflang, door J.C. van Schilfgaaarde, in opdracht van Procureur fiscaal bij de Bijzondere Raad van Cassatie, 22 feb 1950' S.no.43, Nationaal Archief 2.09.10; ‘Opgave van een aantal mishandelingen e.d. aan Politieke delinquenten begaan’, Nationaal Archief 2.09.10.

Bron: Abuys en Kortholt, Interneringskamp Westerbork, p.41. Zie ook notitie ‘Kamp Westerbork' (28 juli 1948); archief van Tuyll v Serooskerken, Nationaal Archief 2.09.10; ‘Rapport van den geestelijken verzorger der Ned. Herv. Kerk, J.A. Steenbakker - Morilyon Loysen 15 aug 1945’, Nationaal Archief 2.03.01 inv. nr. 1303. Zie ook de sterftecijfers in Vught door infectieziekten in Grevers, Van landverraders tot goede vaderlanders, p. 145.

Bron: 'Proces-verbaal Maria Schouten, 8 aug 1950 S/no.146; Catharina Kusters 23 mei 1950' S/no.112; 'Hermina Beekman 7 juni en 14 juni 50' S/no.122

Bron: ‘Rapport van den geestelijken verzorger der Ned. Herv. Kerk, J.A. Steenbakker - Morilyon Loysen (...) naar aanleiding van zijn verblijf in Kamp Westerbork 1-15 aug 1945’, 15 aug 1945, Nationaal Archief 2.03.01 inv. nr. 1303.

Daarbij werd bovendien geen onderscheid gemaakt tussen de verschillende categorieën van gedetineerden. 'Misdadigers zijn volkomen gelijkgesteld met naïeve idealisten, zware met lichte, ja onschuldige gevallen. En hoewel nog geen vonnis is geveld en er officieel sprake is van verblijfs- en bewaringskampen, draagt het kamp Westerbork het karakter van een zwaar strafkamp, zwaar voor ieder en dubbel zwaar door de onzekerheid aangaande de toekomst.’

Het rapport kwam Steenbakker op gebeten reacties te staan van de commandant van Westerbork, Luitenant J.G. Buyvoets, en van de chef-staf van het Militair Gezag, generaal Hans Kruls. Die hadden eerdere pogingen om de toestand in Westerbork te onderzoeken al tegengehouden. Duidelijk geïrriteerd over het feit dat Steenbakker zijn rapport naar de premier had doorgestuurd en daarmee het hele Militair Gezag te kijk had gezet, zag Kruls zich genoodzaakt om op 6 september een inspectiebezoek aan Westerbork te brengen, waarbij hij Steenbakker ontbood voor een strenge ondervraging: waarop baseerde hij zijn bevindingen eigenlijk precies? Waar haalde hij het idee vandaan dat het sterftecijfer abnormaal hoog was? En vooral: waarom had hij de misstanden niet bij de kampcommandant aangekaart?

Steenbakker antwoordde dat hij wel degelijk een melding bij Buyvoets had gedaan. De kampcommandant, die ook aanwezig was bij de ondervraging, had destijds inderdaad met Steenbakker over geestelijke verzorging gesproken, zo lichtte Buyvoets zelf toe, en ‘aangetoond, dat de menschen daarvoor nog niet rijp waren.’ Dat de gedetineerden geen boeken mochten lezen of spelletjes mochten spelen, vond Buyvoets volstrekt logisch, aangezien ‘alle gedetineerden werken en dus niet ledig rondhangen.’ Over het hoge sterftecijfer verklaarde de medische toezichthouder van het kamp, dr. Bauduin, dat het aantal ziekte- en sterftegevallen ‘normaal’ waren en dat Steenbakker zijn beweringen ‘op niets baseert.’ De suggestie dat ondervoeding een rol zou kunnen spelen, had Buyvoets al in een eerder brief weggewuifd: ‘U slaat de plank glad mis, want mijn voedingsstatistieken en mijn medische statistieken vergissen zich niet.’

En dan was er nog de kwestie van de mishandelingen: wie had Steenbakker daarover gesproken, wilde generaal Kruls weten. De dominee noemde een aantal namen van gedetineerden, die vervolgens door de stafofficieren van het Militair Gezag werden opgezocht en ondervraagd. Die lieten nog behoorlijk veel doorschemeren, voor mensen die wisten dat ze na de visitatie weer volledig zouden zijn overgeleverd aan de bewaking en de kampleiding: ‘Zij achten de behandeling van het bewakingspersoneel niet altijd behoorlijk,' tekende majoor Reitsma van het Militair Gezag op. En: ‘Het is VROEGER wel voorgekomen, dat vrouwen naakt werden uitgekleed.’ Er werd ‘nog wel eens geslagen’ en ‘gestompt’, staat er in het verslag, maar met veel nadruk voegde Reitsma toe dat het om bewakers buiten het kamp ging, of om ‘burgers van den P.O.D.’ – precies de groepen waar het Militair Gezag niet verantwoordelijk voor was. Ter afsluiting van de inspectie besloot generaal Kruls met een berisping van Steenbakker en de conclusie dat diens klachten ‘zeer weinig serieus gefundeerd zijn.’

Bron: ‘Rapport J.A. Steenbakker - Morilyon Loysen, 15 aug 1945', Nationaal Archief 2.03.01 inv. nr. 1303. Steenbakkers opmerking over het verbod op persoonlijke activiteiten wordt bevestigd in het proces-verbaal van Cornelia Johanna van Deventer [S/No.9]: ‘niet handwerken, niet lezen en geen andere bezigheden. Als wij met iets van handwerk bezig waren, werd het in beslag genomen. Wij waren daardoor bezig geestelijk ten gronde te gaan.'

Bron: S.M.S. Reitsma, ‘Rapport inzake bezoek van den Chef Staf Militair Gezag Generaal-Majoor Mr. H.J. Kruls en Majoor Mr. S.M.S. Reitsma aan het kamp Westerbork op Donderdag 6 sept 1945’ (Den Haag 11 sept 1945); Lt.J.G. Buyvoets aan J.A. Steenbakker, 24 aug 1945, Nationaal Archief 2.03.01 inv. nr. 1303]; Schoonoord, Circus Kruls, p. 652.

Bron: S.M.S. Reitsma, ‘Rapport bezoek Kruls en Reitsma aan Westerbork 6 sept 1945’ (Den Haag 11 sept 1945)'; 'Lt.J.G. Buyvoets aan J.A. Steenbakker, 24 aug 1945', Nationaal Archief 2.03.01 inv. nr. 1303.

Bron: Reitsma, ‘Rapport bezoek Kruls en Reitsma aan Westerbork 6 sept 1945’ (Den Haag 11 sept 1945)'.

Eerste inspectierondes

Tussen oktober en december 1945 voerde het Militair Gezag veel meer inspecties uit in de interneringskampen: tijdens bliksembezoeken van de zogeheten ‘vliegende colonnes’ ondervroegen de officieren per kamp altijd een paar gedetineerden over de kwaliteit van de voeding, de w.c.'s, én hoe ze door de bewaking werden behandeld.

De antwoorden op die laatste vraag werden in de rapporten doorgaans in één korte zin samengevat: ‘Geen zeer ernstige klachten’. Of: ‘Mishandelingen komen de laatste tijd niet meer voor.’ En als er nog wel mishandelingen plaatsvonden, voegde de inspecteurs toe: ‘Hiertegen wordt wel door het kampcommando opgetreden.’ Als er al kritiek op de bewakers of het kamppersoneel doorklonk in de inspectierapporten, was het omdat die ‘te slap’ en te ‘weinig militair’ waren in de ogen van de inspecteurs. In Kamp Ellewoutsdijk diende de kampleiding zo snel mogelijk vervangen te worden: een van de stafleden was namelijk drummer in een jazzband en trad op ‘bij vermakelijkheden voor de Gezagstroepen.’ Desastreus voor de hiërarchie, oordeelden de officieren.

Uit de inspectierapporten van de Vliegende Colonnes spreekt een duidelijke militaire blik: in de eerste plaats gericht op de materiële basisvoorzieningen en de vraag of die afdoende zouden zijn voor de aankomende winter: de behuizing, het voedsel, het aantal slaapplekken, of er genoeg dekens, strozakken of kribben waren, hoeveel daarvan moesten worden bijbesteld, de algehele hygiëne, het sanitair, de medische verzorging, kleding, schoeisel en de verwarming van de ruimtes.

Bron: ‘Inspectierapport Vliegende Colonne no.32, Kamp Ellewoutsdijk, 18 okt 45’; ‘Inspectierapport Vliegende Colonne no.25, Fort De Bilt 8 okt 1945’; ‘Inspectierapport Vliegende Colonne no.22, Levantkade 3 okt 1945’.

In sommige kampen was de voeding uitstekend; in de Johan Willem Friso kazerne te Ede bijvoorbeeld kregen de gedetineerden 2 boterhammen en een halve liter pap bij het ontbijt, zes gesmeerde boterhammen in de middag, ‘s avonds een liter stamppot, met zelfs wat vlees en vet erin. In de Strafgevangenis Scheveningen was de situatie weer heel anders: tijdens de inspectie noteerde de Vliegende Colonne dat daar negenhonderd gedetineerden ondervoed waren geweest. Honderdvijftig van hen leden aan hongeroedeem.

Het waren allemaal steekproeven, momentopnames van de situatie in de kampen. De inspecteurs vroegen niet door als ze te horen kregen dat er ‘de laatste tijd’ geen mishandelingen meer waren voorgekomen, maar verbonden er de conclusie aan dat het probleem dan kennelijk was opgelost.

Bron: ‘Inspectierapport Vliegende Colonne no.21, Strafgevangenis Scheveningen 1 okt 45’; verhoren majoor Snijders tijdens inspectie Johan WIllem Friso kazerne te Ede, 11 okt 1945; ‘Inspectierapport Vliegende Colonne no.22, Levantkade, 3 okt 1945’, Nationaal Archief 2.03.01 inv. nr. 1303.

In kampen waarover ze noteerden dat ‘de behandeling door het bewakingspersoneel algemeen als correct of uitstekend [werd] aangemerkt,’ zoals het inspectierapport van Kamp Duinrust in Overveen op 12 oktober meldde, bleken toch vaak ernstige misstanden te hebben plaatsgevonden. Nog maar een paar weken voor het inspectiebezoek waren in Duinrust meerdere doden waren gevallen, doordat de bewakers door de ramen en vloeren schoten waarachter de gedetineerden zaten opgesloten.

Op 20 juli 1945 had een vijfentwintigjarige bewaker staan schieten op een etenspannetje dat achter een raam op de tweede verdieping in de vensterbank stond. Een van de kogels trof een gedetineerde, Johannes Janssen uit Delft, vol in het gezicht, dat door de inslag werd weggeblazen. Hij was op slag dood. Een maand later, in de nacht van 25 op 26 augustus had een negentienjarige bewaker dwars door de vloer omhoog geschoten en een eenenzestigjarige gedetineerde getroffen in de linkeronderarm, die geamputeerd moest worden. Volgens een van de gedetineerden overleed deze man later aan zijn verwonding. Er waren nog meer meldingen bij de Bloemendaalse politie binnengekomen van dit soort schietpartijen in Duinrust, zo verklaarde een Rijksrechercheur onder ambtseed.

Beschietingen kwamen in veel meer interneringskampen voor. Belinfante concludeerde in zijn boek dat er minstens negen kampen waren geweest waarin de buitenwacht op gedetineerden had geschoten, in de meeste gevallen opzettelijk en zonder noodzaak, met minstens 18 dodelijk slachtoffers. Verreweg het meest bekende geval was De Harskamp, een interneringskamp op de Veluwe waar meer dan vierduizend SS’ers waren vastgezet. Daar schoten de bewakingstroepen vanuit de wachttorens negen maanden lang regelmatig op gedetineerden die 's nachts naar de latrine wilden gaan, of lukraak op de barakken waar de gedetineerden sliepen, in de hoop iemand te treffen. De kampcommandant greep niet in.

Het was pas toen de predikant van de Harskamp, Gabriel Moll van Charante, rapporten begon rond te sturen naar verschillende instanties dat er ruchtbaarheid aan de zaak begon te komen. Meerdere rapporten, schreef Moll van Charante later aan Van Tuyll van Serooskerken, waren verdwenen of ‘in de doofpot gestopt’. Pas jaren later werd er uitgebreid onderzoek gedaan naar de beschietingen in de Harskamp, waar in totaal 11 gedetineerden dodelijk werden getroffen.

Uit de archieven van Van Tuyll van Serooskerkens onderzoek voor de Parlementaire Enquête blijkt dat er naast de kampen die Belinfante in zijn boek noemde, ook in Kamp de Korte Geer in Delft, Kamp Koudenhorn in Haarlem, Sellingerbeetse, Kamp Amersfoort en Fort de Bilt schietpartijen waren voorgekomen, in een aantal gevallen met dodelijke afloop. Zo meldde een getuige die in Korte Geer had gezeten dat daar in augustus 1945 een jonge man was doodgeschoten door de buitenbewaking, dwars door het raam.

Het gebeurde vaker, dat als gedetineerden voor het raam stonden, of erlangs liepen, de bewakers buiten begonnen te schieten. Er waren mensen in hun arm en in hun dijbeen geraakt. De regel was dat gedetineerden niet bij het raam mochten komen. De kampleiding was bang dat ze anders briefjes naar buiten konden gooien. Een vrouw uit Den Haag, die in september 1945 naar Korte Geer werd overgeplaatst, werd bijna door een kogel geraakt toen ze langs de trap naar beneden liep en de bewakers vonden dat ze te lang voor het raam bleef staan. Ze kon niet sneller, vanwege een stijf been.

In de Groen van Prinstererschool in Vlaardingen werd dwars door de vloer van de lokalen geschoten. De kogel ging door een strozak en landde in het plafond. Een van de bewakers kwam naar boven rennen en keek naar de gedetineerden: ‘Is er nog een kapot?’ vroeg hij. En in kamp Koudehoorn in Haarlem stond op een septemberdag in 1945 een oudere man zijn dochter uit te wuiven, die naar de vrouwenafdeling in Kamp Duinrust werd overgeplaatst. Een bewaker riep dat hij naar binnen moest komen en dreigde te schieten, maar de man reageerde niet. De bewaker richtte zijn geweer en schoot de man midden in zijn voorhoofd. Zijn dochter was de poort al uit. Pas toen ze in Kamp Duinrust was, hoorde ze dat haar vader was overleden.

Bron: 'Kabinetsnota no.427 voor den Ministerraad van den Minister van Oorlog inzake de bewaring en Bewaking van Gedetineerden in Kampen 11 juli 45', Nationaal Archief 2.03.01 inv. nr. 1359; Schoonoord, Circus Kruls, p. 638.

Bron: Inspecteur/Rijksrechercheur Lodder aan PG Amsterdam, ‘rapport no. 84/50, 16 sept 1950’; verhoor Gerhard Schuttte, S./no.92; verhoor Martha van Petegem, S./no4.95; ‘brief J.C. Luiten aan de heer Lunshof, 4 feb 1950’, NA 2.09.10

Nog in 1946 was er een jonge gedetineerde die buiten paaltje met prikkeldraad aan het zetten was en zonder aanleiding in de rug werd geschoten door een bewaker in militair uniform, aldus ‘verhoor Jacob de Jonge 13 feb 1950’, S./no.57, NA 2.09.10.

Bron: A.D. Belinfante, In plaats van Bijltjesdag 212-217; 'G.H. Moll v. Charante aan Mr. A.M. Baron van Tuyll van Serooskerken, 1 feb 1950', Nationaal Archief 2.09.10; Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 5a pp. 484-509; deel 5b pp. 427-436.

Bron: 'Verhoor Bernarda Meeuwisse door Schilfgaarde op 19 januari 1950' S/No.13; 'Verhoor jonkvrouw Catharina Quintus door Schilfgaarde op 1 maart 1950' S/No.47. Zie ook: 'verhoor Maria Karstens  door Schilfgaarde, 2 mei 50' S/No.96; 'brief J.H. Slighers aan A.M. Baron van Tuyll van Serooskerken, 10 feb 1950', Nationaal Archief 2.09.10.

Bron: 'Verhoor Adriana Ruijs door Schilfgaarde op 13 en 14 juli 50' S/no.130; 'verhoor Bernarda de Roos door Schilfgaarde op 19 mei 1950' S/no.109; 'verhoor Antje Smit door Schilfgaarde op 27 februari 1950' S/No.46Nationaal Archief 2.09.10.

Ongericht geweld en persoonlijke wraak

Veel van de ergste misstanden die in de verhoren van het Parlementaire Enquete-onderzoek worden genoemd vonden plaats in kleine, onbekende interneringskampen, die vaak meteen na de bevrijding in scholen of leegstaande loodsen of fabrieken waren ingericht, zonder dat er iets aan voorzieningen was geregeld, laat staan dat er toezicht op de bewakers was. Juist in de eerste weken en maanden na de bevrijding werden duizenden gearresteerde collaboratieverdachten naar dit soort provisorische plekken gebracht

Zo werd Johan Roghair, een 58-jarige man uit Den Haag, een dag na zijn arrestatie vastgezet in een garage aan de Groente- en Fruitmarkt. Daar lagen ze met 71 man in een box waar wat stro in was gestrooid. ‘Wanneer iemand zich ‘s nachts wilde omkeren, moesten allen zich omdraaien.’ In de vierenhalve maand dat hij daar vastzat, zag hij hoe bewakers gedetineerden in de geslachtsdelen trapten, hoe een jongen meermalen geslagen was, met blindheid tot gevolg. Zelf was hij met een ploertendoder op het achterhoofd geslagen. ’s Nachts hoorde hij in andere garageboxen het kermen van zijn mede-gedetineerden. ‘De bewakers gingen ’s nachts in de boxen knuppelen.’

Dit was het soort geweld zoals dat in veel interneringskampen voorkwam: niet gericht op specifieke personen, maar op de gedetineerden in het algemeen. Dat sloot aan bij de algehele stemming zoals die vlak na de bevrijding heerste, waarin collaborateurs veelal over één kam werden geschoren, zoals Belinfante in het voorwoord van zijn standaardwerk al opmerkte: de meeste Nederlanders hadden helemaal geen zin om onderscheid te maken tussen zware en lichte gevallen van collaboratie. In zijn boek over het straatgeweld tegen collaborateurs in Antwerpen wijst de Vlaamse historicus Antoon Vrints op nog een ander motief: de ‘behoefte om te handelen’ die veel mensen, met name jonge mannen, hadden, na ‘een periode van dwang waaraan ze weinig hadden kunnen veranderen.’ Het geweld diende als het ware om het einde van die periode van passiviteit en halfslachtigheid te markeren: ‘De twijfels die velen gekoesterd hadden of de wisselende posities die sommigen ten aanzien van de bezetter hadden ingenomen, werden ermee uitgewist.’

Zie verklaring Ter Veer: ‘Als men spreekt over misstanden in de kampen, denkt men uiteraard in de eerste plaats aan de bewaringskampen van het DGBR. (…) maar kampen noemde men ook de plaatsen, waar de pas aangehoudenen zeer tijdelijk bewaard werden. En de heer Ter Veer gelooft, dat daar de hartstocht het meest parten heeft gespeeld, meer dan in een kamp, dat op een verblijf voor langere duur was ingericht.’ Enquêtecommissie 5a p.522.

Bron: Verhoor Johan Roghair door Van Tuyll van Serooskerken 3 feb 1950, S./no.52, Nationaal Archief 2.09.10.

In hoeverre dit soort motieven meespeelden bij de bewakers in de interneringskampen kan slechts beperkt worden nagegaan aan de hand van het materiaal in het Van Tuyll van Serooskerken archief. Daarin zijn weliswaar een aantal verhoren van bewakers te vinden, in het kader van onderzoek door de Rijksrecherche naar een klein aantal geweldsincidenten. In deze geïsoleerde gevallen bleek dat betrokken bewakers inderdaad de neiging vertoonden om de gedetineerden in de kampen als één categorie van landverraders te beschouwen, maar er is een veel bredere onderzoeksaanpak nodig om na te gaan of er structurele motieven scholen achter het geweld in de kampen.

Wat wel uit Van Tuylls archief duidelijk wordt, is dat er een groot verschil bestond tussen structureel geweld dat tegen collaborateurs in het algemeen was gericht, en geweldsuitbarstingen die uiterst persoonlijk waren. In het Friese Bolsward bijvoorbeeld werd op 25 april 1945 een man, zijn handen geboeid achter zijn rug, de grote zaal van het gemeentehuis in geleid, waar achter een lange tafel de burgemeester, de gemeentesecretaris, de predikant van de gereformeerde kerk en de wachtmeester zaten, en nog vier bewoners van het nabijgelegen Makkum. Ze stelden hem een paar vragen, waarna de wachtmeester opstond en hem met een gummiknuppel in het gezicht begon te slaan. De mannen uit Makkum sprongen toen ook op, scheurden de kleren van de man kapot, gooiden hem tegen de muur en begonnen hem te schoppen. Nadat dit een paar uur was doorgegaan, werd de man naar de cel in de kelder gebracht.

Bron: Antoon Vrints, De Afrekening. Geweld tegen collaborateurs in Antwerpen 1918 en 1944-1945, p.278. Zie ook: Grevers, Van landverraders tot goede vaderlanders, p. 113.

Negen dagen lang bleef hij daar opgesloten. Al die tijd bleven zijn handen geboeid achter zijn rug. Het weinige eten dat hij kreeg, moest hij opslurpen als een hond. Af en toe ging het luikje van de celdeur open en stonden daar mensen uit de omgeving, die hem uitscholden. Ze wisten allemaal precies wie hij was: Jan Harm Brouwer was een V-man, een spion die voor de Duitsers had gewerkt en zich tijdens de bezetting als verzetsman had voorgedaan. De hele verzetsgroep in Makkum had hij aan de Duitsers verraden. Vier verzetswerkers waren opgepakt en hadden de oorlog niet overleefd.

De mishandeling die Brouwer na de bevrijding kreeg te verduren, was een direct gevolg van zijn eigen daden tijdens de bezetting en de slachtoffers die hij had gemaakt. Maar tijdens het verhoor voor het onderzoek van de Parlementaire Enquêtecommissie sprak hij daar met geen woord over. Wie dat verhoor leest, krijgt alleen een verhaal mee van gruwelijk sadisme en redeloos geweld. En dat geldt ook voor andere verhoren in Van Tuylls archief: de vraag wat de mishandelde gedetineerden zelf tijdens de bezetting hadden gedaan, of dat eventueel verband had met de mishandelingen, staat nergens in die processen-verbaal vermeld.

Wat de aanklacht of veroordeling was – veel gedetineerden waren ten tijde van de verhoren al veroordeeld en hadden hun straf (met aftrek van voorarrest) inmiddels uitgezeten – wordt nergens duidelijk. Voor het Parlementaire Enquête-onderzoek naar de misstanden in de interneringskampen was dat ook niet relevant, maar voor wie het motief van het geweld tegen collaborateurs beter wil begrijpen, kan het wel degelijk helpen om te weten wat de voorgeschiedenis van een mishandelde gedetineerde was. Al was het maar om een onderscheid te kunnen maken tussen persoonlijk gericht geweld en geweld dat tegen de hele groep van collaborateurs was gericht. Om het verschil tussen die twee categorieën te kunnen herkennen, helpt het, en is het soms cruciaal, om het CABR-dossier van een mishandelde gedetineerde in te zien.

Bron: verhoor Jan Harm Brouwer, door Van Tuyll van Serooskerken, 15 feb 1950, S./no. 58, Nationaal Archief 2.09.10; CABR-dossier: 2.09.09, inv. nr. 76878; zie Belinfante voor het onderscheid tussen ongericht en gericht geweld tegen collaborateurs: Belinfante, In plaats van Bijltjesdag p. 178.

Peter Oldemans, de NSB-burgemeester van Alblasserdam, werd tijdens zijn internering in Kamp Hollandia in Gorkum geslagen, getrapt, in het prikkeldraad gegooid, levend begraven, en op al allerlei andere manieren gemarteld, nachten achter elkaar. Zijn dochters werden gedwongen ernaar te kijken. ‘Hij komt hier niet meer levend uit, daar zullen wij wel voor zorgen,’ had de kampcommandante tegen hen gezegd. In zijn tijd als burgemeester had Oldemans tal van razzia's en huiszoekingen in Alblasserdam en omgeving laten uitvoeren. Hij had verzetswerkers mishandeld, opgepakt en laten deporteren, met hun dood als gevolg. Kamp Hollandia lag vlakbij Alblasserdam. De kampbewakers wisten allemaal precies wie Oldemans was. De kans is groot dat een aantal van hen directe familie of vrienden waren van de slachtoffers die Oldemans tijdens de bezetting had gemaakt.

In Kamp Harderwijk werd de Puttense NSB-burgemeester Frederik Klinkenberg nachtenlang geslagen en gemarteld in een afgesloten cel. Hij had met zijn benen gespreid op de grond moeten liggen, waarna zijn ondervragers hem één voor één in zijn geslachtsdelen hadden getrapt, met nierbloedingen en blijvende ontstekingen als gevolg. Na de verhoren waren de kampbewaarders zijn cel binnengekomen en doorgegaan met de afranselingen. Klinkenberg was niet zomaar een NSB-burgemeester geweest. Over de hele Veluwe was hij tijdens bezetting gevreesd en gehaat. Tot ver buiten zijn eigen gemeente had hij tientallen Joodse Nederlanders en verzetswerkers opgespoord en gearresteerd. Daarnaast werd hij ervan verdacht medeverantwoordelijk te zijn voor de razzia in Putten, waarbij 7 inwoners waren geëxecuteerd en 659 burgers waren gedeporteerd, van wie 539 de oorlog niet hadden overleefd.

Mishandeling als reden voor strafvermindering

Pas in 1955 vormden de mishandelingen die Frederik Klinkenberg had ondergaan een reden om hem strafvermindering van twee tot drie jaar te geven. Het verbaasde de raadsheren van de Hoge Raad dat dat nu pas aan de rechters werd voorgelegd, terwijl er al in 1949 een uitgebreid onderzoek door de Rijksrecherche naar was gedaan. Dat is inderdaad vreemd, aangezien dat politierapport elf getuigenverklaringen van de mishandelingen bevatte en het een jaar voordat Klinkenbergs zaak werd behandeld door de Bijzondere Raad van Cassatie verscheen.

Het gebeurde sowieso maar zelden dat de mishandelingen in de interneringskampen werden meegenomen in de veroordelingen door de Bijzondere Gerechtshoven, de Tribunalen, of de Bijzondere Raad van Cassatie, terwijl ze wel als verzachtende omstandigheden konden worden ingebracht. En in de zaken dát dat werd gedaan, leidde dat soms wel degelijk tot strafvermindering.

Waarom gebeurde het dan maar zo weinig? Het handjevol dossiers in het CABR waarin officiële meldingen staan van mishandelingen door bewakers in detentiekampen, geven wel een indicatie: gedetineerden die melding van mishandeling maakten, terwijl ze nog vastzaten in een kamp, liepen een enorm risico. Zo stuurde Dirk Reeskamp, die vastzat in Kamp de Oude Molen in Naarden, al in het najaar van 1945 een brief aan de kamppredikant, waarin hij vertelde dat hij getuige was geweest van 32 gevallen van ernstige mishandeling, in één geval met een maagbloeding tot gevolg en in een ander geval kon het slachtoffer daarna zes weken lang niet lopen.

Bron: 'C.P. Drisch-Oldemans aan [M.H.], 8 jan 1946'; 'C.P. Drisch-Oldemans aan H. Favery, 8 jan 1946'; 'verhoor van Teuntje Oldemans door Schilfgaarde op 6 januari 1950' S./no.3, Nationaal Archief 2.09.10. Zie ook: CABR, Nationaal Archief, 2.09.09, inv. nr. 439.

Bron: CABR, Nationaal Archief 2.09.09, inv.nr. 327I; Madelon de Keizer, Putten. De Razzia en de herinnering (1998); ‘Dagvaarding 22 april 1949’, CABR, Nationaal Archief 2.09.09, inv. nr. 327I;  ‘W.J. den Otter, Rijksrechercheur, verhoor F.D.G. Klinkenberg, 2 aug 1949’, Nationaal Archief 2.09.10; in een verklaring aan het Bijzonder Gerechtshof Arnhem zei Klinkenberg hetzelfde, CABR, Nationaal Archief 2.09.09, inv. nr. 327III.

Bron: 'Gratie-advies Hoge Raad der Nederlanden, 2 mei 1955', CABR, Nationaal Archief, 2.09.09, inv. nr. 327I; 'Proces-verbaal Rijksrecherche Arnhem in het kader van ’Onderzoek in verband met gepleegde mishandelingen ten opzichte van de politieke delinquent Frederik Daniel Gijsbert Klinkenberg’, 5 augustus 1949 ',Nationaal Archief 2.09.10.

Bij Reeskamp zelf waren de tanden uit de mond geslagen tijdens de verhoren door de Politieke Opsporingsdienst. De kamppredikant had meerdere doorslagen van Reeskamps brief gemaakt en ze naar verschillende instanties gestuurd. De kampcommandant had er lucht van gekregen, waarna Reeskamp vier weken lang in een isoleercel was gezet. Het was eigenlijk een ‘donker hok, waarin een beest het niet uithouden zou. Zonder licht en lucht met alleen een kleine luchtkoker naar het dak.’ Reeskamp had suikerziekte en doordat hij soms 's ochtends geen eten kreeg, ondanks dat de bewakers van zijn toestand wisten, verergerden zijn klachten, totdat hij met een verlamde voet naar het ziekenhuis moest worden gebracht. In 1949 werd Reeskamp door het Bijzonder Gerechtshof Amsterdam vrijgesproken, wegens gebrek aan bewijs.

De risico's om berichten over misstanden naar buiten te brengen, waren in de meeste kampen maar al te bekend. Veel kampcommandanten wilden voorkomen dat de buitenwereld lucht zou krijgen van wat er binnen de muren gebeurde. Daarom was het in een aantal kampen verboden voor gedetineerden om zich in de buurt van ramen te begeven, zodat ze geen briefjes naar buiten zouden gooien. De schietincidenten in Korte Geer en Buitenrust waren het gevolg van deze regel. Soms koos een commandant ervoor om de ramen simpelweg dicht te spijkeren, ook al kon er dan niet meer gelucht worden.

Bron: Dossier Dirk Reeskamp: CABR, Nationaal Archief 2.09.09, inv. nr. 64579.

En als er dan toch briefjes werden gevonden – het maakte niet eens uit wat erin was geschreven - werd dat zwaar bestraft. In de Groen van Prinstererschool in Vlaardingen werd een gehandicapt meisje twee weken in een w.c. opgesloten vanwege een gesmokkeld briefje. In Kamp Hart in het Groningse Winschoten, dreigde de commandant gedetineerden neer te schieten, toen er naar buiten gesmokkelde brieven waren ontdekt. Nog in 1949 en 1950 vreesden gedetineerden die met onderzoekers van de Rijksrecherche of de Parlementaire Enquête Commissie spraken, dat dat hun op ‘rancunemaatregelen’ van de bewakers zou komen te staan. Zelfs als ze al lang weer uit de kampen waren, voelden velen van hen zich nog niet veilig genoeg om vrijuit te spreken: in tientallen processen-verbaal benadrukten ze dat ze op geen enkele manier in het openbaar wilden komen met hun verklaring, en dat ze het ergste nog niet hadden verteld.

Er was nog een reden waarom de meeste gedetineerden kozen om de mishandelingen niet te melden bij de instanties: het was voor de bewakers vrij makkelijk om alle beschuldigingen simpelweg te ontkennen. Hendrik Zomer, die tijdens de oorlog Landwachter was geweest en in Friesland veel Arbeidsinzetonderduikers en kleine overtreders had gearresteerd, was een van de weinigen die een officiële melding van mishandeling maakte: in het Huis van Bewaring in Leeuwarden had hij rondjes over de binnenplaats moeten rennen, terwijl de bewakers hem met gummiknuppels hadden bewerkt. Eén bewaker had meermalen zijn pistool in zijn richting leeggeschoten, terwijl Zomer kniebuigingen moest maken. De kogels waren vlak langs zijn hoofd gegaan.

Bron: 'Proces-verbaal Johanna Borger [Schilfgaarde 26 mei & 1 juni 50]' S/no.117; 'Proces-verbaal Grietje Dolman [Schilfgaarde 30 aug 1950]' S./no.156; 'Proces-verbaal Hendrika Bierling  [Schilfgaarde 24 juli 50]' S./no.137; 'brief J. Alssema aan Van Tuyll van Serooskerken, 6 juni 1950'; 'Proces-verbaal Jonkvrouw Antoinette van Aefferden [Schilfgaarde 27 juni 50]' S./no.125.

In opdracht van het Bijzonder Gerechtshof Leeuwarden werd een aantal van de bewakers over deze aantijgingen ondervraagd. Die ontkenden dat er zoiets gebeurd was. Sommige gedetineerden werden wel eens geslagen, verklaarde een van hen. En tijdens de exercities werd er ook wel eens ‘tik met een gummistok’ gegeven, gaf een ander toe, maar dat gebeurde alleen als een gedetineerde weigerde de opdrachten uit te voeren. Bij al deze incidenten waren het de BS-ers geweest die over de scheef waren gegaan, beweerden de vaste bewakers van de Leeuwardense gevangenis – zijzelf zouden zoiets nooit doen, al was het maar omdat ze wisten dat elke afgeschoten kogel in de administratie verantwoord moest worden. Hendrik Zomer werd veroordeeld tot dertien jaar. Zijn mishandeling speelde geen rol in het oordeel van het Bijzonder Gerechtshof.

Op 12 dec 1949 pleitte de advocaat van Arie Zondervan, die tijdens de oorlog commandant van de WA en de Landwacht was geweest, voor strafvermindering voor zijn cliënt, aangezien Zondervan zo ‘beestachtig geraffineerd’ was mishandeld ‘dat er geen woorden van afschuw voor te vinden zijn. Een bijltjesdag met uitbarsting der opgekropte volkswoede zou menschelijkerwijs eerder te begrijpen zijn dan hetgeen daar geschied is, zelfs ten aanschouwe van volkomen beschaafde lieden.’

Daar was geen woord van overdreven. Zondervan was het hoofd van de twee meest gehate bezettingsorganisaties geweest. Toen hij de Strafgevangenis van Scheveningen werd binnengeleid, gingen alle remmen los. Door een brullende menigte BS-ers werd hij opgedragen zich uit te kleden. Collectief sloegen ze op hem in. Met een ijzeren staaf werd hij in zijn geslachtsdelen geslagen. Een dag later werd hij in een kring van twintig a vijfentwintig BS-ers geleid, waarbinnen hij ‘als een circuspaard zo snel mogelijk in de rondte’ moest lopen, waarbij alle bewakers hem met gummiknuppels sloegen. Elke keer als hij bewusteloos neerviel, werd hij met een emmer water weer bijgebracht en begon het weer opnieuw. De ochtend erna moest hij zijn ton vol ontlasting legen. De BS-ers hadden een haag gevormd waartussen hij op blote voeten over neergegooide stukken scherven en glas moest lopen, onder een regen van stokslagen. Aangekomen bij de kuil waar alle tonnen werd geleegd, werd Zondervan erin geduwd. En zo bleef het wekenlang doorgaan.

Bron: CABR, Nationaal Archief 2.09.09, inv. nr. 679

Bron: Pleitnota inzake Arie Johan Zondervan, Bijzondere Raad van Cassatie, 12 december 1949, CABR, Nationaal Archief 2.09.09, inv. nr. 64283.

Bron: Loe De Jong, Koninkrijk der Nederlanden  deel 12, pp. 511-515

Martelingen in de Scheveningse Strafgevangenis

Over de martelingen die na de bevrijding in de Scheveningse Strafgevangenis plaatsvonden, beweerde de weduwe van NSB-voorman Meinoud Rost van Tonningen dat ook haar man daar elf dagen en nachten lang slachtoffer was geweest. Naast voortdurend geknuppel hadden dronken BS-ers hem gedwongen, hun spuug van de grond te likken, hadden ze een touw om zijn penis gebonden en sleepten hem daaraan voort (een marteling die volgens nazi-kopstuk Richard Fiebig eveneens op hem werd uitgevoerd, zie Joggli Meihuizen, Richard Fiebig. De uitbuiting van de Nederlandse industrie (2018), pp. 199-200. Uiteindelijk, zo heeft Florry Rost van Tonningen jarenlang beweerd, is haar man door een van de bewakers over de balustrade geduwd - in tegenstelling tot de officiéle berichten die spraken van zelfmoord.

‘Toen mijn man weer na een vreselijke nacht naar buiten werd gedreven om hem met een volle ton fecaliën te bevuilen en te knuppelen, heeft een bewaker hem plots gegrepen en over een 1 ,25 meter hoge leuning van het trapportaal gewerkt, waarna hij in het trappenhuis te pletter is gegooid!!!....’

- F.S. Rost van Tonningen - Heubel, Op zoek naar mijn huwelijksring, p.230.

In een tv uitzending van Het zwarte schaap, waar de weduwe Rost van Tonningen hoofdgast was, zei RIOD-onderzoeker A. van der Leeuw dat hij niet kon uitsluiten dat Rost was geduwd, of dat anders het ‘mensonterende’ gevangenisregime hem tot zelfmoord had gedreven. NIOD-onderzoeker David Barnouw wees erop dat hier geen bewijs voor is en dat Rost van Tonningen al vóór zijn detentie in het Oranjehotel zelfmoordpogingen had gedaan.  David Barnouw, Rost van Tonningen. Fout tot het bittere eind (2014), pp. 152-154, zie ook: ‘Rost van Tonningen tot zelfmoord gedreven’ in Trouw, 30 juni 2000.

Op 16 januari 1950 oordeelde de Bijzondere Raad van Cassatie dat er eerst ‘nader onderzoek’ gedaan moest worden naar de mishandelingen in de Strafgevangenis in Scheveningen. Puur en alleen op Zondervans eigen verslag kon de Raad geen strafvermindering baseren. Anderhalf jaar later, toen het gevraagde onderzoek had uitgewezen dat  Zondervan ‘inderdaad ernstig is mishandeld,’ was de vraag aan de Bijzondere Raad van Cassatie welke consequenties dat voor zijn straf zou moeten hebben, en daarmee ook meteen wat er met vergelijkbare zaken moest gebeuren.

Als de Bijzondere Raad van Cassatie tot strafvermindering zou beslissen, zou dat betekenen dat ze vanaf dat moment de aangewezen instantie zou zijn om bij andere gevallen van mishandeling ook over strafvermindering te oordelen. Daar voelden de Raadsleden weinig voor, al was het maar omdat strikt genomen ‘zodanige mishandelingen bij de bepaling van de straf niet in aanmerking behoren te worden genomen, aangezien zij op zichzelve met de factoren, die de stafmaat bepalen, in geen verband staan'. Dit soort gratieverzoeken zouden het beste aan de Koningin gericht kunnen worden. Die was juist in deze periode toch al bezig met een serie van strafverminderingen voor zwaargestrafte collaborateurs.

Zondervan kreeg uiteindelijk strafvermindering; bij gratie van de koningin – zonder dat daar een structurele, juridische grondslag aan te pas hoefde te komen.

Publiek debat

Net als in de rechtsgang duurde het ook in het publieke debat jaren voordat de mishandeling van collaboratieverdachten serieuze aandacht kreeg: vanaf 1945 was er af en toe een los bericht over mishandelingen in interneringskampen opgedoken, meestal in een van de regionale bladen, terwijl de officiële persberichten van regeringszijde juist ontkenden dat er ernstige misstanden hadden plaatsgevonden.

Bron: Uitspraak Bijzondere Raad van Cassatie, 22 mei 1950, CABR, Nationaal Archief 2.09.09, inv. nr. 214

Bron: Bijzondere Raad van Cassatie, vacantie Kamer, 6 aug 1951, CABR, Nationaal Archief 2.09.09, inv. nr. 64283.

Bron: CABR, Nationaal Archief 2.09.09, inv. nr. 608.

Zo had de Rijksvoorlichtingsdienst in augustus 1945 een persbericht doen uitgaan dat in verschillende grote dagbladen was overgenomen: ‘Geruchten over N.S.B.-kampen onjuist of in elk geval ten zeerste overdreven’. Het persbericht meldde dat officieren van het Militair Gezag en regeringsfunctionarissen inspecties in de kampen hadden uitgevoerd en 'uitvoerig en op voet van volkomen openhartigheid [hadden] gesproken met een twintigtal gevangenen’. Daaruit was gebleken dat er nauwelijks van mishandelingen sprake was, laat staan van ‘nazimethoden’ – die term was duidelijk een gevoelig punt in regeringskringen.

Een paar maanden later, toen ook de Vliegende Colonnes van het Militair Gezag hun inspecties in vrijwel alle kampen in het land hadden voltooid, werd er opnieuw een persconferentie gehouden, maar de toon was nu beduidend minder stellig: ‘Kolonel Snijders moest zeggen dat er inderdaad in den beginne nogal op los is geslagen,’ noteerde de verslaggever van het Algemeen Handelsblad, die eraan toevoegde ‘Dat is nu in de meerderheid der kampen afgeloopen.’

Deze formulering werd vaker gebruikt in de inspectierapporten: toegeven dat er in het begin wel wat was misgegaan, maar dat dat nu grotendeels verholpen was. Wanneer en hoe dat dan precies was gebeurd, werd meestal niet duidelijk gemaakt – en daar werd ook niet op doorgevraagd. Zo verklaarde de kampcommandant van Vught tegenover een verslaggever van de communistische krant De Waarheid dat er ‘inderdaad gevallen van mishandeling voorgekomen’ waren, maar dat die bij melding onmiddellijk waren aangepakt. Dat laatste vond de Waarheid-journalist helemaal niet nodig. Hij wist zeker dat de klachten over mishandeling ‘altijd overdreven worden’. Het gevaar was eerder dat de gearresteerde collaborateurs te zacht behandeld werden dan te hard.

De Waarheid had van meet af aan een harde lijn bepleit tegen de gearresteerde collaboratieverdachten. Toen premier Schermerhorn in augustus '45 opperde om de groep van lichte gevallen, die naast hun NSB-lidmaatschap niets verwijtbaars hadden gedaan, vrij te laten vóór de winter aan zou breken, begon De Waarheid-redactie met een protestcampagne. Onder de leuze ‘Zo denkt ons Volk over het vrijlaten van N.S.B.-ers’ liet ze bekende en onbekende Nederlanders aan het woord: ‘schandalig, gewoonweg om razend van te worden,’ zei een van hen. ‘Toen ik het op de radio hoorde, heb ik van kwaadheid mijn toestel uitgeschakeld.’

In de zomer en herfst van 1945 stonden veel kranten, De Waarheid voorop, vol met geruchten dat de gedetineerde collaborateurs vertroeteld werden in de kampen: dat ze betere kleding en beter voedsel kregen dan de vaderlandslievende Nederlanders; dat ze echte koffie kregen terwijl de rest van Nederland het met surrogaat moest doen. Het Eindhovens Dagblad wist zelfs te melden dat in de kampen broodjes met ham werden geserveerd. In september publiceerde Trouw een artikel over een feest dat in Kamp Harderwijk voor de gedetineerden was gehouden, waar sigaretten en chocola waren uitgedeeld en luidkeels volksliedjes waren gezongen. Dat vonden zoveel omwonenden zó onverteerbaar, dat ze zich verzamelden bij de poort van de kazerne. Toen de kampcommandant met zijn auto door de poort wilde rijden, werd hij uit de wagen gesleurd en door de woedende meute gedwongen zijn ontslagbrief te tekenen.

Het waren vooral de verzetskranten voor wie het regime in de detentiekampen niet streng genoeg kon zijn. Een uitzondering was Vrij Nederland, dat in september '45 een indringend geschreven artikel publiceerde van haar hoofdredacteur Henk van Randwijk over ‘sadistische pesterij’ door kampbewakers, ‘zo van de SS afgekeken’: Van Randwijk riep de Nederlandse regering op onmiddellijk een einde te maken aan ‘de schanddaden bedreven aan weerloze gevangenen!’ Dat kwam hem op een lading boze reacties te staan, van lezers die het belachelijk vonden dat Vrij Nederland zich hier überhaupt druk over maakte. ‘laat ze maar los,’ schreef een lezer, ‘want mijn handen jeuken om de eerste de beste neer te schieten.’

Parlementaire controle

De controle op de bewindvoering van de interneringskampen was tot ver in het najaar van 1945 alleen van het Militair Gezag en de regering zelf gekomen, niet vanuit het parlement, terwijl dat normaal gesproken daarvoor de toegewezen instantie zou zijn. Maar het Nederlandse parlement kreeg pas op 20 november ’45 officieel haar controlerende functie terug.

Een maand later, op 19 december, debatteerde de Tweede Kamer over de misstanden in de interneringskampen. En het bleek meteen dat een aantal van de fractiewoordvoerders aanzienlijk beter over de situatie in de kampen geïnformeerd was dan de dagbladen die alleen op de persberichten van het Militair Gezag waren afgegaan. Jaap Burger, van de SDAP, had bericht gekregen van advocaten die toegang tot kamp Duindorp werden geweigerd en zo niet met hun cliënten konden praten. Rad Korstenhorst van de RKSP haalde een bekende katholieke prediker aan, die ‘in de meest schrille kleuren’ de gruwelen in de kampen had geschilderd.

Zie ook de brief die minister van justitie Kolfschoten op 3 september 1945 stuurde naar het Militair Gezag naar aanleiding van het bezoek van Loes Overeem. Uit haar hele verhaal was er één ding blijven hangen: haar opmerking dat er weinig verschil bestond met de Duitse concentratiekampen. Dat vond de minister ‘ontstellend’ om te horen, schreef hij. 

Bron: ‘Geruchten over N.S.B.-kampen overdreven. Voeding en medische verzorging waren onvoldoende’, Nieuwe Haagsche courant’, 24 augustus 1945; ‘De toestand in de N.S.B.-kampen’, Het vrije volk, 29 augustus 1945 ; ‘Toestand in interneeringskampen’, De Tijd, 25 augustus 1945; ‘De N.S.B.-kampen‘, Nijmeegsch dagblad, 25 augustus 1945.

Bron: ’Toestand in kampen is redelijk’, Algemeen Handelsblad, 5 november 1945

Bron: ‘Vught — vacantieverblijf of Nazi-hel? De gulden middenweg is wel wat erg goud. Weinig schuldbesef bij de bewoners’, De Waarheid, 25 augustus 1945.

Bron: ‘Zo denkt ons Volk over het vrijlaten van N.S.B.-ers’, De Waarheid, 27 augustus 1945. Zie Belinfante, In plaats van Bijltjesdag, pp. 111-118.

Bron: De Waarheid, 21 aug 1945; EIndhovens Dagblad, 21 oktober 1945; Schoonoord, Circus Kruls, pp. 642-43; ‘Klachten over het kamp te Vught’ De Waarheid, 31 oktober 1945; ‘Interneringskampen en gedetineerden’, Ons Noorden,  23 juni 1945;‘Volksgericht te Harderwijk. Kampcommandant neemt ontslag’ Trouw,19 september 1945.

Bron: Het artikel van Van Randwijk verscheen in Vrij Nederland 22 september 1944, zie: Martin Bossenbroek, De Meelstreep (2001), p. 599.

Maar wat er nu precies klopte van alle verhalen was ook voor de Kamerleden moeilijk na te gaan: ‘Er is reeds zooveel over gepraat en gefabeld.’ Jonkvrouw van Wttwaall van Stoetwegen, van de Christelijk-Historische Unie, had eveneens talloze verhalen over ernstige misstanden gehoord, ‘en helaas moet ik aannemen, dat daar wel veel waars in is. Te bewijzen is het moeilijk. Mij werd gezegd niet te trachten zelf in zulk een kamp de toestanden te gaan opnemen, want men zou dan alles op zijn paaschbest doen zien, m.a.w. men zou niets van den werkelijken toestand zien.’

Dat is inderdaad wat meerdere gedetineerden een paar jaar later vertelden tegen de onderzoekers van de Parlementaire Enquêtecommissie. Toen bijvoorbeeld Kamp Avegoor in Arnhem werd geïnspecteerd kregen alle gedetineerden van de ondercommandant te horen dat iedereen die het zou wagen om iets negatiefs te zeggen, het later honderdvoudig terugbetaald zou krijgen. Luitenant-kolonel Mentrop, die vanuit het Militair Gezag toezichthouder van de kampen was, verklaarde tijdens de Parlementaire Enquête: “Maar als men er kwam, zag men niets. Dat was het moeilijke van al die dingen. Het was slechts zeer zelden, dat men bij een inspectie toevallig iets merkte.’

De fractiewoordvoerders van de Tweede Kamer stelden dan ook voor om een speciale Kamercomissie te benoemen ‘om op de meest ongelegen momenten en met volkomen vrijheid van beweging naar de kampen te gaan en te rapporteeren wat zij daar aantreft.’ Misschien konden ze op die manier achterhalen wat er nu echt in de kampen gaande was.

Bron: Handelingen Tweede Kamer, vergadering woensdag 19 december, pp. 83-101.

Bron: 'Proces-verbaal Jacoba van Loef [Schilfgaarde 17 aug 1950]' S/no.149; 'Proces-verbaal Theodora Derickx [Schilfgaarde 18 aug 1950]' S/no.150; 'Proces-verbaal Johanna Gerritsen [Schilfgaarde 14 aug 1950]' S/no.148, Nationaal Archief 2.09.10; 'verhoor J.F.H.M.V. Mentrop', Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 5a p. 519, 5c pp. 941-946.

Tijdens de eerste maanden van 1946 hebben kleine groepjes Kamerleden inderdaad onaangekondigde bezoeken afgelegd in verschillende kampen, waaronder Kamp Vianda in Hoek van Holland, de Levantkade in Amsterdam en de Harskamp op de Veluwe. Ze constateerden gebreken in behuizing, zoals tocht en brandgevaar, maar weinig ernstige mishandelingen door bewakers: ‘aan dit euvel, hetwelk in den eersten tijd zich nogal eens voordeed, [is] vrijwel een einde gemaakt.’

Dat was een te flatteuze voorstelling van zaken. Nog op 7 januari 1946, een paar weken voor de inspectie, was in de Harskamp een 18-jarige gedetineerde, Marius Roest, in de ziekenbarak door een bewaker doodgeschoten: ‘Op een middag, Marius zat in bed, kwam er een bewaker langs en richtte zijn geweer op Marius en heeft hem toen in koelen bloede doodgeschoten,’ noteerde een mede-gedetineerde in zijn dagboek. Kamparts A.F.J. Beumer omschreef het jaren later, tijdens de Parlementaire Enquête, in vergelijkbare termen: ‘dat was rondweg moord.’

In totaal waren in de Harskamp 38 gedetineerden door de beschietingen van de buitenwacht geraakt, elf van hen waren dodelijk getroffen. Het is een van de weinige zaken die later door de Rijksrecherche is onderzocht, met de bedoeling om de daders te vervolgen. Daardoor weten we in het geval van de Harskamp iets meer over de bewakers dan bij het geweld in andere kampen.

Bron: 'Verslag d.d. 7 mei 1946 van de Vaste Commissie voor Privaat- en Strafrecht uit de Tweede Kamer der Staten-Generaal omtrent haar bezoeken aan interneringskampen voor politieke delinquenten’ Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 5b, pp. 437-445. [Bijlage 154]; Belinfante, In plaats van Bijltjesdag, pp. 202-203.

Bron: Dagboek André Piso, NIOD Collectie 244  nr .1347, p.17;  'Verslag verhoor A.F.J. Beumer', Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 5a, p. 493; Schoonoord, Circus Kruls, p 665.

De beschietingen waren begin oktober 1945 begonnen, toen de vierde compagnie van 1-14 R.I. van de Gezagstroepen van de BS voor de buitenbewaking werd ingezet. Meteen de eerste avond van hun dienst schoten de BS-ers van deze compagnie salvo's af op de barakken van het kamp. ‘Het is inderdaad juist dat in de maanden october en november 1945 zeer veel in het kamp is geschoten,’ bekende een van de dienstdoende sergeants. Een andere sergeant zei: ‘Het was er een grote rotzooi. Soms was er gewoon een drinkemanspartij onder de soldaten.’ Dat laatste werd bevestigd door kamppredikant Moll van Charante, die rapporteerde ‘dat de officieren van de compagnie 14 R.I. regelmatig stomdronken zijn (...) en dat zij dan door hun eigen soldaten naar hun slaapplaats moeten worden gedragen en dat hun overwicht op de troepen daardoor niet meer bestaat.’

De inspecteurs van de Rijksrecherche vonden notities van de wachtmeester in het kamp, die had gehoord wat de bewakers tegen elkaar zeiden in de nacht van 3 op 4 oktober: ‘Er is een vent neergeschoten,’ had een bewaker van de zuidwestelijke wachttoren gezegd, ‘hij moet dood zijn. Maar het is niet erg, het is maar een SS-er.’ Andere bewakers kregen het advies om goed laag op de barakken te mikken ‘omdat die rotzakken zich hebben ingegraven.’

De Rijksrecherche had meerdere van zulke ‘rapporten omtrent schietpartijen’ gevonden. Ze kwamen overeen met het verslag van de kamparts, van een aantal bewakers uit de Gezagstroepen zelf, en van kamppredikant Moll van Charante, die verklaarde dat hij fel geprotesteerd tegen kampcommandant Scholten en rapporten had gestuurd naar de Rijksrecherche Arnhem, maar dat er niets mee was gedaan. Scholten had verklaard dat hij elk dodelijk slachtoffer had gemeld bij de Officier van Justitie. Maar die verzekerde de Rijksrecherche dat hij nooit op de hoogte was gesteld. Dat de Rijksrecherche onderzoek deed naar de beschietingen vond Scholten schromelijk overdreven: ‘Er is hoegenaamd niets bijzonders gebeurd in de Harskamp.’

Bron: Rapport Inspecteur-rijksrechercheur P.A. van Noothoorn [‘Kort verslag betr. wantoestanden in het pol. bewaringskamp en intern. kamp “Harskamp“ [no.90/'50]]' aan Procureur-fiscaal bij de Bijzondere Raad van Cassatie, 8 oktober 1950, Nationaal Archief 2.09.10.

Natuurlijk waren er dodelijke slachtoffers gevallen, erkende hij, maar in al die gevallen was dat het gevolg van overtredingen door de gedetineerden. Het waren ook niet zomaar gevangenen die in de Harskamp vastzaten, benadrukte hij: dit waren allemaal SS’ers, ‘veelal kerels met meerdere moorden op hun geweten.' En de bewakingstroepen waren ‘eigenlijk maar burgers in uniform, met een mentaliteit, gekweekt in vijf jaren Duitse bezetting.’

Vanaf de zomer van 1946 was een aantal politieonderzoeken ingesteld naar meldingen die bij de procureurs-generaal waren binnengekomen van ‘mishandelingen, zelfs den dood tengevolge hebbende, omtrent het veroorzaken van dood door schuld, omtrent zedendelicten.’ Maar van hun Officieren van Justitie kregen ze door dat die in verschillende interneringskampen op weerstand waren gestuit. Aan politie-inspecteurs was toegang tot de kampen geweigerd, terwijl alles erop wees dat ‘controle van neutrale zijde meer dan nodig is.

Tot begin 1946 waren de interneringskampen gevallen onder de verantwoordelijkheid van het Militair Gezag en hadden de kampregimes een vrij autonome positie gehad. En zelfs toen ze vanaf maart 1946 officieel onderdeel waren van het nieuw opgerichte Directoraat-Generaal Bijzondere Rechtspleging, dat onder het Ministerie van Justitie viel, kostte het de Minister nog steeds moeite om de kampcommandanten te laten meewerken aan de onderzoeken van de Rijksrecherche.

Uiteindelijk hebben die onderzoeken geleid tot bestraffingen van in totaal vijftien bewakers en één kampcommandant met boetes en gevangenisstraffen tot hoogstens één jaar. Het overgrote deel van de geweldplegers ging vrijuit: het was onmogelijk om ze allemaal in kaart te brengen, alleen al omdat de bewakers en de kampleiding elkaar vaak de hand boven het hoofd hielden, zoals bijvoorbeeld bleek uit de verklaring die kampcommandant Scholten gaf over de dodelijke beschietingen in de Harskamp: ‘Ik geloof dan ook niet dat de schildwachten ook maar één keer, zonder noodzaak, opzettelijk een gedetineerde hebben neergeschoten.’

Ophef in de media

Hoezeer de kampleiding en bewakers elkaar ook in bescherming namen, het geweld in de Harskamp was zo opzichtig geweest dat het ook in de openbare zaken van de Bijzondere Rechtspleging doordrong. Verschillende gedetineerden verklaarden tijdens verhoren dat ze blijvend letsel hadden als gevolg van de beschietingen. De één was in de knie getroffen. Na zes weken in het ziekenhuis moest het been opnieuw gebroken worden, anders zou hij de rest van zijn leven een stijf been houden.

Tijdens de zaak tegen SS’er André Piso in januari 1947 pleitte diens advocaat dat zijn cliënt vanwege de beschietingen in de Harskamp tot vervroegde vrijlating in aanmerking zou moeten komen: ‘Ook mijn cliënt werd het slachtoffer en kreeg een schot vlakbij de long. Zijn toestand is een tijdlang zeer ernstig geweest en tengevolge hiervan is zijn straf wel bijzonder verzwaard.’ En zo bleven nieuwe verhalen en getuigenissen over mishandelingen in detentiekampen naar boven komen. Vanaf 1946 publiceerde De Ochtendpost aanhoudend over martelingen, beschietingen en algehele misstanden in de interneringskampen.

Maar het grote omslagpunt in de media kwam pas bij de publicatie van Van der Vaart Smits brochure Kamptoestanden 1944-'45 - ’48. Tot dan toe waren de berichten over mishandelingen in de detentiekampen toch altijd betwijfelbaar geweest, verklaarde de redactie van Trouw, ‘aangezien de schrijvers zelf tot de delinquenten behoorden.' Maar in deze brochure waren de vermelde gebeurtenissen ‘zo ontstellend, dat zij voor ons aanleiding waren deze aan de waarheid te toetsen.’ En die beweringen bleken te kloppen. Dat bracht Trouw op 2 april 1949 tot de plechtige conclusie: Dat door een aantal kampcommandanten, kampbewaarders, leden van de voormalige B.S., van de politie, van de marechaussee en van het Nederlandse leger ten opzichte van geïnterneerde mannen en vrouwen een dusdanig gruwzaam misbruik van macht is gemaakt, dat de ergste voorbeelden daarvan in een dagblad niet kunnen worden vermeld.’'

Bron: 'Rapport Inspecteur-rijksrechercheur P.A. van Noothoorn 8 oktober 1950', Nationaal Archief 2.09.10. Zie Schoonoord, Circus Kruls, pp 665-666.

Bron: 'Brief procureurs-generaal aan Ministerie van Justitie, 13 juni 1946'; 'Parket vd OvJ Haarlem aan Proc-Gen. Speyart van Woerden [3 mei 1946]'; 'Parket OvJ Amsterdam aan proc.-Gen. 1 mei 1946, Nationaal Archief 2.09.08 inv. 1329; Marcel Verburg, Geschiedenis van het Ministerie van Justitie Deel 4: 1945-1971 (2022), pp, 56-63; Loe De Jong, Koninkrijk der Nederlanden deel 12, pp. 523-24

Bron: Belinfante, In plaats van Bijltjesdag, pp. 95-102. Zie ook een brief aan B.I.A.A. Ter Veer aan Ministerie van Justitie, 26 juni 1946, Nationaal Archief 2.09.08 inv. 1329, waarin Ter Veer schrijft het ongewenst te vinden als de reguliere rechterlijke macht toezicht krijgt over Bijzondere Rechtspleging, aangezien het de oude ambtenaren waren die toelieten dat rechters als Haga tijdens de bezetting uit de rechterlijke macht werden gezet.

Bron: Loe De Jong, Koninkrijk der Nederlanden deel 12, pp. 523-524 en 527. Rapport Inspecteur-rijksrechercheur P.A. van Noothoorn [‘Kort verslag betr. wantoestanden in het pol. bewaringskamp en intern. kamp “Harskamp“ [no.90/'50]] aan Procureur-fiscaal bij de Bijzondere Raad v Cassatie, 8 oktober 1950, Nationaal Archief 2.09.10. Zie ook: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 5b, pp.431-436.

Bron: CABR, Nationaal Archief 2.09.09, inv. nr. 68958.

Bron: ‘Onrecht in afwachting van recht’ in: Trouw, 2 april 1949.

‘Zwarte bladzijde na de bevrijding: Politieke gevangenen zwaar mishandeld in Nederlandse bewaringskampen,' kopte Het Parool diezelfde dag. Met als ondertitel: ‘Autoriteiten erkennen dat het nog erger is dan een rapport vermeldt.’ Het was het eerste artikel in een serie van drie. De Parool-redactie voelde zich, net als die van Trouw, genoodzaakt hun keuze voor deze prominente berichtgeving te onderbouwen: 'Wij publiceren deze misstanden, omdat de democratie er niet mee gediend is, als hierover wordt gezwegen. Wanneer wij ons er met een schouderophalen bij neerlegden, zou dit een overwinning betekenen van de Duitse mentaliteit, die wij altijd hebben bestreden.’

Dat nam niet weg dat er een stroom van negatieve lezersreacties kwam: ‘Ik vind elk woord, dat over deze zaak wordt gepubliceerd, zonde van de plaatsruimte,’ schreef de een. ‘Er hadden nog veel meer van die bandieten geliquideerd moeten worden,’ vond de ander. Weer anderen vroegen zich af waarom het zo lang geduurd had, dat ‘het Parool nu pas tot de ontdekking is gekomen dat er dergelijke mishandelingen door Nederlanders aan Nederlanders is geschied.’

Een Trouw-lezer schreef: ‘Eindelijk, eindelijk dan, neemt één van de Nederlandse dagbladen den moed, om over de slechte behandeling in de kampen te spreken.’ ‘Toen het drie jaar geleden in “de Ochtendpost” stond, kon men nog zeggen dat dit “sensatieblad” wel geweldig zou overdrijven,’ schreef weer een andere lezer aan de Trouw-redactie. ‘Het droevige van deze hele geschiedenis is, dat iedereen het weet: tot aan justitie, staten-generaal en regering toe, maar dat niemand zich geroepen voelt om recht te doen.’

In het progressieve tijdschrift De Vlam vroeg Piet Meertens – de oprichter van het befaamde volks- en dialectkundige instituut – wat de betrokken overheidsinstanties hier nu werkelijk van geweten hadden: had de Kamercommissie die de kampen had bezocht hier nu werkelijk niets van meegekregen? En welke maatregelen had het Ministerie van Justitie genomen tegen de verantwoordelijke kampcommandanten? ‘We kunnen volkomen begrijpen dat er, dadelijk na de bevrijding, in de bewaringskampen excessen begaan zijn, maar hier is geen sprake van incidentele gebeurtenissen. Hier is de misdaad tot systeem geworden, precies zoals ze het in de Duitse concentratiekampen was. Welk recht heeft een volk, om in anderen te veroordelen wat het zelf misdoet?’

Bron: ‘Zwarte bladzijde na de bevrijding: Politieke gevangenen zwaar mishandeld in Nederlandse bewaringskampen,' in Het Parool, 2 april 1949. Zie ook: ’ Zwarte bladzijde na de bevrijding: Vier groepen van opinies over mishandeling van politieke delinquenten. Reacties van lezers op onze artikelen.' In Het Parool, 23 april 1949.

Bron: Brief van S. Heemstra aan de Hoofdredacteur van Het Parool, 4 april 1949; brief van H. Smits aan de redactie van Trouw, 2 april 1949, Nationaal Archief 2.09.10.

Bron: P.J. Meertens, ’.... Niet geweten?’ in: De Vlam, 9 april 1949.

De geloofwaardigheid van de rechtsstaat

Deze vraag die Meertens stelde, raakte het dilemma waar de overheidsinstanties, van het Militair Gezag tot de Parlementaire Enquêtecommissie, vanaf de bevrijding mee hadden geworsteld: moesten ze de mishandelingen in de interneringskampen behandelen als incidenten, of als een structurele misstand waar een structurele oplossing voor nodig was?

Berichten over gewelddadig gedrag van bewakers waren zeker in de eerste maanden diffuus. Ze kwamen van allerlei kanten binnen en waren moeilijk te verifiëren. Daarnaast speelde in veel gevallen nog de veronderstelling mee dat het ergste nu wel achter de rug zou zijn, zoals blijkt uit de inspectieverslagen van het Militair Gezag. Die gedachte werd ook nog eens gevoed door de verantwoordelijke kampcommandanten, die vanuit hun eigen belang voortdurend aan de instanties doorgaven dat de zaken inmiddels onder controle waren. Capaciteitstekorten bij het Militair Gezag, de ministeries en het bewakingspersoneel zorgden bovendien voor een gebrek aan werkbare alternatieven, nog los van alle andere problemen in de interneringskampen die in de eerste fase na de bevrijding moesten worden opgelost: infectieziekten, voedseltekorten, en een bevolking die in de zomer van 1945 nog niets wilde weten van vrijlating van lichte gevallen, om zo de druk op de kampen te verminderen.

De suggestie die vele verontwaardigde commentatoren maakten - dat de Nederlandse interneringskampen vergelijkbaar waren met de Duitse concentratiekampen – miskende de welhaast onmogelijke opgave waarvoor de Nederlandse autoriteiten gesteld waren. De pogingen die werden ondernomen om het geweld in de kampen te beëindigen – hoe halfslachtig ze soms ook waren – wijzen op het grote verschil met de concentratiekampen onder het naziregime, waar het geweld van bovenaf werd opgelegd en ideologisch was gefundeerd. Dat de Nederlandse regering er desondanks niet in slaagde om er effectief tegen op te treden was des te pijnlijker, aangezien haar gezagsherstel afhing van haar vermogen om een slagvaardige rechtsstaat te vestigen, die zowel in staat was om collaborateurs te bestraffen als de grondrechten en vrijheden van haar burgers te beschermen.

Dat vele duizenden geïnterneerde collaboratieverdachten maanden- en soms jarenlang in een toestand van rechteloosheid hebben verkeerd, werd de regering van meet af aan vanuit verschillende kanten zwaar aangerekend. Sommigen, zoals de redacties van Trouw en Het Parool in april 1949, of Piet Meertens in het zojuist geciteerd Vlam-artikel, wezen op het ontwrichtende effect dat deze toestand had op de geloofwaardigheid van de rechtsstaat: als de Nederlandse overheid niet in staat was om haar eigen burgers – óók de collaborateurs onder hen – menswaardig te behandelen, werd de belofte van de bevrijding niet waargemaakt en ontbrak er ook een perspectief om de gedetineerden ná hun bestraffing als volwaardige burgers in de samenleving terug te laten keren.

Voor anderen commentatoren, met name die onder de collaboratieverdachten zelf, diende de mishandelingen in de detentiekampen als het bewijs dat de Nederlandse overheid in de praktijk niet veel beter was dan het naziregime – waarmee hun eigen collaboratie meteen ook een stuk minder verwijtbaar werd – en het morele recht van de zogenaamd ‘goede’ Nederlanders om hen te veroordelen feitelijk was verspeeld. ‘Een dikke streep eronder’, had Van der Vaart Smit had voorgesteld, en in het discours over de Tweede Wereldoorlog, dat in de periode na de bevrijding steeds meer om ‘goed’ en ‘fout’ draaide, werden de mishandelingen van collaboratieverdachten in diezelfde morele sfeer getrokken.

In zijn boek Fout en niet goed legde journalist Koos Groen zoveel focus op de morele implicaties van de mishandelingen in de detentiekampen dat die een verhelderend historisch inzicht in de weg kwam te staan. Groen beschuldigde de Nederlandse regering en ‘een groot deel van het Nederlandse volk’ ervan ‘nazi-praktijken oogluikend toe te staan, waarbij hij er op anachronistische wijze van uitging dat de rechtsstaat meteen vanaf mei 1945 in volledige capaciteit kon functioneren. Met vergelijkbare morele verontwaardiging schreef Henk Eefting in 2007 over de detentiekampen: ‘De zogenaamde “goede” Nederlanders hebben hun Duitse leermeesters in gewelddadigheid verre overtroffen.'

Vergelijkingen als deze getuigen in eerste plaats van weinig oog voor wat in vernietigingskampen als Auschwitz, Treblinka of Sobibór gebeurd is, ze bieden ook weinig zicht op de historische context waarbinnen het geweld in de detentiekampen plaatsvond, welke vormen van geweld er onderscheiden kunnen worden, welke pogingen vanuit de Nederlandse overheid gedaan zijn om het tegen te gaan en waarom die uiteindelijk zo weinig effect hebben gesorteerd. Na de Vliegende Colonnes van het Militair Gezag, de pogingen van de Tweede Kamer om in te grijpen, de strafrechtelijke onderzoeken door de Rijksrecherche en uiteindelijk het onderzoek van Van Tuyll van Serooskerken in opdracht van de Parlementaire Enquêtecommissie bleef er telkens onduidelijkheid bestaan over de meest basale feiten over het waar en wanneer van de mishandelingen.

De honderden verhoren en al het andere bronmateriaal die in Van Tuylls onderzoek zijn verzameld, zijn decennialang ongebruikt gebleven. Belinfante, die nota bene zelf bij het Directoraat-Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging had gewerkt en uitstekende contacten in die wereld had, heeft ze nooit tot zijn beschikking gehad, net zomin als de NIOD-onderzoekers, toen Loe de Jong voor deel 12 van Het Koninkrijk de interneringskampen behandelde.

Met de openbaarstelling van het onderzoeksarchief van Van Tuyll van Serooskerken dient zich nu eindelijk de gelegenheid aan om een cruciale leemte in de geschiedenis van de Bijzondere Rechtspleging aan te vullen, niet alleen omtrent de misstanden maar ook de andere omstandigheden in de detentiekampen, tot de kleinste details van het dagelijks leven. Naar schatting tweehonderdduizend collaboratieverdachten hebben hier maanden, en vaak zelfs jaren, vastgezeten. De meesten van hen waren al die tijd in afwachting van hun straf. Dat was het gevolg van de ondercapaciteit in de Bijzondere Gerechtshoven en de Tribunalen, waardoor zaken niet snel genoeg konden worden behandeld en de periode van voorarrest in veel zaken gelijkstond aan de uiteindelijke straf, of die zelfs overtrof.

Op het moment dat de Bijzondere Gerechtshoven en Tribunalen uitspraak deden over hun zaken, hadden de meeste collaboratieverdachten hun feitelijke straf al lang en breed uitgezeten – of ze bleken onschuldig. Daarnaast werden meer dan honderdduizend gedetineerden voorwaardelijk of onvoorwaardelijk buiten vervolging gesteld, of hun zaken werden volledig geseponeerd. Al deze collaboratieverdachten hadden vastgezeten in detentiekampen, zonder dat daar enige rechtelijke uitspraak bij was komen kijken. Voor hen had de praktijk van de Bijzondere Rechtspleging niets te maken met afwegingen van rechters of Tribunalen of juridische kaders – in de detentiekampen hadden ze daar niets van gemerkt. Van de rauwe werkelijkheid van de Bijzondere Rechtspleging zoals zij die hebben ervaren, zijn in de CABR archieven nauwelijks sporen te vinden. Het Van Tuyll van Serooskerken archief is daarom een noodzakelijk aanvulling op het CABR om de geschiedenis van de Bijzondere Rechtspleging te kunnen begrijpen, zodat de basale feiten van deze pijnlijk episode niet meer betwijfeld hoeven te worden, maar eindelijk in volle omvang onder ogen kunnen worden gezien.

Bron: Groen, Fout en niet goed, p.218; Henk Eefting, De Bijzondere Rechtspleging 1944-1952. Rampzalige gevolgen voor politieke delinquenten en collaborateurs (2007), p.334

Literatuurlijst

Guido Abuys & Bas Kortholt (red. Dirk Mulder en Gerard Veerkamp), Interneringskamp Westerbork. Verhalen van een vergeten verleden 1945-1948 (Hilversum 2010). 

Afwikkelingsbureau Militair Gezag, Overzicht der werkzaamheden van het Militair Gezag gedurende de Bijzondere Staat van Beleg 14 september 1944-4 maart 1946 (Den Haag 1947) 

Belinfante, A.D. In plaats van Bijltjesdag: De geschiedenis van de Bijzondere Rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog. Van Gorcum, 1978. 

Bossenbroek, Martin, De Meelstreep. Terugkeer en opvang na de Tweede Wereldoorlog (Amsterdam 2001) 

István Deák, Jan Gross,; Tony Judt, The Politics of Retribution in Europe. World War II and Its Aftermath (Princeton 2000). 

Henk Eefting in zijn boek De Bijzondere Rechtspleging 1944-1952. Rampzalige gevolgen voor politieke delinquenten en collaborateurs (Soesterberg 2007) 

Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945. Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek Deel 5c (Den Haag) 1950 

Grevers, Helen. Van landverraders tot goede vaderlanders. De opsluiting van collaborateurs in Nederland en België, 1944-1950 (Amsterdam 2013) 

Koos Groen, Fout En Niet Goed : De Vervolging Van Collaboratie En Verraad Na De Tweede Wereldoorlog [3e, geheel vernieuwde en zeer uitgebr. versie, Hilversum, 2009) 

F.J. Harterink, Verslag van mijn internering: Bergum, Wolvega, Leeuwarden, Ameland, Farmsum, 15 april 1945 – 17 januari 1947 (Leeuwarden 1997) 

Richard Hoving, Het ‘foute kamp. De geschiedenis van het Amersfoortse interneringskamp Laan 1914 (1945-1946) (Rotterdam 2011) 

Jong, de, Loe. Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10 & 12. Nijhoff, 1980-1982, 1988. 

Madelon de Keizer, Putten. De Razzia en de herinnering (Amsterdam 1998) 

Meiboom, W.E. “Bijzonder bestraft: Context, analyse en waardering van de bijzondere rechtspraak door de Kamer Groningen van het Bijzonder Gerechtshof Leeuwarden en van cassaties in Groningse zaken.” Proefschrift, Universiteit Leiden, 2016. https://hdl.handle.net/1887/40130.  

Meihuizen, Joggli. Noodzakelijk Kwaad: De bestraffing van economische collaboratie in Nederland na de Tweede Wereldoorlog. Boom, 2003.  

Severein, Michiel. Alles is gedaan om het recht te vinden: Bijzondere Rechtspleging in Leeuwarden, 1945-1949. Verloren, 2017. 

Bosmans en Duynstee, Het kabinet Schermerhorn-Drees. Parlementaire Geschiedenis Van Nederland Na 1945, 1. (Assen/Amsterdam 1977) 

Enqêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 (Den Haag 1950) 

Hinke Piersma, Op eigen gezag. Politieverzet in oorlogstijd (Amsterdam 2019) 

PIVOT-rapport Rijksarchiefdienst, ‘Verraders waarvoor in een bevrijd Nederland geen plek zal zijn. Een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein van de bijzondere rechtspleging 1945-1952’ (Den Haag 2000) 

Peter Romijn, Snel, streng en rechtvaardig. Politiek beleid inzake de bestraffing en reclassering van ‘foute’ Nederlanders (De Haan 1989) 

Piet de Rooy, “Een zoekende tijd. De ongemakkelijke democratie, 1913-1949 

Rüter C.F., Bijzondere Rechtspleging Na De Oorlog (Zwolle 1972) 

Dick Schoonoord, ‘Het circus Kruls’. Militair Gezag in Nederland 1944-1946 (NIOD, 2011) 

Stuifbergen, Jantien. “Een bijzondere groep daders: vrouwelijke langgestraften na afloop van de Tweede Wereldoorlog in Nederland.” Tijdschrift voor criminologie 60.3 (2018) 

Tames, I., Doorn in Het Vlees : Foute Nederlanders in De Jaren Vijftig En Zestig (Amsterdam 2013) 

Zie H.W. van der Vaart Smit, ‘Voorwoord bij de vijfde druk’ in Kamptoestanden 1944-’45 -1948 (Amsterdam 1976) 

Marijke Verduijn, De Verliezers. Straf en heropvoeding in kamp Vught 1944-1949 (Amsterdam 2023); 

VPRO radiodocumentaire-serie De Afrekening (1988).

In dit verhaal

Colofon

Auteur
Ewoud Kieft

Dank aan Joggli Meihuizen, Hinke Piersma, Ismee Tames voor het meelezen en becommentariëren van de tekst.  

Redactie
Katie Digan

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

NIOD
Herengracht 380
1016 CJ Amsterdam
020 52 33 800
Openingstijden studiezaal
  • Di - Vr09:00 - 17:30 u
  • Gesloten op maandag
Let op: het NIOD zelf is op maandag gewoon geopend.