Ga direct naar: Inhoud
Alle verhalen

De arrestaties van collaboratieverdachten 1944-1945

Leestijd 45 min

Longread over de arrestaties van collaboratieverdachten 1944-1945.

-
Bron: Beeldbank WO2 199764, Regionaal Archief Leiden.

De eerste dagen na de Bevrijding

Op dinsdag 3 april 1945, aan het eind van de ochtend, klonken drie schoten op de hoek van de Blekerstraat en Haaksbergerstraat, vlak buiten het centrum van Enschede. Twee vrouwen liepen daar over de stoep, met boodschappentassen in de hand. Ze hadden net inkopen gedaan en waren op weg naar huis. Een van hen greep naar haar borst. Ze slaakte een kreet en viel op de grond. Op het voorstuk van haar mantel was een klein rond gat te zien, ter hoogte van haar hart.

De vrouw naast haar begon in paniek te schreeuwen, keek verwilderd om zich heen. Ze zag een man staan bij het huis op de hoek. Hij had, vlak boven zijn linker elleboog, een armband om met daarop het woord ‘Oranje’ en het wapen van de Nederlandse Leeuw. Toen viel ze zelf flauw.

Er kwam een militaire arts toegesneld, die juist op dat moment in een colonne van Britse soldaten passeerde. Hij stelde vast dat de neergeschoten vrouw aan de schotwond was overleden.

Haar naam was Eva Scholten. Ze woonde iets verderop, aan de Spinnerstraat. Haar man Teunis werd meteen ingelicht. Toen hij aankwam op de straathoek waar Eva was overleden, kreeg hij van omstanders te horen dat Eva was geraakt door een kogel uit het huis van de man die daar tot een paar maanden geleden zijn slagerij had, Marinus van den Nieuwenhoff, een bekende NSB-er uit de buurt. Van den Nieuwenhoff had zich verzet tegen zijn arrestatie, zo ging het gerucht.

Dat was ook wat Eva's vriendin te horen kreeg, toen ze weer bij bewustzijn kwam: ‘dat de N.S.B.er Nieuwenhoff op ons geschoten had, waardoor Mejuffrouw Scholten in de hartstreek was getroffen en gedood’. Ze kon zelf niet zeggen of dat klopte of niet, ‘daar ik noch Nieuwenhoff of iemand anders heb gezien die met een wapen op ons richtte.’

Twee dagen daarvoor, op 1 april, was Enschede bevrijd, op Paaszondag. Nadat de Duitse troepen de stad uit waren gevlucht, waren de stadsbewoners opgewonden de straat opgegaan, maar in de loop van de dag moesten ze weer schuilen in hun huizen. Her en der in de stad bleken nog Duitse troepen te zijn achtergebleven, die de bevrijders onder vuur hadden genomen. Een Duitse eenheid had de brug over het Twentekanaal opgeblazen, precies op het moment dat de Britse troepen eroverheen reden. Meerdere Britse tanks waren uitgeschakeld, tientallen geallieerde soldaten waren gedood.

Bron: Verklaring Hendrikje Horstman, proces verbaal onderzoek doodsoorzaken Eva Scholten, in het strafdossier van Marinus van den Nieuwenhoff [NL-HaNA, Justitie / CABR Justitie, 2.09.09, inv.nr. 16502]; verklaring van Teunis Meerbeek, Gerdie Spee – Kolkhuis Tanke, ‘De “Operatie Synagoge” op 31 maart 1945’ in: 'n Sliepsteen nr 81 (2005) pp. 15-16.

Pas in de avond was het weer veilig om op straat te komen. Meteen waren de verzetsgroepen bijeengekomen om een lijst samen te stellen van iedereen in de stad die met de vijand had samengespannen en gearresteerd moest worden. Ze kwamen uit op 370 namen. Maar in de daaropvolgende dagen werden er veel meer mensen opgepakt: het aantal liep al snel op tot rond de duizend.

Op de foto's die zijn overgebleven van de dagen na de bevrijding in Enschede, zijn een aantal van die arrestaties te zien: een foto van twee vrouwen die worden afgevoerd door een groep mannen in burgerkleding met een geweer in de handen en dezelfde witte band met de afbeelding van de Leeuw om de bovenarm. Aan de rand van de weg staan rijen mensen toe te kijken. Op een andere foto valt een arrestant van achteren te zien. ‘N.S.B.’, staat in witte letters op zijn rug geschreven.

Het kaalscheren van de vrouwen en meisjes die naar het oordeel van de stad- en buurtgenoten te innige omgang met Duitsers hadden gehad, was eerder die dag al in Glanerbrug, net ten oosten van Enschede, begonnen. ‘De plukken waaiden je om de oren,’ herinnerde een van de bewoners zich later. ‘En óveral was het zo (...) Ja, dat vonden wij wel erg, maar op één of andere wijze zeiden ze tegen ons van “nou mooi gedaan, daar woont er ook nog één.”’

Bron: D.C.L. Schoonoord spreekt in Het 'Circus Kruls'. Militair Gezag in Nederland, 1944-1946 (Amsterdam 2011) p. 422, van 870 arrestanten. T. Wiegman, Enschede 1940-1945 (Enschede 1985) pp. 411-13 spreekt van 1300 arrestanten.

Bron: Bianca Lucas, 'Tonnie (92) heeft bevrijding nog helder voor de geest: "Tanks voor ons huis schoten richting Gronau"' [tv-interview], RTV Oost, 16 april 2025.

In de lokale editie van Het Parool die op 2 april verscheen, stond aangekondigd dat Enschede en alle andere zojuist bevrijde gebieden voorlopig nog zouden gelden als ‘militair operatieterrein, waar alleen het geallieerde opperbevel kan beoordeelen, welke maatregelen gewenscht en noodzakelijk zijn.’ Een proclamatie aan alle burgers van Enschede begon met: ‘Gij hebt uw vrijheid eindelijk herkregen. Thans is het aan U, die waardig te toonen.’ Daarop volgden 14 instructies rond voedselvoorziening, avondklok krantencensuur en de arrestaties van NSB-ers: die mochten uitsluitend uitgevoerd worden ‘door de organisaties van het plaatselijk gezag.’

Bron: Het Parool, 4 april 1945 (herziene versie van editie 2 april 45).

Dat pakte in de praktijk toch net iets anders uit. De mannen met de witte banden om hun bovenarm waren grotendeels vrijwilligers, van wie de meesten zich nog niet zo lang geleden hadden aangesloten bij een organisatie waarin drie landelijke verzetsgroepen waren samengevoegd: de (Nederlandse) Binnenlandse Strijdkrachten, afgekort BS, herkenbaar aan de armband met daarop het wapen van de Leeuw en het woord ‘Oranje’. De BS was als overkoepelende organisatie opgericht in september 1944 en onder bevel van prins Bernhard gesteld. Vanaf dat moment waren de nieuwe leden massaal toegestroomd: tienduizenden jongens en mannen bleken, met de bevrijding in zicht, zich op het laatste nippertje toch nog bij het verzet te willen aansluiten. ‘September-ridders’, werden ze spottend genoemd. Binnen de BS maakten ze al snel meer dan driekwart van het ledental uit.

Tijdens de bevrijding van Enschede stonden 1279 BS-ers van de lokale afdeling paraat om in actie te komen. Honderden van hen trokken er meteen op uit om NSB-ers en andere stadsgenoten te arresteren die ze van collaboratie verdachten – vaak zonder enige instructie of coördinatie van bovenaf.

En zo was het ook gegaan op die dinsdagochtend op de hoek van de Blekerstraat en Haaksbergerstraat.  Toen het bericht van de schietpartij binnenkwam bij de commandopost van de BS in café Lippinkhof, zo'n honderd meter van de plaats van het incident, was er niemand die van de actie afwist. Sectiecommandant Geert de Ruiter besloot er meteen met een groep van vier BS-ers naartoe te gaan om polshoogte te nemen.

Marinus van den Nieuwenhoff was een bekend figuur in de buurt, niet alleen vanwege de slagerij, maar ook omdat hij een van de eerste NSB-leden van de stad was geweest. Hij was meteen in 1933 lid geworden. Zijn vrouw en een groot deel van zijn familie waren Duits. Al jaren voor de oorlog uitbrak, zat Van den Nieuwenhoff voortdurend op alles wat Nederlands was te mopperen.

Twee maanden voor de bevrijding was Van den Nieuwenhoffs slagerij tot de grond toe afgebrand. Er waren brandbommen door de ruiten gegooid, en kort daarna was hetzelfde gebeurd met zijn woonhuis vlak achter de slagerij, maar dat had hij nog kunnen redden. Hij had het opgeknapt en nieuwe meubels besteld. Hij wilde er zo snel mogelijk weer intrekken. Van den Nieuwenhoff reageerde strijdbaar op de aanslagen. Als er nog eens zoiets zou gebeuren, of als ze hem na de bevrijding zouden proberen op te pakken, dan zou hij zich tot het uiterste verzetten, dat hadden buurtgenoten hem horen zeggen.

En dat was het verhaal dat BS-sectiecommandant Geert de Ruiter te horen kreeg, toen hij arriveerde op de straathoek waar de schoten waren gevallen. Het lichaam van Eva Scholten was inmiddels per brancard afgevoerd. De woning van Van den Nieuwenhoff was afgezet. Op de stoep voor het huis stond het vol BS-ers. Die hadden de woning doorzocht. Die stond, op een paar meubels na, nog helemaal leeg. Daarna werd de omgeving afgezet en alles doorzocht. Maar nergens was een spoor van de slager te bekennen.

Totdat drie BS-ers zich bij café Lippinkhof meldden, met Marinus van den NIeuwenhoff als arrestant tussen hen in, zijn handen in de lucht geheven. Ze hadden hem in de buurt van het Spinnerplein aangetroffen, zo'n kilometer verderop.

De afkorting NBS werd ook wel eens gebruikt, maar die werkte verwarrend, omdat ze te veel op NSB leek.

In de zomer van 1944 hadden de drie landelijke verzetsorganisaties die zouden opgaan in de BS (de OD, LKP en de Raad van Verzet) gezamenlijk nog geen 6000 leden gehad. Dat aantal was in september 1944 opgelopen tot 28.000 BS-leden in het zuiden, in het noorden 60.000, volgens sommige schattingen lagen die aantallen nog veel hoger: 122.750, of zelfs 172.000 in totaal. Bron: A.D. Belinfante, In plaats van Bijltjesdag, pp. 56-57.

Bron: T. Wiegman, Enschede 1940-1945 (Enschede 1985) p 411.

Van den Nieuwenhoff kon niet in de buurt van zijn huis geweest zijn toen de schoten werden gelost, concludeerde De Ruiter. Dat moest iemand anders geweest zijn. Maar wie? De Ruiter had wel zo zijn vermoedens: ‘het dodelijke schot moet, hetzij bij ongeluk of door een andere omstandigheid, door een lid van de Binnenlandse Strijdkrachten, die aldaar het eerst aanwezig waren, zijn gelost.’

Dat was ook de conclusie van een andere BS-er, die al op het moment dat de schoten hadden geklonken, in de buurt van het huis was geweest. Daar had hij een mede-BS-er gezien, met een stengun om zijn nek, die vanaf de achterzijde de woning had willen binnengaan. ‘Mijn persoonlijke mening is dat mijn (...) collega, hetzij door vallen of struikelen of onkundigheid met het vuurwapen de schoten heeft gelost, waardoor een vrouw dodelijk is getroffen, en een jongen aan de hand werd gewond, dit temeer daar de schoten voor een revolver te snel opvolgend was.’

Bron: Verhoor Geert de Ruiter, 7 dec 1945, NL-HaNA, Justitie / CABR Justitie, 2.09.09, inv. nr. 16502.

Bron: Verhoor Hendrik Scholing 18 juli 1945, NL-HaNA, Justitie / CABR Justitie, 2.09.09, inv. nr. 16502.

Deze beide getuigenissen zijn terug te vinden in het CABR-dossier dat over Marinus van den Nieuwenhoff werd samengesteld. De onderzoekers die zijn rechtszaak voorbereidden, waren tot dezelfde conclusie gekomen: Van den Nieuwenhoff had niets met de dood van Eva Scholten te maken gehad. Het tribunaal deelde die conclusie en veroordeelde hem tot een internering van een jaar en negen maanden, vanwege zijn lidmaatschap van de NSB en het Arbeidsfront. De verklaringen van de BS-ers dat het dodelijke schot vermoedelijk door een van hun collega's was gelost, kreeg verder geen gevolg. Niemand kon namelijk iets meer over deze persoon vertellen. Ze hadden hem nog nooit gezien, beweerden de getuigen.

Bron: Uitspraak Tribunaal voor het Arrondissement Almelo, 19 juli/2 aug 1946, NL-HaNA, Justitie / CABR Justitie, 2.09.09, inv. nr. 16502.

Dit alles nam niet weg dat Van den Nieuwenhoff door zijn buurtgenoten in Enschede wel degelijk verantwoordelijk werd gehouden voor de dood van Eva Scholten, niet in de laatste plaats omdat vele BS-ers het gerucht bleven verspreiden dat hij het dodelijke schot had gelost. Alleen daarom al was het ‘niet wenselijk’ om Van den Nieuwenhoff weer op vrije voeten te stellen, noteerde het hoofd van de Enschedese Opsporingsdienst in een verslag van 19 juli 1945. 'Zijn leven zou dan in gevaar komen.’

Het tragische schietincident bij het huis van slager Van den Nieuwenhoff toonde niet alleen de risico's van het uitdelen van wapens aan onervaren BS-ers. Het maakte ook duidelijk dat binnen de BS de neiging bestond om in het geval van excessen elkaar de hand boven het hoofd te houden. En dat er al snel ongefundeerde verdachtmakingen en valse beschuldigingen werden gemaakt in de chaos van de bevrijding.

Bron: NL-HaNA, Justitie / CABR Justitie, 2.09.09, inv. nr. 16502.

De schietpartij op de Blekerstraat was lang niet het enige wat er tijdens de bevrijding van Enschede mis was gegaan. Er waren allerlei misstanden rond de arrestaties van collaboratieverdachten gemeld: BS-ers hadden hun arrestanten beschimpt en vernederd, in sommige gevallen speelde persoonlijke rancune een rol. In totaal waren er meer dan drie keer zo veel mensen gearresteerd dan door het BS-commando was opgedragen. Er moest een speciale commissie ingesteld worden om na te gaan wie er onterecht vast zat.

Bron: Wiegman, Enschede 1940-1945, pp. 413-414.

Op 11 april maakte de Plaatselijke BS-Commandant van de Afdeling Enschede bekend dat alle arrestaties door BS-ers onmiddellijk moesten worden stopgezet. Dit besluit had hij genomen ‘naar aanleiding van diverse bij hem binnengekomen, al dan niet gegronde klachten omtrent de houding en handelingen van leden der N.B.S.,’ zo meldde Het Parool. Naast een arrestatieverbod stelde de commandant ook een speciale eenheid van de Militaire Politie in, die BS-ers moest gaan controleren op hun gedrag, en of ze wel echt lid van de BS waren. Als er nog meer klachten over wangedrag van BS-ers waren, konden mensen die kwijt in een speciale klachtenbus die in het politiebureau kwam te staan.

 

Bron: ‘Enschede. Corps Militaire Politie in functie getreden. Contrôle op gedrag der N.B.S.’ in: Het Parool, 11 april 1945. 

 

Machtsvacuüm

Dat de BS zich met het arresteren van collaborateurs zou gaan bezighouden, was eigenlijk nooit de bedoeling geweest. Het oorspronkelijke idee van de BS was om de belangrijkste verzetsgroepen samen te voegen tot een soort Nederlands leger dat meteen tijdens de bevrijding ter plekke paraat zou kunnen staan, militaire ondersteuning kon bieden aan de geallieerde troepen, en ingezet kon worden om namens de Nederlandse regering orde en gezag te handhaven.

Met name Koningin Wilhelmina was hier enthousiast over, aangezien zij in de BS ook een mogelijkheid zag voor het Koningshuis om een rol in de Bevrijding te spelen. Daarom maakte ze zich sterk voor Prins Bernhard als bevelhebber, in de hoop dat daaruit het opperbevel van de reguliere strijdkrachten zou voortkomen. Onder Bernhards commando zou het bovendien mogelijk zijn om meer grip te krijgen op de verzetsgroepen, die vijf jaar lang autonoom en ondergronds hadden geopereerd, en waarvan het helemaal niet vanzelfsprekend was dat ze zich na de bevrijding automatisch zouden onderwerpen aan het gezag van de terugkerende Nederlandse regering.

Met het wegtrekken van de Duitse troepen uit de bevrijde gebieden was de terugkeer van de oude orde niet automatisch gegarandeerd. De bevrijding ging gepaard met een machtsvacuüm waarvoor de regering in Londen al van tevoren beducht was geweest. En al helemaal toen bleek dat de opmars van de geallieerde troepen in Nederland veel langzamer verliep dan gehoopt – uiteindelijk zou die negen maanden duren – wilde de regering haar eigen gezagsdragers ter plekke hebben, om orde te handhaven en voor de meest essentiële voorzieningen te zorgen, maar ook om te voorkomen dat de geallieerde machten zeggenschap over de bevrijde gebieden zouden claimen.

Bron: De Jong, Koninkrijk der Nederlanden deel 10a, pp 169-177; Zie Romijn, Snel, streng en rechtvaardig, 37-39; Belinfante, In plaats van Bijltjesdag, pp. 55-60.

Mede met dat doel was het Militair Gezag in het leven geroepen, een aparte legerstaf die als aanspreekpunt voor de geallieerden kon dienen. Maar met een capaciteit van in totaal achthonderd militairen en functionarissen was het bij lange na niet in staat om voor ordehandhaving, voedselvoorziening, infrastructuur, opvang van evacués te zorgen, laat staan om in alle bevrijde steden en dorpen de arrestatie van collaborateurs uit te voeren.

Daar kwam nog eens bij dat ondanks de pogingen van het Militair Gezag om in de bevrijde gebieden zo snel mogelijk de soevereiniteit van de Nederlandse regering te doen gelden, de uiteindelijke macht wel degelijk bij het geallieerde leger lag, of om precies te zijn: bij het hoofdkwartier van de Opperbevelhebber van de geallieerde troepen, ofwel de Supreme Headquarters Allied Expeditionary Force, afgekort SHAEF.

Die gezagsverhoudingen speelden geregeld een doorslaggevende rol in de arrestaties van collaboratieverdachten, met name in het najaar van 1944, toen de geallieerde troepen door de zuidelijke provincies trokken, en tijdens de winter, toen de westelijke frontlinie stillag en Nederland in tweeën deelde. Een groot deel van het bevrijde zuidelijke deel van Nederland was feitelijk militair frontgebied in die periode, waarbij SHAEF de eindbeslissingen nam over allerlei elementaire zaken: de voedselvoorziening, de logistiek, militaire censuur van de schrijvende pers in de bevrijde provincies, én over de arrestaties van collaborateurs, die als een militair risico werden gezien.

Bron: Schoonoord, Circus Kruls, pp.53-87; De Jong, Koninkrijk der Nederlanden deel 10a p. 537; Romijn, Snel, streng en rechtvaardig, p. 50; Afwikkelingsbureau Militair Gezag, Overzicht der werkzaamheden van het Militair Gezag gedurende de Bijzondere Staat van Beleg 14 september 1944-4 maart 1946 (Den Haag 1947), pp 20-21.

Daarbij gold de veiligheid van de geallieerde troepen als hoogste prioriteit. ‘Door de Amerikanen werd practisch iedereen gearresteerd en vastgezet, die werd aangegeven, met de eenvoudige motivering: “Zoeken jullie dat later maar uit. Wij kunnen beter 100 mensen onverdiend vastzetten dan één, die het wel verdient, laten loslopen,”’ zo verklaarde Frans Wijffels, minister van Sociale Zaken in het Londense oorlogskabinet, tegenover de Parlementaire Enquêtecommissie die een paar jaar later gehouden werd. ‘Zo komt het, dat er die eerste tijd zeer zeker veel mensen zijn gearresteerd, die dat eigenlijk niet verdienden.’

De belangrijkste afweging van SHAEF was dat alle handlangers en sympathisanten van de vijand die zich achter de frontlinie bevonden uitgeschakeld moesten zijn. En zolang de Staat van Oorlog gold, had SHAEF ook de juridische bevoegdheid om daarvoor te zorgen, verklaarde minister van Justitie Van Heuven Goedhart achteraf voor diezelfde Parlementaire Enquêtecommissie.

Tijdens diezelfde verhoren verklaarde Majoor Charles van Houten, gedetacheerd officier bij de Staf van het Nederlandse leger, dat hij eind september 1944 van SHAEF de opdracht kreeg om alle personen die zich achter de linie bevonden en eventueel de krijgsverrichtingen konden schaden in bewaring te stellen. Als hij daar niet voor zou zorgen, zouden de geallieerde manschappen dat zelf wel doen. Precies diezelfde boodschap kreeg de burgemeester van Axel, in Zeeuws-Vlaanderen, toen zijn dorp door de geallieerde troepen werd bevrijd: ‘Ik kan u wel vertellen dat direct op Dinsdagmiddag een Pools officier er zijn verbazing over uitsprak dat nog geen arrestaties waren verricht. Woensdagmorgen kwam hij erop terug en zei: “Doe het nu, anders doen wij het en het zal hardhandig geschieden!”’

In de laatste weken van december 1944, tijdens het Ardennenoffensief, gaf SHAEF de opdracht om de vierduizend gearresteerde collaboratieverdachten die in Limburg geïnterneerd zaten uit de provincie te verwijderen, zodat ze op veilige afstand van de geallieerde militaire operaties zouden zijn.

Wraak van het volk

Het Militair Gezag moest tussen verschillende krachten opereren. Aan de ene kant waren er de richtlijnen van de Nederlandse regering in Londen, aan de andere kant de orders van SHAEF, en dan was er ook nog de druk vanuit de bevolking, die om hele andere redenen aandrong op een streng arrestatiebeleid: wraak.

De Commissarissen van het Militair Gezag, die elk verantwoordelijk waren voor een eigen gewest in de bevrijde gebieden, hadden van tevoren instructies gekregen hoe ze met vergeldingsacties vanuit de bevolking moesten omgaan. ‘Het is de taak van de overheid om op legale wijze te zorgen dat de landverraders hun verdiende loon krijgen. Onder de omstandigheden welke kort na de bevrijding zullen bestaan, moet aangenomen worden dat deze bestraffing niet zo spoedig zal kunnen plaatsvinden, als nodig is om de hevige wraakgevoelens der bevolking te bevredigen.

Het gevolg daarvan is onvermijdelijk dat het volk gedurende de eerste periode eigen recht zoekt en vele landverraders uit de weg zal ruimen.’ Om wraakacties vanuit de bevolking geheel en al te voorkomen, zou niet alleen een onmogelijke opgave zijn. In zekere zin was het een noodzakelijke uitlaatklep voor de bevolking om stoom af te blazen. De Commissarissen van het Militair Gezag kregen daarom op het hart gedrukt dat het niet alleen onmogelijk, maar ‘ook niet gewenst was deze veiligheidsklep geheel te sluiten.’

Bron: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945. Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek deel 5c, p. 669.

Zie hiervoor het verhoor van minister Van Heuven Goedhart in Parlementaire Enquête 5a p. 437: ’op grond van de verhouding tussen SHAEF en het Militair Gezag uit hoofde van het Legal Agreement [kon] SHAEF zonder de minste twijfel ook zonder enige bevoegdheidsverklaring aan het Militair Gezag [...] opdragen om die en die mensen te arresteren. Dat is natuurlijk een bevoegdheid, die recht aan SHAEF toekomt’.

Bron: P.G. van den Bosse (samenstelling en bewerking), De maand der bevrijding. September – 1944. Documentatie over de gebeurtenissen in Oost Zeeuwsch-Vlaanderen) (Axel 1975) pp. 59, 61, 63; Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945. Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek Deel 5a (Den Haag) pp. 373 cq 364-366; Belinfante, In plaats van Bijltjesdag, p. 57.

Bron: Schoonoord, Circus Kruls, p. 649.

Bron: 'Aanwijzingen voor de M.Cn. [Militair Commissarissen] m.b.t. hun optreden ten aanzien van ‘Bijltjesdag’; geciteerd in: Dick Schoonoord, Circus Kruls 206-207; en Koos Groen, Fout en niet Goed (2009), pp. 39-40; Overzicht der werkzaamheden van het Militair Gezag, p. 35.

Dat de bevrijding niet alleen blijdschap en opluchting met zich mee zou brengen, maar ook een ontlading van opgekropte wraakzucht en uitgestelde dadendrang, was al aan het begin van de bezetting voorzien. Al in 1941 merkten schrijvers van de illegale pers op dat de vergeldingsdrang onder de bevolking aan het groeien was. Het Parool schreef dat er ‘honderdduizenden onder ons [zijn], die met verlangen uitzien naar den dag, waarop zij die lieden, die land en volk verrieden en gemeene zaak maakten met den invaller, de hersens zullen kunnen inslaan.’ Sommigen hadden al een lijstje gemaakt van favoriete vijanden. ‘Eigenhandig zullen zij hem ophangen aan den boom, die daarvoor reeds lang uitgekozen werd. De rekening zal vereffend worden! Men zet een hooge borst, voelt zijn biceps zwellen en men laat zijn oogen rollen. Het lam is in een tijger veranderd.’

Die laatste spottende opmerking sloeg op de passiviteit van juist diegenen die zich vol aan wraakfantasieën overgaven maar tijdens de bezetting niets tegen de Duitsers durfden te ondernemen. ‘Probeeren wij ons gebrek aan moed niet te verbergen achter de bijzondere daden, die wij later hopen te verrichten?’

Dat met de bevrijding al deze opgehoopte geldingsdrang tot een uitbarsting zouden komen, zag ook Vrij Nederland in 1941 al aankomen. De kans dat dat netjes binnen de wettelijke kaders zou gebeuren leek vrij klein, schreef het verzetsblad. En toch moest dat wél geprobeerd worden: ‘Want volksjustitie is niet enkel wreede justitie; zij werkt ook niet al te betrouwbaar. Men kan er zeker van zijn dat vele onschuldigen aan die justitie ten offer zullen vallen, en dat tal van schuldigen eraan zullen ontsnappen. (...) Er is zoo weinig noodig om de woede van het volk tegen een persoon te ontketenen. En dan is onherstelbaar ongeluk zoo snel geschied!’

 

Bron: ’Bijltjesdag’ in: Het Parool, 15 november 1941.

Bron: ’Bijltjesdag’ in: Het Parool, 15 november 1941.

Bron: 'Voorkoming van het onwenschelijke', Vrij Nederland, 2 augustus 1941.

Juist om dit soort wraakacties vanuit de bevolking te voorkomen had de uitgeweken regering in Londen meteen in september 1944, toen de eerste Nederlandse steden in het zuiden werden bevrijd, bekend gemaakt dat er een extra strenge berechting voor collaborateurs zou komen: speciaal voor dat doel zouden er Bijzondere Gerechtshoven en Tribunalen worden opgericht, die snel zouden opereren en zwaardere strafmaten zouden toepassen – zelfs de doodstraf werd speciaal hiervoor heringevoerd.

Lees meer over de juridische kanten van de Bijzondere Rechtspleging in de NIOD longread Tussen oorlogswraak en rechtsstaat.

Maar wat de regering in Londen niet goed had doordacht, was de vraag wie de arrestaties van de collaborateurs zou moeten uitvoeren. In eerste instantie was daar de instantie voor aangewezen die daar normaal gesproken de bevoegdheid voor had: de politie. Zo stond het in de Eerste Algemene Lastgeving van het Militair Gezag die begin september 1944 in Nederland werd afgekondigd: ‘alle opsporingsambtenaren’ werden aangewezen om collaborateurs aan te houden en ‘in bewaring stellen’.

Het probleem was alleen dat de politie tijdens de bezettingsjaren zélf had moeten samenwerken met de Duitse autoriteiten. Een klein deel van de agenten had dat geweigerd, een ander deel had in stilte verzet gepleegd, bijvoorbeeld door op cruciale momenten de andere kant op te kijken, een deur open te laten, te waarschuwen als er razzia's waren gepland. Maar een aanzienlijk deel van het politiecorps had actief, soms zelfs vol overgave, meegewerkt aan de naziterreur en de jodenvervolging.

Dat ditzelfde politieapparaat nu de arrestatie van collaborateurs op zich zouden nemen, was onacceptabel in de ogen van het gros van de bevolking. Eerst moest de politie zélf van collaborateurs gezuiverd worden, pas daarna zouden de agenten die zich tijdens de bezetting wél vaderlandslievend hadden gedragen een rol kunnen gaan spelen in het opsporen en aanhouden van collaboratieverdachten.

Bron: Militair Gezag, ‘Eerste Algemene Lastgeving’, 7 september 1944. Zie ook: Loe de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog deel 10A, p.557; Peter Romijn, Snel, streng en rechtvaardig, p. 52; Belinfante, In plaats van Bijltjesdag, p. 53-55

Bron: Hinke Piersma, Op eigen gezag. Politieverzet in oorlogstijd (Amsterdam 2019).

Bron: Belinfante, In plaats van Bijltjesdag, p. 55, Romijn, Snel, streng en rechtvaardig, p. 53.

De mishandeling van politieman Stap

Op veel plekken in Nederland waren het juist collaborerende politieagenten die hoog op de arrestatielijsten stonden. In een aantal gevallen richtte de volkswoede zich rechtstreeks op de agenten die het beleid van de bezetter met zoveel fanatisme hadden uitgevoerd dat ze  hét gezicht van de naziterreur waren geworden. In het Achterhoekse plaatsje Ruurlo bijvoorbeeld had de onderluitenant van de plaatselijke marechaussee Gerrit Stap honderden onderduikers en verzetswerkers opgejaagd, gearresteerd en laten deporteren, met tientallen doden als gevolg.

Stap was berucht vanwege het geweld dat hij tijdens arrestaties gebruikte en vanwege zijn martelmethoden in de verhoorkamer: hij had arrestanten bewusteloos geslagen en met zijn gummiknuppel afgeranseld. Hij had arrestanten urenlang met hun polsen aan een touw opgehangen tot ze bewusteloos raakten. Zelfs zijn eigen collega's bij de Ruurlose politie en een aantal van hun kinderen, waren niet veilig voor hem geweest. Sommigen van hen had hij persoonlijk opgepakt, anderen had hij verklikt aan zijn superieuren omdat ze niet hadden willen meewerken bij de jacht op Joodse onderduikers. De zoon van de Ruurlose politieagent Anton Sprokkereef was door Stap gearresteerd en anderhalve maand later voor het Huis van Bewaring doodgeschoten.

Bron: CABR, Nationaal Archief 2.09.09, inv. nr. 99012.

Dat de bevrijding weinig goeds voor Gerrit Stap zou betekenen, lag in de lijn van verwachting. Nadat de Canadese troepen het dorp hadden bevrijd, werd Stap voorop een jeep gezet en door het dorp rondgereden. Aan de rand van de weg stonden rijen bewoners klaar om hun wraakgevoelens op hem te botvieren. ‘Na het “spitsroedenrijden” werd de politieman meer dood dan levend in een hondenhok gesmeten en voor entreegeld ter bezichtiging gesteld,’ noteerde de Arnhemse Courant. ‘Een afzichtelijk volksgericht.’ Toch ging het hier, zo oordeelde de krant, nog steeds om een ‘verzachte vorm van “bijltjesdag”’, vergeleken met de misdaden die Stap zelf had begaan.

Toen zijn zaak voorkwam voor het Bijzonder Gerechtshof, en later de Bijzondere Raad van Cassatie, voerde Staps advocaat de mishandeling van zijn cliënt aan om strafvermindering te bepleiten. Tot twee keer toe boog de Raad van Cassatie zich over de kwestie. ‘U hebt van de heren van de B.S. in Ruurlo inderdaad een behandeling ondergaan, die ten hemelschreiend is,’ erkende de voorzitter van de Bijzondere Raad van Cassatie, Henk Haga, ‘maar U moet aan de andere kant niet uit het oog verliezen, dat U zich in Ruurlo zeer gehaat heeft gemaakt. Deze reactie, hoe afkeurenswaard ook, is wel verklaarbaar, al is het ontstellend dat dit in een rechtsstaat als Nederland is voorgekomen.’

Bron: ’Zaak-Stap terug naar instructie verwezen Volksgericht te Ruurlo wordt onderzocht‘ in: Arnhemsche courant, 5 mei 1949; ‘Onderluitenant Stap's monsterlijke opvattingen van zijn taak’ in Arnhemse Courant, 25 september 1948.

Bron: 'Verrader voor Bijz. Raad van Cassatie ernstig mishandeld door B.S.’ in: 't Nieuws voor Kampen, 5 mei 1950, p. 2.

Wie er allemaal verantwoordelijk waren geweest voor de mishandeling van Gerrit Stap, was achteraf niet meer na te gaan. De dorpsbewoners van Ruurlo waren weinig spraakzaam over het voorval. Toen er vragen kwamen over wat er was gebeurd, ontkende de plaatselijke Politieke Opsporingsdienst (POD) van Ruurlo dat er iets van mishandeling had plaatsgevonden. ‘Dit is volkomen uit de lucht gegrepen en beslist niet waar.’ Het enige wat er was gebeurd, beweerde het hoofd van de POD, was dat Stap tijdens het vervoer van Enschede naar Ruurlo een schop had gekregen – door iemand van buiten het dorp. ‘Ik heb Stap onmiddellijk onder doktershanden gesteld en deze verdenkt hem er zeer sterk van, dat hij simuleert. Van eenigerlei mishandeling van Stap door wien dan ook is, met uitzondering van het bovenbedoelde incident, geen sprake geweest.’

De Politieke Opsporingsdiensten (POD's) werden in april 1945 ingesteld door het Militair Gezag. In het zuiden was al vanaf februari 1945 een Politieke Recherche ingevoerd (PR). In de PR en de POD deden politierechercheurs met verzetswerkers onderzoek naar collaborateurs. De nieuw op te richten POD's hadden te weinig parate mankracht om overal arrestaties uit te voeren. Als tijdelijke maatregel kregen de BS officiële arrestatiebevoegdheid.

Bron: Mr W. Kok, hoofd POD Ruurlo aan het centraal college van POD district Zutphen op 9 juli 1945 in: CABR Justitie, 2.09.09, inv. nr. 99012.

Een paar maanden later kwam het hoofd van deze zelfde POD-afdeling met een heel andere verklaring, ditmaal om te illustreren hoezeer Stap zich tijdens de bezettingsjaren in Ruurlo had misdragen. ‘Hoe men hem hier beoordeelt en welke straf men hem toewenscht wordt wel bewezen door het feit, dat Stap bij aankomst in Ruurlo slechts met behulp van Canadeese soldaten uit handen van het publiek, dat hem wilde lynchen, kon worden gered.’

Bron: Rapport hoofd POD Ruurlo aan Centraal college van POD district Zutphen over Stap [3 oktober 1945] in: CABR Justitie, 2.09.09, inv. nr. 99012.

Eigenrichting

Dat de politie niet voldoende door de bevolking werd vertrouwd om de arrestaties van collaborateurs uit te voeren, was kortom een understatement. Op veel plekken richtte de volkswoede zich evenzeer op politieagenten die zich in dienst van de bezetter hadden gesteld, als op de SS-ers, Landwachters en NSB-ers uit hun gemeenschap.

Voor de lokale verzetsgroepen leed het geen twijfel dat zij zelf veel beter voor het arresteren van collaborateurs waren toegerust. Zij hadden vaak jarenlang voorbereidingen getroffen, lijsten aangelegd van wie van hun dorp- of stadgenoten met de Duitsers hadden samengespannen, wie lid was geweest van de NSB of een andere nazi-organisatie. Vanaf het eerste moment dat een dorp of stad bevrijd was, besloten vrijwel alle plaatselijke verzetsgroepen in Nederland dan ook om de officiële richtlijnen van hogerhand te laten voor wat ze waren, en zelf in actie te komen.

Bron: Belinfante, In plaats van Bijltjesdag, pp. 66-79; De Jong, Koninkrijk der Nederlanden, deel 12, p. 491-494; Romijn, Snel, streng en rechtvaardig, p. 164-65.

Dat was meteen al duidelijk geworden toen de geallieerde troepen op 13 en 14 september de Duitsers verdreven uit Maastricht – de eerste Nederlandse stad die bevrijd werd. Dat ging gepaard met een golf van spontane arrestaties in de stad, optochten waarin gearresteerde mannen en vrouwen door joelende en scheldende buren uit hun huis werden gehaald en over straat werden meegevoerd. De verzetsorganisaties in de stad hadden de aanmeldingen van vrijwilligers aangemoedigd, omdat ze zelf te weinig mankracht had om alle collaboratieverdachten op te pakken. Zonder al te kritisch te selecteren werden armbanden en wapens uitgedeeld aan de Maastrichtenaren die nu in actie wilden komen. De Commissaris van het Militair Gezag voor de provincie Limburg, majoor Carl Schürmann, noteerde op 18 september dat de vrijwilligers die zich voor de arrestaties hadden aangemeld vaak niet ‘de beste elementen’ waren: ze hielden zich niet aan de instructies, legden op eigen houtje beslag op auto's en op benzine.

Ex-verzetsstrijder en advocaat Harry Holla, die een belangrijke rol speelde bij het optuigen van de Bijzondere Rechtspleging in het zuiden, schetste jaren later de situatie tijdens de bevrijding: ‘Een feit is, dat de arrestaties uitermate wild zijn verricht. De oorzaak hiervan is met name, dat men in de lagere regionen, bij gebrek aan krachten, personen heeft aangetrokken, die met machtsvertoon de straat opgingen. Dat waren soms mensen, die nooit enige verantwoordelijkheid hadden gedragen en die zich zelf plotseling een verantwoordelijkheid hadden aangemeten. Dezen hebben totaal willekeurig gearresteerd, doordat zij zich lieten leiden door persoonlijke rancunes, burenruzies en wat voor onfrisheid al meer.’

Bron: Overzicht der werkzaamheden van het Militair Gezag (1947), p 37; M. Bartels (nota over arrestaties in Maastricht), mei 1965, p 1-2; Collectie Cornips (Doc I –300B Cornips)  De Jong, Koninkrijk deel 10a, p. 553; zie voor de lichtvaardige werving van vrijwilligers door de verzetsgroepen: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945, p 846. (Verhoor H.B.S. Holla, 3 okt., 1950); Henk Termeer, Het geweten der natie (2007), pp. 65-66.

Bron: Enqêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 (Den Haag 1950) dl. 5A, p.419.

Het gevolg van al deze spontane acties en willekeur was dat er binnen korte tijd enorme groepen arrestanten waren vastgezet, vaak in geïmproviseerde gevangenissen of interneringskampen, van wie niemand meer precies wist om wie het ging, en belangrijker nog: waarom ze gearresteerd waren. Aanvankelijk had het Militair Gezag de instructies gegeven dat van elke arrestatie een proces-verbaal in zesvoud moest worden gemaakt, waarvan één exemplaar naar de staf van het Militair Gezag in Brussel moest worden gezonden. Daar kwam in de praktijk niet veel van terecht. In november 1944 zaten in de bevrijde gebieden minstens twintigduizend arrestanten vast in verschillende detentiekampen, terwijl in de registratie van het Militair Gezag slechts 3700 namen waren vastgelegd. Van een groot aantal van deze mensen, meer dan tachtig procent, was het niet meer na te gaan ‘hoe zij heetten en waar zij zaten, laat staan waarom zij waren opgepakt.’

Zie hierover Romijn, Streng, snel en rechtvaardig, p. 42, 53;  De Jong, Koninkrijk der Nederlanden deel 10 A II, p.821-22 cq. deel 12, p. 494.

De commandanten van het Militair Gezag hadden meteen tijdens die eerste bevrijdingsdagen van de zuidelijke steden door dat deze situatie onbeheersbaar dreigde te worden. Voor Maastricht en omgeving legden ze een verbod op aan de verzetsgroepen en hun pas geworven vrijwilligers om zich nog met arrestaties bezig te houden. Maar dat accepteerden die niet zomaar: meer dan welke andere partij dan ook hadden zij het beste overzicht op wie de collaborateurs waren in hun eigen gemeenschap. Maar wat misschien nog wel belangrijker voor ze was: in hun ogen hadden de verzetsorganisaties als enigen de moed en de innerlijke overtuiging betoond om weerstand te bieden aan de vijand, en daarmee vormden ze de morele basis waarop het naoorlogse Nederland wederopgebouwd moest worden. Vanuit die gedachte was het onverteerbaar dat juist de oude bestuurlijke orde de uitvoerder zou zijn van een morele en maatschappelijke zuivering waarvan zij zichzelf als de vaandeldragers zagen.

Bron: De Jong, Koninkrijk der Nederlanden deel 10A, p. 555; Romijn, Snel, streng en rechtvaardig, pp.51-53.

Voor de Londense regering had de arrestatiebevoegdheid aanvankelijk een hele praktische kwestie geleken, maar inmiddels bleek die de inzet te vormen voor een veel principiëlere vraag: hoe zou het Nederland van na de oorlog eruit moeten gaan zien, en welke groepen hadden het morele recht om dat te bepalen? In de loop van het najaar van 1944 groeide deze kwestie uit tot een politieke strijd tussen enerzijds de groepen die de vooroorlogse machtsstructuren zo snel mogelijk wilden herstellen, en anderzijds de groepen die vonden dat de oorlog zo'n grote breuk in de samenleving had geslagen dat er een hele nieuwe politieke en morele orde nodig was.

Dat laatste standpunt werd door de verzetsgroepen uitgedragen, én door koningin Wilhelmina en de Doorbraak-gezinde ministers in haar kabinet. Alleen raakte de geloofwaardigheid van hun standpunt steeds verder verzwakt naarmate de berichten aanhielden over BS-ers die zich tijdens de arrestaties van collaborateurs misdroegen.

Want de excessen rond de arrestaties van collaborateurs bleven maar doorgaan. Na alle ongeregeldheden tijdens de bevrijding van Maastricht, werden in Eindhoven gearresteerde NSB-ers behangen met portretten van Hitler of pagina's van de Volk en Vaderland en gedwongen om ‘Leve de Wilhelmien’ te zingen, onder luid gejoel van de omstanders op straat. Gearresteerde vrouwen moesten een hoofddoek om doen met de tekst: ‘Nur für Wehrmacht'.

In Den Bosch leek het erop alsof ‘de ene helft van de straat de andere oppakte.’ Uit Veghel kwam het bericht dat vier collaboratieverdachten midden in de nacht door BS-ers van hun bed waren gelicht en waren opgesloten in een kippenhok net buiten het dorp. Er kwam geen eind aan de berichten over mishandelingen en vernederingen tijdens de arrestaties.

Bron: Romijn, Snel, streng en rechtaardig, pp 50-51; De Jong, Koninkrijk der Nederlanden deel 10a, p. 168-177; Belinfante, In plaats van Bijltjesdag, p. 60-66; Henk Termeer, Het geweten der natie, pp. 121-124.

Bron: Overzicht der werkzaamheden van het Militair Gezag p 37; G.J. van Ojen jr., De binnenlandse strijdkrachten, p. 173; Termeer, Het geweten der natie, p. 291; Gedenkboek P.A.N. Persoonlijk archief Jacques Hermans deel III, p. 166; Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 deel 5c, p 816 cq. p. 851, verhoren W.J.T.H. Seraaris cq. HBS Holla.

De regering grijpt in

In december 1944 zag premier Gerbrandy, die met een regeringsdelegatie door de bevrijde gebieden reisde, zich gedwongen om koningin Wilhelmina te waarschuwen voor het wangedrag van de BS: ‘Alle handelingen van de Binnenlandsche Strijdkrachten, de goede, maar ook de verkeerde, worden verricht door jongelieden met een oranje armband, waarop gedrukt staat het woord Oranje, en die zich er op beroepen slechts verantwoording en gehoorzaamheid verschuldigd te zijn aan Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard. Dit wil zeggen, dat elke ten onrechte verrichte arrestatie, elke bedenkelijke requisitie, in de oogen van de bevolking, geschiedt op gezag van den Prins, ofschoon deze de handeling in kwestie natuurlijk in het geheel niet zoude goedkeuren.’

Onder de bevolking werden de Binnenlandse Strijdkrachten nu al spottend met de meest gehate organisaties uit de bezettingstijd vergeleken, voegde Gerbrandy er nog aan toe: ‘“De W.A. van den Prins”, de “Witte Terreur”, zijn de minst erge van deze helaas reeds gangbare termen.’

Tijdens de inspectiereis die Gerbrandy in november en december 1944 met een aantal ministers door de bevrijde gebieden ondernam, kwam hij tot de conclusie dat het onverantwoord zou zijn als de BS nog langer zou opereren als onderdeel van het Nederlandse regeringsgezag. Gerbrandy verklaarde tijdens een bespreking niet bereid te zijn om ‘de verantwoordelijkheid te dragen voor een voortduren der Wild-West-toestanden in bevrijd gebied.’

Naast de klachten over de misdragingen van BS-ers, kreeg de regeringsdelegatie ook zicht op de langetermijngevolgen van alle spontane arrestatie die de afgelopen maanden hadden plaatsgevonden: ‘naast de N.S.B.-ers en collaborateurs zitten ook honderden onschuldigen nu reeds vele weken gevangen, onder ondragelijke onhygiënische en immoreele omstandigheden,’ rapporteerde Gerbrandy aan de koningin. ‘Dat zulke dingen in de eerste dagen na de bevrijding plaats vonden is begrijpelijk en was veelal onvermijdelijk; dat het echter nog steeds voortgang vindt, en zelfs van hoogerhand gesanctionneerd wordt, schept een toestand van rechtsonzekerheid, die in strijd is met de meest elementaire eischen van den rechtsstaat, welke de bevolking na de bevrijding terug verwachtte.’

Vanuit het Militair Gezag, dat formeel nog altijd de eindverantwoordelijke voor de arrestaties was, kwamen in november 1944 ook alarmerende berichten over onschuldige burgers die waren opgepakt. Na de bevrijding van Nijmegen eind september 1944 waren dertienhonderd collaboratieverdachten weggevoerd naar een provisorisch detentiekamp in Reusel, in een leegstaande sigarenfabriek, zonder stromend water en elektriciteit.

Bron: 'Rapport minister president Gerbrandy aan Wilhelmina, 16 dec 44' in: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 deel 5b, Bijlage 128, p. 362.

Bron: ‘Notulen houdende samenvatting van vergadering vd Minister-kwartiermakers van 31 okt 44 tm 23 dec 44’ in: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 deel 5b, bijlage113.

Bron: 'Rapport minister president Gerbrandy aan Wilhelmina, 16 dec 44' in: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 deel 5b, Bijlage 128, p. 362.

Toen de chef-staf van het Militair Gezag, generaal Henk Kruls, het provisorische detentiekamp kwam inspecteren, was hij geschokt door wat hij aantrof. De ruiten van de fabriekshallen waren stuk, de toiletten werkten niet. Er waren maar zevenhonderd dekens. Vijfhonderd arrestanten waren vrouwen en kinderen. En het ernstigste was: een groot deel van de arrestanten hier waren onschuldig – Kruls schatte dat zo'n veertig procent van de gedetineerden onterecht vastzat. Waar hij dat percentage precies op baseerde is niet helemaal duidelijk, maar hij was er zo van overtuigd dat hij het cijfer doorstuurde naar minister van Justitie Gerrit Jan van Heuven Goedhart. Die stuurde op 17 november 1944 een brief terug aan Kruls, in de hoop meer duidelijkheid te krijgen over de hoeveelheid arrestanten per gemeente en hoeveel van hen naar schatting onschuldig waren. ‘Te dien aanzien heb ik alleen uw uiterst verontrustende mededeeling, dat, naar uw oordeel, in Reusel 40 pct. der rond 1300 gearresteerden zonder eenigen grond is opgepakt’.

Bron: Schoonoord, Circus Kruls, pp 642-644; Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 deel 5a, pp. 434-435; De Jong, Koninkrijk der Nederlanden deel 10a, p.783.

In de kranten die na de bevrijding weer bovengronds mochten verschijnen, hoewel aanvankelijk nog onder militaire censuur, verschenen vanaf december 1944 voor het eerst kritische berichten over de arrestaties van collaborateurs en de rol die de BS daarin speelde. Het Eindhovens Dagblad vroeg zich af of deze situatie ‘in een rechtsstaat als de Nederlandschen te handhaven is.’ En daarbij benadrukte de krant dat de gevolgen van onterechte arrestaties veel ernstiger waren dan vaak werd erkend: ‘Men vergete hierbij niet, dat eenvoudige loslating deze menschen volstrekt niet altijd de rehabilitatie geeft, waarop zij recht hebben.’

Bron: Termeer, Het geweten der natie, pp.286-87; ’Gedachten van den dag’ in: Eindhovensch dagblad, 15 december 1944.

De druk om de misstanden rond de arrestaties snel en effectief op te lossen nam van alle kanten toe. In de eerste plaats werd de oplossing gezocht in een verbod voor de BS om nog nieuwe leden aan te nemen. De meeste excessen waren immers – althans volgens de BS zelf – te wijten aan al die tienduizenden nieuwe leden die zich tijdens of vlak voor de bevrijding hadden aangemeld: jong en onervaren en al te gretig om nog een heldenrol in de oorlog te kunnen spelen. Dat nam niet weg dat de BS zelf veel kritischer had moeten selecteren, constateerde Van Heuven Goedhart, die berichten had gehoord dat tot dusver ‘de aanneming van personeel notabene zonder enig security-onderzoek geschiedt.’

Naast een ledenstop voor de BS besloot de regeringsdelegatie tijdens hun bezoek aan de bevrijde gebieden dat er een eind moest komen aan de arrestatiebevoegdheid die de BS tot dan toe in de praktijk nog altijd had: ‘Het oogenblik is gekomen om de leiding over te nemen en de illegaliteit nog slechts te aanvaarden als adviseur,’ concludeerde premier Gerbrandy. 'De willekeurige vrijheidsberovingen,’ zoals die ‘onder het Duitse schrikbewind aan de orde van de dag waren', moesten onmiddellijk ophouden. Inmiddels waren in de bevrijde gebieden de politiekorpsen afdoende gezuiverd en konden die de arrestaties overnemen, bijgestaan door een adviescommissie van verzetswerkers.

De regeringsdelegatie gaf de nieuwe instructies door aan het Militair Gezag, die daarmee instemde. En daarmee, dachten de ministers, waren de problemen rond de arrestaties eindelijk opgelost.

Bron: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 deel 5a pp. 434-435; zie ook Romijn, Snel, streng en rechtvaardig, pp. 53-56.

Bron: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945 deel 5b, bijlage 113, pp. 309-319; Termeer, Het geweten der natie, pp. 286-87’; Belinfante, In plaats van Bijltjesdag, pp 63-65.

De bevrijding van het noorden

Na alles wat in de zuidelijke provincies was misgegaan, zou de bevrijding van het noorden een stuk ordentelijker moeten gaan verlopen, was de breed gedeelde verwachting. De regering had orde op zaken gesteld, de BS was onder controle was gebracht, de strijd om de arrestatiebevoegdheid beslecht, en de geallieerde troepen waren vanaf maart '45 doorgestoten naar Duitsland, zodat er vanuit SHAEF veel minder druk werd uitgeoefend om Nederlandse collaboratieverdachten in zulke grote getalen vast te zetten of te verplaatsen. Er leek geen reden meer te zijn waarom het met de arrestaties in het noorden uit de hand zou kunnen gaan lopen.

Maar het liep anders. De bevrijding van noordelijk Nederland ging met net zoveel spontane wraakacties en wilde arrestaties gepaard als in het zuiden. En de rol van de BS daarin bleef onverminderd groot, in weerwil van wat de regeringsdelegatie in december 1944 had besloten. Het onderliggende probleem was namelijk nog steeds hetzelfde: in elke nieuwe plaats die bevrijd werd, kon de politie pas ingezet worden nadat die van alle collaborerende agenten was gezuiverd. Tot die tijd was de BS de enige organisatie die genoeg draagvlak had en paraat stond om de arrestaties uit te voeren.

De BS was gemankeerd maar onmisbaar; dat was de conclusie die generaal Kruls van het Militair Gezag vrij snel na de instructies van de regeringsdelegatie in december 1944 had getrokken. Twee maanden later, op 10 februari 1944, kondigde Kruls een Derde Algemene Lastgeving af, waarin de oprichting van speciale opsporingsdiensten, de Politieke Recherche (in het zuiden) en de Politieke Opsporingsdienst (POD, in het noorden), het gezagsprobleem van de politie moesten oplossen: deze opsporingsdiensten vielen onder het Militair Gezag en ze werden bemand door onverdachte politierechercheurs én leden van de verzetsgroepen. Formeel werd in deze Derde Algemene Lastgeving de arrestatiebevoegdheid aan de politie toegekend, maar er konden ook ‘andere personen of groepen daartoe (...) bij nadere beschikking’ door het Militair Gezag worden aangewezen. En dat gebeurde dan ook onmiddellijk: op 10 februari 1945 werd de BS door een beschikking van het Militair Gezag aangewezen om arrestatieploegen te leveren tijdens de bevrijding van het noorden, aangezien de POD's nog moesten worden opgericht en de politie daar nog niet was gezuiverd.

Bron: De Jong, Koninkrijk der Nederlanden deel 12, pp. 497-98; Schoonoord, Circus Kruls, p. 422; Romijn. Snel, streng en rechtvaardig, p.164-65.

En zo kon het gebeuren dat in april en mei 1945 vanuit allerlei steden en dorpen die werden bevrijd opnieuw meldingen binnenkwamen over misdragingen van BS-ers: over onschuldige mannen en vrouwen die waren opgepakt, huizen van arrestanten die waren geplunderd, vrouwen en meisjes die op straat waren kaalgeschoren. Ook het werven van vrijwilligers was, ondanks het verbod op nieuwe BS-leden, doorgegaan. Tijdens de bevrijding van Apeldoorn op 17 april 1945 bijvoorbeeld hadden grote groepen jongemannen van de BS een wapen en een armband in handen gekregen. Velen van hen maakten er misbruik van: ze vorderden fietsen van toevallige voorbijgangers of begonnen op eigen initiatief huiszoekingen te doen, waarbij ze waardevolle spullen meenamen. In Den Haag werden armbanden van de BS op de Zwarte Markt doorverkocht, voor rond de 25 gulden, waardoor werkelijk iedereen zich als BS-er kon voordoen. Er waren zelfs NSB-ers gesignaleerd met BS-banden om de arm, die bezig waren om hun voormalige partijgenoten te arresteren.

Bron: De Jong, Koninkrijk der Nederlanden deel 12, p. 152.

Uit andere hoeken van het land kwamen dan weer uiterst positieve geluiden over de arrestaties door de BS: De Leidsche Post schreef op 18 mei 1945 dat de gearresteerde collaborateurs uit de stad dankbaar mochten zijn ‘dat een goed gedisciplineerde organisatie met die taak was belast en zeer vlug met de uitvoering daarvan is begonnen.’ Dankzij het snelle optreden van de BS was een bloedige Bijltjesdag voorkomen. ‘De arrestaties hebben dientengevolge een ordelijk verloop kunnen hebben’. In Purmerend meldde een verslaggever dat de arrestaties zonder incidenten werden uitgevoerd door de politie, versterkt door manschappen uit de BS.

Bron: ’Grondige Zuivering, maar rechtvaardig' in: De Leidsche post, 18 mei 1945;  De Jong, Koninkrijk der Nederlanden, pp. 498-99.

Per plaats, en per lokale afdeling van de BS, waarbij op sommige plekken de politie of de POD ook nog een rol speelden, bestonden grote verschillen in de manier waarop de arrestaties werden uitgevoerd. Soms ging dat gedisciplineerd en volgden de arrestatieploegen zorgvuldig de aangelegde lijsten, op andere plekken bepaalden machtsvertoon, willekeur en spontane wraakacties het beeld. Van bovenaf waren de bewindvoerders van het Militair Gezag en het BS-commando voortdurend bezig om de arrestatieploegen onder controle te houden. Na de afkondiging van de Derde Algemene Lastgeving liet het Militair Gezag in grote oplage een instructieboekje voor BS’ers drukken. En in de daaropvolgende maanden bleven de de gewestelijke commandanten van de BS instructies doorsturen: ‘Het gebruik van vuurwapenen is slechts in gevallen van uiterste noodzaak toegestaan. (...) Geen machtsvertoon, geen gewichtigdoenerij!’

Op 8 mei 1945 zond de landelijke commandant van het ‘strijdend gedeelte’ van de BS een dagorder uit: ‘De arrestatieploegen wil ik speciaal op het aannemen van een karaktervolle houding wijzen; hun optreden drage het kenmerk van een rechtsuitoefening. (...) Optreden in strijd met deze richtlijnen zal in den vervolge dienen te worden gestraft. Van nu af aan eisch ik geen uiterlijk vertoon, maar waardigheid.’

De Binnenlandse Strijdkrachten bestonden uit twee delen: de bewakingstroepen en het Strijdend Gedeelte (in het najaar 44 nog stoottroepen genoemd).

Ondanks deze aankondiging van strenge bestraffing bleven klachten over BS-ers binnenkomen, zoals een melding op 10 mei dat tijdens een arrestatie op de Zwartewaalstraat in Rotterdam twee van de arrestanten ernstig waren mishandeld. De BS-commandant van de afdeling Rotterdam Zuid stuurde meteen op hoge poten een brief naar het hoofd van de afdeling waar dit gebeurd was: ‘Ik verzoek u onmiddellijk een zeer streng onderzoek in te stellen of dit gerucht op waarheid berust, en zoo ja, de daarvoor verantwoordelijke menschen te straffen.’

Een week later, op 17 mei, belde de commandant van het Strijdend Gedeelte met de afdeling Haarlem. Hij had gehoord dat er nog steeds ‘ergerlijke excessen worden gepleegd door leden der B.S’. ‘Ik draag U op, alle onder Uw bevel staande personen nogmaals uitdrukkelijk op het bovenstaande te wijzen en met de meeste kracht tegen iedere buitensporigheid tegenover de in bewaring te stelen personen op te treden. Hij die zich schuldig maakt aan mishandeling, onwaardige behandeling of noodeloos te kijk stellen van te arresteren of gearresteerde personen, moet onmiddellijk in arrest worden gesteld, in afwachting van de ten aanzien van hen door mij te nemen maatregelen.’

Drie dagen later was de toon vanuit het commando naar de gewestelijke afdelingen nog een stuk harder geworden: ‘In verband met de ernstige klachten over het optreden van de BS, welke uit sommige plaatsen worden gemeld, verzoek ik U, in het bijzonder ten aanzien van plunderaars uit de BS, de meest strenge straffen toe te passen. Behalve onmiddellijk ontslag uit de BS waren onder omstandigheden toe te passen: vastbinden aan een schandpaal met opschrift, onder strenge bewaking.’

Een kleine maand later kwam het tot een reprimande van Prins Bernhard zelf. In zijn dagorder van 14 juni concludeerde die dat er kennelijk nog steeds ‘ongewenschte elementen’ in de gelederen van de BS aanwezig waren. ‘Geconstateerd moet worden, dat in verschillende gewesten men met betrekking tot de zuivering der eigen gelederen onvoldoende activiteit heeft betoond en de in dit opzicht gegeven orders niet nauwgezet zijn gevolgd.’

Bron: https://proxy.archieven.nl/298/EA06F0584F714F8C9D551A140460333E

Discipline en zelfbeheersing

Op andere plekken lijken de aanhoudende instructies en het verscherpte toezicht wel degelijk effect te hebben gehad. In Amsterdam-West waren een aantal leden van de lokale BS-afdeling er goed van doordrongen dat ze zich voorbeeldig dienden te gedragen.

Tijdens het ochtendappèl op 9 mei in de Jan Maijenschool, waar een van de lokale afdelingen de uitvalsbasis had, waren alle BS-ers bijeengeroepen om te zien hoe één van hen wegens wangedrag werd ‘onteerd’: voor het oog van zijn collega's moest hij zijn uniform uittrekken. Na een schoffering van de commandant werd hij weggestuurd.

Toen diezelfde middag arrestanten werden binnen gevoerd en één van hen op de binnenplaats werd gedwongen om het gras te wieden, greep een aantal BS-ers onmiddellijk in: arrestanten hoorden geen dwangarbeid te verrichten. Dezelfde middag besloten ze een algemene protestbrief op te stellen tegen de mishandeling en vernedering van gearresteerde NSB-ers, waar in andere BS-afdelingen in Amsterdam toch weer verhalen van de ronde deden: 'laten wij, die gezamenlijk thans moeten trachten, nu de oorlog gewonnen is, ook de vrede te winnen, en een betere maatschappij willen en moeten opbouwen, onszelf niet omlaaghalen door de terecht gehate en verfoeide methodes van onze verslagen tegenstanders over te nemen. Waak tegen een dergelijk nieuw soort fascisme in onze eigen rijen!’ Toen een gearresteerde Landwachter werd binnengevoerd, noteerde een van de BS-ers van deze afdeling trots: ‘Hij wordt heel fatsoenlijk en beleefd bij ons behandeld en krijgt volop eten en drinken uit de pot mee.’

Verspreid over het land waren er veel meer BS-ers die dezelfde correctheid probeerden te betrachten tegenover arrestanten. Tegelijkertijd was het, met name voor degenen die dierbaren hadden verloren tijdens de bezettingsjaren, af en toe een eis die aan het bovenmenselijke grensde, om gearresteerde collaborateurs te behandelen met de zelfbeheersing die in een rechtsstaat elke verdachte ten deel zou moeten vallen: onschuldig tot iemands schuld bewezen is.

Zulke zelfbeheersing vereiste een professionele distantie die bij de onervaren nieuwe aanwas van de BS domweg afwezig was. Maar ook voor de verzetswerkers van het eerste uur, die juist persoonlijk door hun oorlogservaringen getekend waren, was die af en toe niet op te brengen. Er waren kortom ook goede redenen om te bepleiten dat de arrestaties van collaboratieverdachten niet door BS-ers, maar door de getrainde opsporingsambtenaren van de politie uitgevoerd dienden te worden. Alleen was dat praktisch onhaalbaar, vanwege het probleem van collaboratie binnen het politiecorps en het wantrouwen onder de bevolking dat daar het gevolg van was.

Hoe de arrestaties van collaboratieverdachten verliepen werd daardoor afhankelijk van de lokale omstandigheden: hoe de plaatselijke verzetsgroepen zich hadden voorbereid, hoe gedisciplineerd ze waren, hoe ze omgingen met nieuwe aanwas, en hoe ze hun plek vonden binnen de nieuwe constellatie van de BS.

Bron: Dagboek M. Berckmans, aantekening 9 mei 45, NIOD archief, 244 Europese dagboeken en egodocumenten, nr 1897.

Bron: Dagboek M. Berckmans, aantekening 9 mei 45, NIOD archief, 244 Europese dagboeken en egodocumenten, nr 1897.

Bron: Dagboek M. Berckmans, aantekening 9 mei 45, NIOD archief, 244 Europese dagboeken en egodocumenten, nr 1897.

Ondanks alle regionale verschillen viel het wel op dat meer dan een half jaar na de bevrijding van het Zuiden, de arrestaties tijdens de bevrijding van het noorden vaak dezelfde patronen vertoonden als in het najaar van 1944 waren voorgekomen, en die de gezagsdragers toen al als ongewenst hadden bestempeld. Dat deze herhaling niet voorkomen had kunnen worden, bleef een raadsel voor de Parlementaire Enquêtecommissie: ‘Dat dit niet gebeurd is, heeft ten gevolge gehad, dat ook in het Westen des lands, waar niet meer de oorlogsnoodzaak gold, welke de in het Zuiden gevolgde arrestatiepolitiek mede beïnvloed heeft, de arrestaties op dezelfde grote schaal hebben plaats gevonden. Daardoor is het probleem van de politieke delinquenten uitgegroeid tot een dusdanige omvang, dat Overheid en volk hierbij in de eerste jaren van de bevrijding voor welhaast onoplosbare problemen werden gesteld.’

Dat was inderdaad wat gebeurd was: het aantal arrestanten dat in het najaar van 1945 vastzat, was naar schatting honderdtwintigduizend, een aantal waar van tevoren geen rekening mee was gehouden. Er waren grote problemen met de detentielocaties, met de voeding, de hygiëne, kleding, slaapplekken en medische verzorging, die de teruggekeerde regering onmogelijk allemaal tijdig kon oplossen.

Toch was het volgens de betrokkenen binnen de regering en het Militair Gezag geen reële optie geweest om dan maar minder collaboratieverdachten te arresteren. Dat zou de Nederlandse bevolking nooit hebben geaccepteerd. De dreiging van volkswoede, van een ‘Bijltjesdag’, zoals dat in regeringskringen werd genoemd, was het terugkerende argument waarmee de gemaakte keuzes werden verdedigd.

Bron: Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945, p. 479.

In zijn slotbeschouwing opperde Loe de Jong dat de situatie van de collaboratieverdachten er waarschijnlijk niet op vooruit zou zijn gegaan, als zij niet gearresteerd zouden zijn geweest: ‘een onleefbare situatie (...) waarbij het ook geenszins denkbeeldig was dat de animositeit van de buurt tot gewelddadigheden zou leiden.’ In dat scenario vormde de aankondiging van de regering dat alle landverraders hun straf niet zouden ontlopen ‘een element van bescherming tegen de volkswoede.’

Het probleem met iets wat wordt voorkomen, is dat je het nooit echt hard kunt bewijzen. Je belandt dan al snel in de scenario's van ‘what-if-history'. In het geval van de arrestaties die een veel bloediger Bijltjesdag hadden voorkomen, kan je hoogstens een vergelijking met andere landen maken, om na te gaan of dit argument steekhoudend is.

Bron: De Jong, Koninkrijk der Nederlanden deel 12, p. 638. Zie ook Belinfante, In plaats van Bijltjesdag, p.622 die tot een zelfde conclusie kwam.

Als je de Nederlandse situatie met die van andere Europese landen vergelijkt, valt onmiddellijk op dat het aantal arrestaties in andere landen veel lager lag, en het aantal executies door eigenrichting veel hoger. In Frankrijk bijvoorbeeld was het aantal gearresteerde collaborateurs nog niet eens twintig procent van het percentage arrestanten in Nederland, terwijl er zo'n tienduizend collaborateurs werden geëxecuteerd, in de verreweg de meeste gevallen door eigenrichting van de bevolking.

Dat lijkt er inderdaad op te wijzen dat de arrestaties van collaborateurs tijdens en vlak na de bevrijding wel degelijk een kanaliserende functie hadden. Datgene wat de arrestaties zo hardvochtig maakten, was tegelijkertijd hetgeen wat ervoor zorgde dat in Nederland de wraakgevoelens onder de bevolking niet in grootschalig geweld ontaardden: doordat de collaboratieverdachten in grote getalen uit de samenleving waren gehaald, kon de bevolking haar wraakgevoelens niet verder op hen botvieren.

Bron: Henry Rousso, 'The Purge in France: An Incomplete Story,’ in: John Elster (ed.), Retribution and Reparation in the transition to democracy (Cambrdige 2006) pp.89-123.

‘Het volksgericht, de bijltjesdag waren bij gebrek aan bereikbare slachtoffers niet mogelijk,’ concludeerde Guus Belinfante in zijn standaardwerk over de Bijzondere Rechtspleging. ‘De bevolking hoefde geen houding tegenover de politieke delinquenten te bepalen, zij waren uit de samenleving verdwenen.’

Daar zat wel een keerzijde aan: de gearresteerde collaborateurs werden vastgezet in interneringskampen, vaak maandenlang zonder aanklacht of rechterlijk bevel, zonder enig idee wanneer hun zaak überhaupt voor zou komen, en velen van hen werden bewaakt door BS-ers die hun wraakgevoelens en geldingsdrang alsnog op de geïnterneerden botvierden.

Zelfs als de massale arrestaties daadwerkelijk bloedige wraakacties vanuit de bevolking hebben voorkomen, was dat voor een groot deel slechts een verplaatsing van het probleem. Want binnen de interneringskampen, waar in het najaar van 1945 zo'n honderdtwintigduizend arrestanten zaten opgesloten, hebben de misstanden en wraakacties zich voortgezet. Alleen dan binnen gesloten muren.

Bron: Belinfante, In plaats van Bijltjesdag, p.175.

Literatuurlijst

Afwikkelingsbureau Militair Gezag, Overzicht der werkzaamheden van het Militair Gezag gedurende de Bijzondere Staat van Beleg 14 september 1944-4 maart 1946 (Den Haag 1947) 

Belinfante, A.D. In plaats van Bijltjesdag: De geschiedenis van de Bijzondere Rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog. Van Gorcum, 1978. 

Bosmans en Duynstee, Het kabinet Schermerhorn-Drees. Parlementaire Geschiedenis Van Nederland Na 1945, 1. (Assen/Amsterdam 1977) 

Bosse, P.G. van den, (samenstelling en bewerking), De maand der bevrijding. September – 1944. Documentatie over de gebeurtenissen in Oost Zeeuwsch-Vlaanderen) (Axel 1975) 

Deák, István, Jan Gross,; Tony Judt, The Politics of Retribution in Europe. World War II and Its Aftermath (Princeton 2000). 

Enquêtecommissie Regeringsbeleid 1940-1945. Verslag houdende de uitkomsten van het onderzoek Deel 5c (Den Haag) 1950 

Groen, Koos, Fout En Niet Goed : De Vervolging Van Collaboratie En Verraad Na De Tweede Wereldoorlog [3e, geheel vernieuwde en zeer uitgebr. versie, Hilversum, 2009) 

Jong, de, Loe. Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, deel 10 & 12. Nijhoff, 1980-1982, 1988. 

Meiboom, W.E. “Bijzonder bestraft: Context, analyse en waardering van de bijzondere rechtspraak door de Kamer Groningen van het Bijzonder Gerechtshof Leeuwarden en van cassaties in Groningse zaken.” Proefschrift, Universiteit Leiden, 2016. https://hdl.handle.net/1887/40130.  

Meihuizen, Joggli. Noodzakelijk Kwaad: De bestraffing van economische collaboratie in Nederland na de Tweede Wereldoorlog. Boom, 2003.  

Ojen jr., G.J. van, De binnenlandse strijdkrachten dl 1 & 2 (Den Haag 1972) 

Severein, Michiel. Alles is gedaan om het recht te vinden: Bijzondere Rechtspleging in Leeuwarden, 1945-1949. Verloren, 2017. 

Piersma, Hinke, Op eigen gezag. Politieverzet in oorlogstijd (Amsterdam 2019) 

PIVOT-rapport Rijksarchiefdienst, ‘Verraders waarvoor in een bevrijd Nederland geen plek zal zijn. Een institutioneel onderzoek naar het beleidsterrein van de bijzondere rechtspleging 1945-1952’ (Den Haag 2000) 

Romijn, Peter, Snel, streng en rechtvaardig. Politiek beleid inzake de bestraffing en reclassering van ‘foute’ Nederlanders (De Haan 1989) 

Rooy, Piet de, “Een zoekende tijd. De ongemakkelijke democratie, 1913-1949 

Rousso, Henry, 'The Purge in France: An Incomplete Story,’ in: John Elster (ed.), Retribution and Reparation in the transition to democracy (Cambrdige 2006) 

Rüter, C.F., Bijzondere Rechtspleging Na De Oorlog (Zwolle 1972) 

Schoonoord, Dick, ‘Het circus Kruls’. Militair Gezag in Nederland 1944-1946 (NIOD, 2011) 

Spee – Kolkhuis Tanke, Gerdie, ‘De “Operatie Synagoge” op 31 maart 1945’ in: 'n Sliepsteen nr 81 (2005) pp. 15-16. 

Stuifbergen, Jantien. “Een bijzondere groep daders: vrouwelijke langgestraften na afloop van de Tweede Wereldoorlog in Nederland.” Tijdschrift voor criminologie 60.3 (2018) 

Tames, I., Doorn in Het Vlees : Foute Nederlanders in De Jaren Vijftig En Zestig (Amsterdam 2013) 

Termeer, Henk, Het geweten der natie: de voormalige illegaliteit in het bevrijde Zuiden september 1944 -  mei 1945 (Assen 1994) 

Vaart Smit, H.W. van der, ‘Voorwoord bij de vijfde druk’ in Kamptoestanden 1944-’45 -1948 (Amsterdam 1976) 

VPRO radiodocumentaire-serie De Afrekening (1988) 

Wiegman, T., Enschede 1940-1945 (Enschede 1985).

In dit verhaal

Colofon

Auteur
Ewoud Kieft

Aan deze longread werkte Marjolein Uittenbogaard als onderzoeker mee.  

Met speciale dank aan Lotte Baltussen, Joggli Meihuizen, Peter Romijn, Hinke Piersma, Ismee Tames voor het meelezen en becommentariëren van de tekst.  

Redactie
Katie Digan

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

NIOD
Herengracht 380
1016 CJ Amsterdam
020 52 33 800
Openingstijden studiezaal
  • Di - Vr09:00 - 17:30 u
  • Gesloten op maandag
Let op: het NIOD zelf is op maandag gewoon geopend.