Ga direct naar: Inhoud
-
Links: Ravage na de aanslag op het bevolkingsregister van Amsterdam op 27 maart 1943. Rechts: Willem Arondéus, een van de aanslagplegers
Zoekgidsen

Queergemeenschap in Nederland, 1940-1945

Gepubliceerd op 19 januari 2026
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de queergemeenschap in Nederland blootgesteld aan intimidatie en onderdrukking, maar dat was op zichzelf niet een nieuwe ontwikkeling. Vrijwel de gehele twintigste eeuw waren deze gemarginaliseerde groepen het slachtoffer van een bepaalde mate van repressie. In deze zoekgids vindt u algemene informatie over de queergemeenschap – in het bijzonder over de homogemeenschap - in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog, alsmede een overzicht van mogelijk relevante archieven en publicaties die zich zowel in de collectie van het NIOD als bij andere instellingen bevinden.

Repressie van de queergemeenschap in Nederland

Al voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werden personen die deel uitmaakten van de queergemeenschap in Nederland buitengesloten en zijn Nederlanders veroordeeld op basis van hun geaardheid, in het bijzonder homoseksuelen. De invoering van wetsartikel 248bis in 1911 markeert een dieptepunt. Dit wetsartikel stelde homoseksuele contacten tussen volwassen mannen en vrouwen met minderjarigen (tot 21 jaar) van hetzelfde geslacht strafbaar. Een dergelijke wet bestond er voor hetero's ook, maar daar was de leeftijdgrens op 16 jaar gesteld. De invoering heeft enerzijds geleid tot een emancipatorische ontwikkeling binnen de homogemeenschap, anderzijds gaf het de Nederlandse justitie en het politieapparaat handvatten om actief homoseksuele gedragingen te bestrijden en over te gaan tot strafvervolging. 

Met de bezetting van Nederland leken donkere tijden te zijn aangebroken voor de queergemeenschap. In nazi-Duitsland waren vrijwel direct na de machtsovername van Hitler in 1933 anti-homomaatregelen uitgevaardigd en riskeerde men bij overtreding zelfs deportatie naar de concentratiekampen. In Nederland is het nooit zo ver gekomen, maar in 1940 werd door Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart Verordening 81/40 uitgevaardigd. Vanaf dat moment waren ook homoseksuele contacten tussen volwassenen strafbaar. Het heeft echter niet geleid tot een toename van het aantal veroordelingen ten opzichte van de vooroorlogse periode, maar altijd dreigde arrestatie bij overtreding van deze bepaling. 

Collecties bij het NIOD

De collectie van het NIOD bestaat uit drie onderdelen: publicatiesarchieven en de beeldbank. Om de collectie goed te kunnen doorzoeken kunt u ook gebruik maken van de Homosaurus. Dit is een thesaurus gespecialiseerd in termen die betrekking hebben op de queergemeenschap. 

Literatuur

Bent u op zoek naar algemene informatie over de vervolging van homoseksuelen en andere queergroeperingen dan kunt u de volgende publicaties in onze bibliotheek raadplegen.

Dit betreft slechts een kleine selectie. In de bibliotheek van het NIOD bevinden zich meer publicaties aangaande de queergemeenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog. Middels de online catalogus kunt u zelf zoeken naar relevante literatuur.  

Archieven

In de archieven van het NIOD zijn helaas slechts beperkte gegevens te vinden over de queergemeenschap. Dit komt deels door de structurele ondervertegenwoordiging van deze groep in traditionele overheidsarchieven, die vooral waren gericht op bestuurlijke, juridische en eigendom gerelateerde aangelegenheden. Ervaringen uit de privésfeer werden doorgaans niet als archiefwaardig beschouwd en de vastlegging betrof veelal geschiedenissen van criminalisering, marginalisering en onderdrukking, vastgelegd vanuit het perspectief van de onderdrukkende instanties.

Daarnaast heeft de historische noodzaak voor queerpersonen om verborgen te blijven bijgedragen aan een beperkte en gefragmenteerde documentatie van queerlevens. Persoonlijke bronnen, zoals brieven, dagboeken en foto's, werden vaak vernietigd of gecodeerd. Dat neemt echter niet weg dat er mogelijk meer materiaal aanwezig is dan dat op voorhand wordt verondersteld.   

U kunt middels de online inventaris zelf zoeken naar archiefstukken. Voor het vinden van geschikte zoektermen raden wij u aan gebruik te maken van de eerdergenoemde Homosaurus. In deze thesaurus kunt u zoektermen vinden die betrekking hebben op de queergemeenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ook informatie uit de eerdergenoemde literatuur kan u hierbij helpen. Het bestuderen van archiefmateriaal kan natuurlijk ook weer nieuwe aanknopingspunten opleveren voor het doen van onderzoek in onze collecties. Het NIOD streeft ernaar om zoveel mogelijk collecties te digitaliseren en (online) toegankelijk te maken. Dit is een voortschrijdend proces en in combinatie met nieuwe technische innovaties zal dat resulteren in een betere doorzoekbaarheid van de archieven. Op deze wijze worden juist ook de in het verleden gemarginaliseerde groepen in de samenleving meer zichtbaar.   

Indien u op zoek bent naar informatie over personen die in aanraking zijn gekomen met de (Duitse) justitie en politie tijdens de oorlog in Nederland, dan kunt u daar wellicht in de volgende twee archieven gegevens over vinden:

Deze archieven bevatten – voor zover bewaard gebleven – registers en strafdossiers van opgepakte personen. Als u op zoek bent naar een specifiek persoon raden wij u aan ons via het contactformulier te benaderen. Sommige dossiers staan omwille van de privacy namelijk niet bij naam in de online inventaris genoemd. 

Het is overigens niet eenvoudig om persoonsgebonden gegevens te achterhalen in de archieven. De afzonderlijke dossiers in de archiefcollecties van het NIOD zijn doorgaans voorzien van een goede beschrijving, maar de mogelijkheden om op naam te zoeken in onze collecties zijn beperkt. Van enkele vermaarde personen die deel uitmaken van de queergemeenschap is in de online inventaris op naam het een en ander te vinden. Er valt te denken aan verzetsdeelnemer Willem Arondéus of de SS’er Jan Jacob Bate Sprey.   

In het verlengde hiervan verwijzen wij u door naar de rubriek Veelgestelde Vragen op onze website.  

Verder zou u ook nog enige informatie kunnen vinden in drie afzonderlijke dossiers:

In het laatste genoemde dossier bevindt zich het werkarchief van Yvonne Scherf. Zij heeft uitvoerig onderzoek verricht naar de vervolging van homoseksualiteit tijdens de Tweede Wereldoorlog en haar werkarchief bevat onder meer gegevens van personen die tijdens de oorlog als gevolg van homoseksuele gedragingen in aanraking zijn gekomen met justitie.   

Beeldbank

Foto’s, tekeningen, affiches en films van de Nederlandse oorlogs- en verzetsmusea, herinneringscentra en het NIOD zijn bijeengebracht in Beeldbank WO2, maar helaas is er met betrekking tot de queergemeenschap zeer weinig beeldmateriaal te vinden. 

Egodocumenten

Het NIOD beschikt over vele dagboeken en brieven waarin Nederlanders hun persoonlijke verhalen en ervaringen hebben vastgelegd. Daarmee geven deze documenten een belangwekkende indruk van al hetgeen gewone burgers beleefden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Deze ‘egodocumenten’, een term gemunt door historicus en voormalig RIOD-medewerker Jacques Presser, bieden ons ook een mogelijkheid om inzicht te verkrijgen in de leefwereld van gemarginaliseerde groepen in de Nederlandse samenleving.

Een groot aantal dagboeken en brieven zonder openbaarheidsbeperkingen zijn online beschikbaar via de inventaris, zowel als scans in hoge resolutie als in transcripties. Door de beschikbaarstelling van de door de computer te lezen transcripties zijn de handgeschreven en getypte teksten zelf volledig doorzoekbaar geworden. De dagboeken zijn ondergebracht in twee afzonderlijke collecties. In Collectie 244 vindt u de dagboeken die zijn gesitueerd in Europa, in het bijzonder in Nederland en in Collectie 401 berusten de dagboeken die betrekking hebben op voormalig Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog en de Indonesische Onafhankelijkheidsstrijd. De stukken zijn in de inventaris voorzien van een beknopte samenvatting, waardoor u zelf gemakkelijk naar dagboeken kunt zoeken. 

Een andere noemenswaardige collectie met egodocumenten betreft Collectie 247: Correspondentie. Hierin bevinden zich vele brieven en briefkaarten van personen in uiteenlopende situaties. De documenten zijn binnen de collectie op thema geordend, maar ook met behulp van het zoekveld in de archieftoegang doorzoekbaar.  

Waar kunt u elders nog informatie vinden?

Afhankelijk van waar u precies naar op zoek bent zou u kunnen informeren bij gemeentelijke of regionale archiefinstellingen. Hier bevinden zich onder meer - indien bewaard gebleven - de gegevens van de gemeentelijke politieafdelingen en provinciale arrondissementsrechtbanken. Dat bevat mogelijk gegevens van hen die in aanraking zijn gekomen met de Nederlandse justitie tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Een instelling waar veel informatie over queergeschiedenis te vinden is IHLIA. Zo hebben zij een themadossier over de queergemeenschap tijdens de Tweede Wereldoorlog waar veel informatie in te vinden is. Ze beschikken ook over een aantal interessante archieven en hebben tevens een pagina waar ze bezoekers doorverwijzen naar externe archieven.

Het COC is de oudste nog bestaande queer-belangenorganisatie ter wereld. Hun archief is in te zien bij het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, het Nationaal Archief en het Stadsarchief Amsterdam

Homoseksualiteit tijdens de Tweede Wereldoorlog: een korte schets 

Na de oorlog is er een lange periode nauwelijks aandacht geweest voor de lotgevallen van homoseksuelen tijdens de bezetting van Nederland. Enkele honderden zijn tijdens de Tweede Wereldoorlog in aanraking gekomen met justitie en politie, maar zwegen hier na afloop over om niet (opnieuw) te worden gestigmatiseerd. Gedurende de jaren zestig van de vorige eeuw neemt de belangstelling naar homoseksualiteit tijdens de bezetting toe, in eerste instantie binnen de homobeweging zelf. Dit was een direct gevolg van de maatschappelijke emancipatie van het individu en minderheidsgroepen die zich in deze jaren begonnen te manifesteren (Schuyf, 2003, pp. 121-122).  

In het daaropvolgende decennium liepen de gemoederen hoog op rond het thema homoseksualiteit en de Tweede Wereldoorlog. De discussie concentreerde zich op de in- en uitvoering van de Wet Uitkeringen Vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (WUV) in 1973. Deze wet biedt financiële steun aan mensen die tijdens de oorlog zijn vervolgd vanwege ras, geloof of overtuiging en daardoor blijvende psychische of lichamelijke schade hebben opgelopen. De vraag was of homoseksualiteit eveneens als vervolgingsgrond in de wet moest worden opgenomen. Na langdurige onenigheid tussen enerzijds verschillende homobelangenverenigingen en de Tweede Kamer en anderzijds de regering, werd de wet uiteindelijk in 1986 uitgebreid met homoseksualiteit als vervolgingsgrond (Tijsseling, 2009, pp. 15-17). In het midden van deze felle maatschappelijke en politieke discussie werd duidelijk dat er tot dan toe weinig bekend was over het lot van homoseksuelen. Werden zij in het bezette Nederland daadwerkelijk vervolgd, en zo ja, om hoeveel mensen ging het precies? 

Deze vragen vormden de aanleiding voor een sterke toename van wetenschappelijk onderzoek naar de positie van homoseksuelen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vooral het onderzoek van Pieter Koenders gaf dit onderwerp een belangrijke impuls. In zijn boek Homoseksualiteit in bezet Nederland : Verzwegen hoofdstuk (1983), een gedrukte versie van zijn doctoraalscriptie, vond hij tientallen gevallen van mannen die tijdens de oorlog zijn opgepakt wegens homoseksualiteit, of waar in ieder geval hun seksuele geaardheid een rol speelde bij hun aanhouding.  

De homogemeenschap vóór 1940 in Nederland en Duitsland 

Sociale uitsluiting, repressie en strafvervolging van homoseksuelen waren geen nieuw fenomeen. Reeds vóór de oorlog werd de homogemeenschap gemarginaliseerd. Rond 1900 ontstond in een aantal grote steden in West-Europa een levendige, maar doorgaans verborgen homocultuur. Tegelijkertijd werden deze marginale groepen in toenemende mate blootgesteld aan repressieve maatregelen. In Nederland werd onder aanvoering van de confessionele partijen in de regering het gedrag dat als ‘onzedig’ werd beschouwd verder gecriminaliseerd met de invoering van de Zedelijkheidswet in 1911. Op grond van artikel 248bis van deze wet werden seksuele contacten tussen meerder- en minderjarigen strafbaar gesteld. 

Tussen 1811 en 1911 was het Nederlandse strafrecht gebaseerd op de Franse Code Pénal. Homoseksuele contacten in de privésfeer waren in die periode niet strafbaar. Toch werden veel mannen gearresteerd en veroordeeld op grond van ‘openbare schennis van de eerbaarheid’: seksuele handelingen die in het openbaar plaatsvonden of waarbij anderen aanwezig waren of konden meekijken. Artikel 248bis had echter een discriminerend karakter, aangezien heteroseksuele contacten al vanaf zestien jaar wettelijk waren toegestaan. Homoseksualiteit werd destijds beschouwd als een ‘besmettelijke’ levensstijl: men vreesde dat meerderjarigen minderjarigen tot homoseksualiteit zouden kunnen verleiden. De wetgeving was erop gericht dit vermeende gevaar in te dammen en verdere ‘verspreiding’ te voorkomen. Op die manier werd homoseksualiteit strafrechtelijk gestigmatiseerd. Tegelijkertijd leidde de invoering van artikel 248bis tot verzet: zo richtte Jacob Schorer het Nederlandsch Wetenschappelijk Humanitair Komitee (NWHK) op, de eerste Nederlandse organisatie die opkwam voor de rechten van homoseksuelen en streed tegen hun discriminatie (Hekma, 2004, pp. 68-72). 

In Duitsland waren vanaf 1871 vergelijkbare anti-homomaatregelen van kracht, met name strafparagraaf 175. Deze wet stelde widernatürliche Unzucht tussen mannen strafbaar, met maximaal vijf jaar gevangenisstraf. Ondanks deze wetgeving ontwikkelde zich vooral in Berlijn een dynamische homosubcultuur. Direct na de machtsovername van de Nazi’s in 1933 werden anti-homomaatregelen ingesteld en begon de actieve vervolging van homoseksuelen, die in de daaropvolgende jaren werd geïntensiveerd (Koenders, 1995, pp. 328-331). 

Volgens Koenders was er geen sprake van stelselmatige of planmatige uitroeiing, ondanks politieke wil. In hoeverre homoseksuelen aan vervolging werden blootgesteld, hing sterk af van lokale omstandigheden. Dat de vervolging echter op grote schaal plaatsvond, blijkt uit het grote aantal mannen dat in Duitsland naar concentratiekampen werd gedeporteerd. Onderzoek schat dat tussen de 5.000 en 15.000 mannen vanwege hun (vermeende) homoseksualiteit in deze kampen terechtkwamen. Naar schatting heeft ongeveer 60% van hen de oorlog niet overleefd. Een verklaring voor dit relatief hoge sterftecijfer is dat zij, net als in de Duitse samenleving, ook in de kampen sociaal werden geïsoleerd. Binnen de gevangenenhiërarchie bevonden zij zich op een van de laagste posities, wat hun overlevingskansen aanzienlijk verkleinde (Koenders, 1995, pp. 333-362). 

Homoseksualiteit in bezet Nederland 

Toen Nederland in mei 1940 door de Duitsers werd bezet, leken er donkere tijden aan te breken voor de homogemeenschap. Net als in Duitsland dreigde verdere marginalisering en vervolging, waardoor homoseksuelen, zoals voor de oorlog, op hun hoede moesten zijn. Hun gevoelens hielden zij doorgaans verborgen voor familie en omgeving, waardoor intieme contacten vluchtig waren en vaak in openbare ruimtes zoals urinoirs plaatsvonden. Tijdens de oorlog namen dergelijke ontmoetingen toe, mede door verduisteringsmaatregelen en de spertijd, die heimelijk contact makkelijker maakten. Deze mogelijkheden werden echter maar door een klein deel van de homogemeenschap benut; de meerderheid onderdrukte hun gevoelens en leefde ze niet openlijk uit. Veel van hen leidden een dubbelleven, soms inclusief een gezin met kinderen (Koenders, 1983, pp. 73-117). 

Tijdens de oorlog sloten meerdere homoseksuelen zich aan bij het verzet. Vermoedelijk speelde hun seksuele geaardheid daarbij nauwelijks een directe rol; eerder bood hun persoonlijke situatie hun meer vrijheid om te handelen. In veel gevallen hadden zij geen afhankelijk gezin en hadden zij vaak met hun familie gebroken. Bovendien waren zij gewend aan een ‘ondergronds bestaan’. In zekere zin leefden zij al in de illegaliteit, in een samenleving waarin homoseksualiteit nauwelijks sociaal werd geaccepteerd. Daardoor konden zij zich mogelijk gemakkelijker aanpassen aan het verzetsleven.  

Doorgaans was homoseksualiteit geen drijfveer om in verzet te gaan. Voor Willem Arondéus, wellicht Nederlands bekendste homoseksuele verzetsstrijder, lag dat anders. Hij maakte deel uit van het kunstenaarsverzet, hield zich bezig met vervalsingswerk en pleegde in 1943 samen met onder anderen Gerrit van der Veen een aanslag op het bevolkingsregister van Amsterdam. Frieda Belinfante, een bekende verzetsvrouw en lesbienne, leverde een belangrijke bijdrage aan de voorbereiding van deze aanslag. Voor zijn rol in deze verzetsdaad werd Arondéus ter dood veroordeeld. Vlak voor zijn executie sprak hij tegenover medeverzetsdeelnemer en advocate Lau Mazirel de wens uit de geschiedenis in te gaan als homoseksuele verzetsstrijder, om zo te bewijzen dat homo’s geen ‘mietjes’ waren (Müller & Schuyf, 2006, pp. 9-21). 

Bovendien sloot deze maatregel aan bij de heersende opvattingen over homoseksualiteit in Nederland. Men zou daarom kunnen verwachten dat door de verruimde strafbaarstelling meer homoseksuelen met politie en justitie in aanraking zouden komen dan voorheen. Uit onderzoek is echter gebleken dat daarvan geen sprake was, zelfs niet na aandringen van Hanns Albin Rauter, hoofd van de SS en de Duitse politie in Nederland, op strengere handhaving van homoseksuele gedragingen. De Duitse bezettingsautoriteiten traden doorgaans alleen op wanneer een Duits belang werd geschaad, bijvoorbeeld wanneer Duitse militairen betrokken waren bij (vermeende) homoseksuele contacten. Over het algemeen kan worden gesteld dat de bezetter de handhaving grotendeels overliet aan de Nederlandse politie (Koenders, 1995, pp. 385-433). 

Alles overziend kan worden vastgesteld dat er bij de vervolging vóór, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog een aanzienlijke mate van continuïteit bestond, hoewel vlak na de oorlog sprake was van een relatieve toename in de bestrijding van zogenaamde ‘zedenverwildering’. Uit uitgebreid onderzoek van zowel Koenders als, in latere jaren, Anna Tijsseling blijkt dat tijdens de Tweede Wereldoorlog enkele honderden burgers zijn vervolgd vanwege hun homoseksualiteit. Precieze aantallen zijn echter moeilijk vast te stellen, aangezien ook Nederlanders zonder formeel juridisch proces gevangen zijn gezet en daardoor nauwelijks of niet in justitiële bronnen terug te vinden zijn. 

Al vóór de oorlog waren in enkele grote steden registratiesystemen opgezet waarin (vermeende) homoseksuelen werden opgenomen. Tijdens de oorlog werd deze registratie onverminderd voortgezet, met het verschil dat men toen streefde naar een centraal registratiesysteem. De gevolgen voor homoseksuelen lijken echter beperkt te zijn gebleven. Gedurende de oorlog verschoof de aandacht van de afzonderlijke zedenafdelingen van de Nederlandse politie voornamelijk naar de bestrijding van seksueel overdraagbare aandoeningen. De Duitse politie en justitie richtten zich bovenal op het onderdrukken van verzet en het oppakken van Joden (Koenders, 1995; Tijsseling, 2009). 

De bezettingsjaren kenden echter een ander karakter dan de voor- en naoorlogse periode wat betreft vervolging. Tijdens de oorlog was de dreiging van arrestatie groter, doordat de Duitsers de strafbaarstelling hadden verruimd, met mogelijk verstrekkende gevolgen. Bovendien werd deze periode gekenmerkt door een hoge mate van rechtsonzekerheid: men liep het risico zonder enige vorm van juridisch proces te worden opgepakt en vastgezet (Müller & Schuyf, 2006).    

Verder lezen

Deze korte uiteenzetting is verre van compleet. Er is dankbaar gebruik gemaakt van de onderstaande publicaties. Een historiografisch overzicht van homoseksualiteit tijdens de Tweede Wereldoorlog kunt u onder meer vinden in de publicatie Levenslang : Tiemon Hofman, vervolgd homoseksueel en avonturier (2003) van Judith Schuyf, in het bijzonder in hoofdstuk 7. Ook Anna Tijsseling schenkt in het eerste hoofdstuk van haar dissertatie Schuldige seks : homoseksuele zedendelicten rondom de Duitse bezettingstijd (2009) de nodige aandacht aan de ontwikkeling van het wetenschappelijk onderzoek. In de laatstgenoemde publicatie vindt u logischerwijs eveneens een zeer uitgebreide verhandeling over de vervolging van homoseksualiteit. Dat is ook te vinden in de these en dissertatie van Pieter Koenders, respectievelijk met de titels homoseksualiteit in bezet Nederland : Verzwegen hoofdstuk (1983) en Tussen christelijk réveil en seksuele revolutie : bestrijding van zedeloosheid in Nederland, met nadruk op de repressie van homoseksualiteit (1995). Over het verzet onder homoseksuelen en lesbiennes tijdens de Tweede Wereldoorlog kunt u meer vinden in het boek onder redactie van Klaus Müller en Judith Schuyf, getiteld: Het begint met nee te zeggen : biografieën rond verzet en homoseksualiteit 1940-1945 (2006). Voor een algemeen overzicht van homoseksualiteit van 1730 tot aan de eenentwintigste eeuw in Nederland kunt u de publicatie van Gert Hekma raadplegen, met de titel: Homoseksualiteit in Nederland van 1730 tot de moderne tijd (2004). In deze zoekgids is vrijwel uitsluitend aandacht besteed aan de vervolging van homoseksuele mannen. Ook lesbiennes zijn vóór, tijdens en na de oorlog gemarginaliseerd en, zij het in mindere mate dan mannen, ook vastgezet. VO 81/40 had betrekking op homoseksuele mannen; daarom komen lesbiennes in de bronnen die aan deze strafbepaling zijn verbonden niet voor. Een uitgebreide studie over de lotgevallen van lesbische vrouwen vóór, tijdens en na de Tweede Wereldoorlog is te vinden bij Judith Schuyf in Een stilzwijgende samenzwering : lesbische vrouwen in Nederland 1920-1970 (1995).

Deel deze pagina

Schrijf u in voor onze nieuwsbrief

NIOD
Herengracht 380
1016 CJ Amsterdam
020 52 33 800
Openingstijden studiezaal
  • Di - Vr09:00 - 17:30 u
  • Gesloten op maandag
Let op: het NIOD zelf is op maandag gewoon geopend.