Het belang van ooggetuigen

Meer dan 70 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog is het geen verrassing, dat het aantal ooggetuigen steeds kleiner wordt. Waar vijftien jaar geleden nog relatief veel mensen in leven waren, zijn we nu in een tijdperk beland waarin ontmoetingen met overlevenden niet vaak meer voorkomen. Daarnaast leven we in een zogenaamde digital age, waarin de technologie zich razendsnel ontwikkelt en er volop wordt nagedacht over vernieuwende audiovisuele tentoonstellingsconcepten die de bezoeker niet alleen moeten informeren, maar waar mogelijk ook prikkelen. Is hierbinnen überhaupt nog ruimte voor een “ouderwets” gesprek met een dame of heer op leeftijd?

Ook de Gedenkstätte Bergen-Belsen ziet zich voor de uitdaging gesteld om te gaan met het teruglopende aantal overlevenden. Zo’n vijftien jaar geleden startte het museum een interviewproject dat ertoe dient de verhalen van overlevenden op te tekenen en ze voor educatieve en wetenschappelijke doeleinden te bewaren. Binnen dit project worden zogenaamde lebensgeschichtliche Interviews gevoerd met personen die in Bergen-Belsen gevangen hebben gezeten. Het is inmiddels uitgegroeid tot een belangrijk (en in mijn optiek onmisbaar) onderdeel van de werkzaamheden. Het bestand van de Gedenkstätte bevat anno 2016 zo’n 450 interviews met de meest uiteenlopende personen: Italiaanse, Poolse en Russische mannen die als krijgsgevangene in Bergen-Belsen waren, Joden uit verschillende Europese landen en ook Sinti. Bovendien zijn ook enkele interviews gevoerd met omwonenden en met Britse soldaten die het kamp in april 1945 bevrijdden. In de laatste vijf jaar vonden er voornamelijk interviews plaats met mensen die als (klein) kind samen met familieleden of ook wel alleen in het concentratiekamp gevangen zaten.

Over de waarde van deze interviews, en mondelinge geschiedschrijving in het algemeen, wordt nogal eens gediscussieerd. Zijn de herinneringen van deze mensen wel betrouwbaar genoeg om als bron te gebruiken? Hoeveel weten mensen, die als peuter in een concentratiekamp waren, eigenlijk nog? Hebben ze überhaupt nog herinneringen? Hoewel één van de wezenlijke opgaven van een historicus het kritisch toetsen van bronmateriaal is, ben ik van mening dat de sceptische houding tegenover interviews zoals die in het project van de Gedenkstätte Bergen-Belsen, deels ongegrond is. Interviews met zogenaamde child survivors zullen ons misschien geen keiharde feiten over sterfgevallen, dwangarbeid of dergelijke onderwerpen opleveren, maar ze geven ons inzichten in de mens en het lange en moeizame proces van traumaverwerking. Dat dit ook, of dit juist, voor pedagogische doeleinden van zeer groot belang kan zijn, behoeft in mijn optiek geen verdere uitleg.

Als jonge historica voel ik me bevoorrecht dat ik, op dit keerpunt in de historische wetenschap, nog de mogelijkheid heb in contact te treden met overlevenden. Daarbij speelt natuurlijk de wens om informatie voor de volgende generaties beschikbaar te stellen een belangrijke rol. Het menselijk contact is daarnaast ook van grote waarde, evenals het besef dat achter elke naam op een transportlijst en elke Stolperstein waar men soms achteloos overheen loopt, een verhaal schuilgaat. Een persoonlijk en indrukwekkend verhaal, dat in het geval van velen decennialang onbesproken bleef, terwijl het overduidelijk een schaduw over hun leven en dat van hun (klein)kinderen wierp. Hier moeten we heel zorgvuldig mee omgaan en het – zo lang het nog kan – koesteren als waardevolle toevoeging aan de geschiedschrijving.

Tessa Bouwman (1993) studeerde Europese studies en Holocaust- en Genocide Studies aan de UvA. Momenteel werkt ze op de onderzoeksafdeling van de Gedenkstätte Bergen-Belsen. Ze interesseert zich onder andere voor herinneringscultuur van de Tweede Wereldoorlog (met name in Nederland, Duitsland en Frankrijk) en het lot van child survivors.  

Bron: Gedenkstätte Bergen Belsen