Rwanda (1994)

Rwanda (1994)

Tussen april en juni 1994 werden tussen de 800.000 en 900.000 Rwandezen, ongeveer een tiende van de bevolking, slachtoffer van genocide. Naar schatting zijn in die periode bovendien 70.000 vrouwen verkracht en hebben 350.000 kinderen gezien hoe hun familieleden werden vermoord. Veruit het meeste aantal slachtoffers viel onder de Tutsi minderheid en de daders van de genocide waren overwegend afkomstig uit de Hutu bevolking van Rwanda. De opzet om het bestaan van de Tutsi’s uit te wissen definieert de gebeurtenissen tussen april en juni 1994 als genocide.

Al jarenlang (vanaf 1991) was de Tutsi bevolking afgeschilderd als een gevaar voor de Rwandese samenleving, maar de directe aanleiding was het neergeschoten vliegtuig waarin de Rwandese president Juvénal Habyarimana, afkomstig uit de Hutu bevolking, en de Burundese president Cyprien Ntaryamira zaten op 6 april 1994. Drie maanden, ruim honderd dagen, zou de provincie Kigali, het toneel zijn van genocide op Tutsi's en gematigde Hutu's. De daders waren veelal leden van Hutu-milities (Interahamwe genaamd, letterlijk ‘zij die samen vechten’) en leden van het Rwandese leger.

Aan de Rwandese genocide gingen maanden van voorbereiding vooraf. Via uitzendingen van Radio Télévision Libre des Mille Collines (letterlijk: Onafhankelijke Radio en Televisie van de Duizend Heuvelen) tussen 8 juli 1993 en 31 juli 1994 werd de bevolking opgehitst tegen ‘Tutsikakkerlakken’ en werden, onder andere in China, kapmessen (machetes) ingekocht waarmee de moorden konden worden uitgevoerd. Minder dan een uur nadat het vliegtuig van Habyarimana was neergestort, begon de presidentiële garde de mensen te vermoorden van wie de namen op lijsten stonden die maanden daarvoor waren opgesteld: van politieke tegenstanders, hoogleraren en hun studenten, tot het ‘gewone volk’, hele gezinnen en iedereen die ooit met hen was omgegaan. De moorden werden niet uitgevoerd met behulp van vuurwapens, maar met machetes en knuppels. De daders waren niet alleen soldaten, maar onder andere ook burgemeesters, politiemensen, priesters en buren. Allemaal opgehitst om ‘hun werk te doen’ door haatoproepen die 24 uur per dag over de radio werden uitgezonden.

De Hutu bevolking werd na de start van de genocide (7 april) gedwongen om deel te nemen aan de genocide. Weigeraars werden bedreigd met moord op gezinsleden en Hutu’s die getrouwd waren met een Tutsi werden gedwongen om hun geliefden en kinderen te vermoorden. De internationale vredesmacht die in de regio gestationeerd was, UN Assistance Mission for Rwanda (UNAMIR) onder leiding van de Canadese luitenant-generaal Romeo Dallaire, greep, ondanks grote persoonlijke frustratie daarover, niet in. UNAMIR had een te krap mandaat, met te weinig bevoegdheden om geweld te gebruiken en gebrek aan manschappen. VN soldaten mochten alleen wapens gebruiken als ze werden aangevallen.

Dit gebrek aan ingrijpen is de Verenigde Naties en vooral de leden van de Veiligheidsraad op enorm veel kritiek komen te staan. Onder leiding van de VN werd via Resolutie 955 van de Veiligheidsraad werd in 1994 het International Criminal Tribunal for Rwanda (ICTR), het Rwanda Tribunaal, opgericht. Dit internationale hof is gevestigd in Arusha, Tanzania. Het vervolgt misdaden die gepleegd zijn in Rwanda of door Rwandese burgers in omliggende staten tijdens de honderd dagen die op de datum van 6 april 1994 volgden. Het hof is sinds 1997 in werking en is nog steeds aan de gang. Inmiddels zijn er veroordelingen uitgesproken, maar in Rwanda zitten nog steeds ongeveer honderdduizend verdachten van genocide in de gevangenis. Ieder jaar wordt de Rwandese genocide op 7 april nationaal herdacht.

 

Meer informatie:

Rwandese genocide ging sneller dan Holocaust (Aflevering Geschiedenis 24)
http://www.hrw.org/en/reports/1999/03/01/leave-none-tell-story (Engelstalig rapport van Human Rights Watch over de genocide in Rwanda)